Verzoeker huurt een woning waar door de politie drugs zijn aangetroffen en meldingen zijn gedaan van drugshandel. De burgemeester besloot de woning voor twee maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker betwist de bevoegdheid van de burgemeester, de geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid van de maatregel.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd is omdat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs ruim boven de 0,5 gram ligt, wat duidt op handel. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de drugs niet voor verkoop bestemd waren. De sluiting is geschikt en noodzakelijk om herhaling te voorkomen, de openbare orde te herstellen en een signaal af te geven tegen drugscriminaliteit.
Verzoeker voert aan dat hij geen verwijt treft en dat de sluiting onevenwichtig is vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en die van zijn zoon. De voorzieningenrechter acht verzoeker wel verantwoordelijk voor wat in zijn woning gebeurt en vindt dat de sluiting geen onevenredige inbreuk maakt op het recht op family life. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen, waardoor het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.