ECLI:NL:RBGEL:2025:363

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 januari 2025
Publicatiedatum
21 januari 2025
Zaaknummer
C/05/434826 HA ZA 24/213
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:94 lid 1 BWArt. 21 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenvonnis over matiging contractuele boete bij ontbinding koopovereenkomst bedrijfspand

In april 2022 kocht de gedaagde twee appartementsrechten van eisers voor een bedrijfspand voor €365.000. De levering vond niet plaats omdat de gedaagde de financiering niet rond kreeg, waarna eisers de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Eisers vorderen betaling van een contractuele boete van €36.500.

De gedaagde voert verweer dat de boete gematigd moet worden tot nihil op grond van art. 6:94 lid 1 BW Pro, omdat eisers geen schade zouden hebben geleden. Zij stelt dat het pand nog verhuurd was en dat eisers geen intentie hadden het pand te verkopen. Tijdens de mondelinge behandeling lichtten eisers toe dat het pand te koop staat voor €395.000, maar dat het onduidelijk is of het verkocht zal worden en dat de huurovereenkomst binnenkort eindigt.

Na de zitting constateerde de rechter via een online advertentie dat het pand onder voorbehoud verkocht was. De rechtbank geeft eisers de gelegenheid om zich hierover uit te laten en relevante stukken te overleggen, omdat de hoogte van de werkelijke schade mede afhangt van de verkoop en voorwaarden daarvan. Tevens wordt eisers de mogelijkheid geboden om te reageren op mogelijke strijdigheid van hun verklaringen met de waarheidsplicht. De verdere beslissing wordt aangehouden tot nadere stukken zijn ingediend.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en geeft eisers gelegenheid om nadere stukken over verkoop en schade in te dienen.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/434826 / HA ZA 24-213
Vonnis van 22 januari 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. J. Kamphuis,
tegen
[gedaagde],
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. Stokdijk, die zich op 3 januari 2025 heeft onttrokken.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 september 2024
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 januari 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
In april 2022 heeft [gedaagde] twee appartementsrechten gekocht van [eisers] voor € 365.000,00. Het gaat om een bedrijfspand aan [adres] . Het pand is niet geleverd aan [gedaagde] omdat zij de financiering niet rond kreeg, waarna [eisers] de koopovereenkomst buitengerechtelijk hebben ontbonden. In deze procedure vorderen [eisers] onder meer dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een contractuele boete van € 36.500,00.
2.2.
[gedaagde] voert onder meer als verweer dat deze boete op grond van art. 6:94 lid 1 BW Pro moet worden gematigd tot nihil. In dit verband brengt zij naar voren dat [eisers] geen enkele schade hebben geleden als gevolg van de tekortkoming en ontbinding van de overeenkomst. [gedaagde] stelt hiertoe onder meer dat [eisers] , los van de verkoop aan [gedaagde] , niet de wens hadden om het pand te verkopen. Er bestond voorafgaand aan de verkoop een huurovereenkomst met [betrokkene 1] die is blijven doorlopen. [eisers] zijn altijd huur blijven ontvangen, aldus [gedaagde] .
2.3.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eisers] toegelicht dat het pand niet meer kan worden verkocht voor dezelfde prijs. Op vragen van de rechtbank hebben zij geantwoord dat het pand op dit moment te koop staat voor € 395.000,00, maar dat nog niet duidelijk is of het pand voor deze prijs zal worden verkocht en dat er nog geen potentiële kopers zijn. De huurovereenkomst met [betrokkene 1] eindigt per 31 januari 2025. [betrokkene 1] is bezig met het verwijderen van ‘verbeteringen’ uit het pand, wat erop neerkomt dat zij de door haar aangebrachte wijzigingen in het pand laat slopen door vrijwilligers. Onbekend is wat het pand zal opbrengen, omdat nog niet bekend is hoe (en met hoeveel schade) het pand uiteindelijk zal worden opgeleverd. Het pand zal waarschijnlijk minder dan € 365.000,00 opbrengen en als het pand al meer opbrengt, is dat meerdere nodig om de schade te herstellen. Zij hebben voorts advocaatkosten gemaakt, aldus [eisers] .
2.4.
Direct na afloop van de mondelinge behandeling heeft de behandelend rechter via Google gezocht op het adres ‘ [adres] ’. Naar voren kwam een advertentie op www.funda.nl met de datum 21 oktober 2024. Na het openen van deze advertentie werd zichtbaar dat het pand te koop staat voor € 395.000,00. Verder staat in de advertentie een rood blokje met de tekst ‘Verkocht onder voorbehoud.’
2.5.
De rechtbank zal [eisers] in de gelegenheid stellen om zich hierover bij akte uit te laten. Als het pand ten tijde van de mondelinge behandeling onder voorbehoud was verkocht, dienen [eisers] de koopovereenkomst en alle andere bescheiden in het geding te brengen waaruit blijkt wanneer het pand is verkocht, aan wie, voor welk bedrag en onder welke voorwaarden. Bij de beoordeling van het matigingsverweer van [gedaagde] vormt de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete immers een (belangrijk) gezichtspunt. [1] Hoe hoog de werkelijke schade is, hangt mede ervan af of het pand (opnieuw) is verkocht en, zo ja, onder welke voorwaarden. De rechtbank zal [eisers] tevens in de gelegenheid stellen om zich erover uit te laten of en, zo ja, in hoeverre hun verklaringen tijdens de mondelinge behandeling in strijd waren met de waarheidsplicht. De rechtbank wijst erop dat, als zij in strijd met de waarheid hebben verklaard, hieraan op grond van art. 21 Rv Pro consequenties kunnen worden verbonden.
2.6.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 5 februari 2025voor het nemen van een akte door [eisers] over wat is vermeld onder 2.5,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.L. van de Sande en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025.
1906

Voetnoten

1.Vgl. HR 11 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4779 en HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638.