ECLI:NL:RBGEL:2025:9905

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
ARN 24/319, 24/402 en 24/429
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.S. Termaat
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbArt. 6:22 AwbArt. 4:84 AwbArt. 2.1 WaboArt. 2.7 Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen omgevingsvergunning voor derde woonlaag in Nijmegen

Vergunninghouders vroegen op 5 april 2023 een omgevingsvergunning aan voor het bouwen van een derde woonlaag op hun woning in Nijmegen, binnen het bestemmingsplan 'Nijmegen Kern Lent – Visveld'. Het college verleende de vergunning op 7 juni 2023, inclusief een afwijking van het bestemmingsplan vanwege overschrijding van de maximale bouwhoogte.

Eisers stelden beroep in tegen deze vergunning en voerden meerdere gronden aan, waaronder strijd met artikel 7:9 Awb Pro wegens het niet kunnen reageren op een stedenbouwkundig advies, onjuiste maatvoering, onrechtmatige toepassing van beleidsregels, aantasting van woon- en leefklimaat, en privaatrechtelijke belemmeringen. De rechtbank oordeelde dat het college in strijd met artikel 7:9 Awb Pro handelde door eisers niet te horen over het stedenbouwkundig advies, maar passeerde dit gebrek omdat eisers niet benadeeld zijn.

De rechtbank oordeelde verder dat het college terecht bevoegd was de vergunning te verlenen met toepassing van de beleidsregels en dat de belangenafweging zorgvuldig was gemaakt. De aantasting van het woon- en leefklimaat werd als niet onaanvaardbaar beoordeeld, en er was geen sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Ook de vrees voor ongewenste precedentwerking en het ontbreken van alternatieven waren onvoldoende voor afwijzing. De welstandstoetsing was zorgvuldig en het positieve advies van de welstandscommissie werd gevolgd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde het primaire besluit en bepaalde dat het college het betaalde griffierecht aan eisers moet vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het primaire besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/319, 24/402 en 24/429

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres 1] (ARN 24/319),

[eiser 1] en [eiseres 2] (ARN 24/402)
[eiser 2] en [eiseres 3] (ARN 24/429),allen uit [plaats] , eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen, het college
(gemachtigden: mr. M. Spoeltman en mr. M. Hofsté).
Als derde-partij nemen aan de zaken deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2]uit [plaats] , vergunninghouders.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de door het college verleende omgevingsvergunning aan vergunninghouders voor het realiseren van een derde woonlaag op hun woning.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft besloten de zaken met zaaknummers: ARN 24/319, ARN 24/402 en 24/429 te voegen op grond van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft de beroepen op 1 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers [eiseres 1] , [eiser 1] , [eiseres 2] en [eiser 2] , de gemachtigden van het college en vergunninghouders.

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank beoordeelt de beslissingen op bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
2. De rechtbank verklaart het beroep van eisers ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Achtergrond

3. Vergunninghouders hebben op 5 april 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een derde woonlaag op hun woning aan de [locatie 1] in [plaats] (de derde woonlaag).
3.1
De woning van vergunninghouders is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Nijmegen Kern Lent – Visveld’ (het bestemmingsplan) en heeft de bestemming ‘Wonen’.
3.2
Het college heeft op 7 juni 2023 een omgevingsvergunningsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ [1] verleend. Verder heeft het college een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘afwijken van het bestemmingsplan’ [2] verleend omdat de bouw van de derde woonlaag is in strijd met het bestemmingsplan omdat de maximale bouwhoogte van 6 meter wordt overschreden met 3,2 meter (het primaire besluit). [3]
3.3
In de beslissingen op de bezwaren van eisers zijn de bezwaren ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten (beslissingen op bezwaar).

Leeswijzer

4. De rechtbank licht bij de beoordeling van de gronden eerst het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet toe en gaat dan in op de beroepsgronden die zijn gericht tegen de beslissingen op bezwaar. In hun beroepschrift betogen eisers dat:
  • het college hen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op het advies van de stedenbouwkundige;
  • het college uit is gegaan van een onjuiste maatvoering;
  • het college niet op grond van de gebruikte bevoegdheid de derde woonlaag kon vergunnen;
  • dat de derde woonlaag in strijd is met de beleidsregels;
  • dat het college ten onrechte niet is afgeweken van de beleidsregels;
  • dat het college ten onrechte heeft besloten dat de derde woonlaag niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand.

Beroepsgronden

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
5.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 5 april 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Heeft het college in strijd gehandeld met artikel 7:9 van Pro de Awb?
6. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij in de bezwaarfase ten onrechte niet de gelegenheid hebben gehad om te reageren op het advies van de stedenbouwkundige. Volgens eisers zijn zij daarom niet in de gelegenheid geweest om adequaat te reageren op dit stedenbouwkundige advies.
6.1.
Het college voert hierover aan dat het stedenbouwkundig advies tijdens de bezwaarprocedure intern is opgevraagd ter aanvulling op hetgeen eisers in bezwaar hebben aangevoerd. Het advies bevatte volgens het college geen nieuwe of andere feiten dan die al bekend waren, omdat het advies voortbouwt op de eerder in de procedure uitgebrachte adviezen en daarop een nadere toelichting vormt. Volgens het college is deze werkwijze niet in strijd met artikel 7:9 van Pro de Awb. [4]
6.2.
In de beslissingen op bezwaar zijn onder meer de volgende passages opgenomen:

Belangenafweging
Net als u missen wij een belangenafweging. (…) Uit het bestreden besluit blijkt onvoldoende dat de betrokken belangen – zoals uitzicht, privacy, bezonning, en woongenot – in de belangenafweging zijn betrokken. Het is dus niet duidelijk of en in hoeverre uw belangen zijn meegewogen bij de totstandkoming van het besluit van 7 juni 2023.
Op grond van het vorenstaande concluderen wij dan ook dat aan het bestreden besluit een gebrek kleeft, omdat dit geen expliciete blijk geeft van een behoorlijke belangenafweging en in zoverre dus niet voldoende gemotiveerd is.
(…)
In bezwaar hebben wij de heer S, Heijligers, stedenbouwkundige bij de gemeente Nijmegen (hierna: stedenbouwkundige) gevraagd om aan te geven in hoeverre er in deze situatie – gelet op de bezwaren van bezwaarmakers en andere omwonenden – (geen) sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de beleidsregels rechtvaardigt.
Op 10 november 2023 gaf de stedenbouwkundige onder meer het volgende aan (…).
6.3.
Artikel 7:9, van de Awb luidt: ‘
Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.’
6.4.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat wanneer een advies voortbouwt op een eerder advies, dit advies in de regel niet wordt beschouwd als een na het horen aan het bestuursorgaan bekend geworden feit dat voor het op bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kan zijn, als bedoeld in artikel 7:9 van Pro de Awb. [5]
6.5.
De rechtbank stelt vast dat eisers op 27 september 2023 door ambtenaren mondeling zijn gehoord tijdens een hoorzitting. Op 10 november 2023 heeft de stedenbouwkundige het college geadviseerd. Vervolgens heeft het college in de beslissingen op bezwaar van 13 december 2023 beslist op de bezwaren van eisers en daarin ook het advies van de stedenbouwkundige aangehaald. Anders dan het college stelt, bouwt dit advies van de stedenbouwkundige niet voort op een eerder advies. In de beslissingen op bezwaar is namelijk expliciet opgenomen dat het niet duidelijk is of en in hoeverre de belangen van eisers zijn meegenomen bij het nemen van het primaire besluit. Verder acht de rechtbank het van belang dat het college niet heeft onderbouwd op welk advies het advies van de stedenbouwkundige voortbouwt. Gelet hierop heeft het college, door eisers niet nader te horen over dit advies dan wel in de gelegenheid te stellen op het advies van de stedenbouwkundige te reageren, in strijd gehandeld met artikel 7:9 van Pro de Awb. De beroepsgrond slaagt.
6.6.
De bestuursrechter kan gebreken in een besluit passeren, indien aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Dit volgt uit artikel 6:22 van Pro de Awb.
6.7.
De rechtbank acht het niet aannemelijk dat belanghebbenden door het gebrek zijn benadeeld. In de beslissingen op bezwaar is de inhoud van het stedenbouwkundig advies opgenomen en eisers hebben in deze beroepsfase voldoende de mogelijkheid gehad om hun standpunt over het advies naar voren te brengen. Daarom passeert de rechtbank het gebrek.
Is het college uitgegaan van een onjuiste maatvoering?
7. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte is uitgegaan van een onjuiste afstand tussen de derde woonlaag en de achterliggende huizen aan de [locatie 2] . Het college is volgens eisers uitgegaan van de foutieve maatvoering die is weergegeven op de plattegrond en tekeningen die vergunninghouders hebben gevoegd bij de aanvraag. Eisers stellen dat deze plattegrond en tekeningen niet overeenkomen met de werkelijke situatie. Zo zijn de verschillende uitbouwen van de achterliggende woningen aan de [locatie 2] ten onrechte niet op deze plattegrond dan wel tekeningen opgenomen.
7.1.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het stelsel van de Wabo enkel plaats biedt voor een beslissing over een omgevingsvergunning op grond van een daartoe strekkende aanvraag. [6] Voor het antwoord op de vraag welke maten het college bij de beoordeling van de aanvraag moet hanteren, is de aanvraag en de daarin opgenomen maatvoering bepalend. [7] De omstandigheid dat de bijgebouwen bij de achterliggende woningen aan de [locatie 2] niet zijn weergegeven op de plattegrond dan wel de tekeningen bij de aanvraag heeft niet tot gevolg dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen.
7.2.
Daarbij merkt de rechtbank op dat uit de beslissingen op bezwaar en in de uitgevoerde bezonningsstudie van 19 juni 2023 blijkt dat de aanbouwen bij de achterliggende woningen aan de [locatie 2] wel zijn meegenomen in de beoordeling van de gevolgen van de derde woonlaag voor eisers, en dat dus in de belangenafweging is uitgegaan van de feitelijk bestaande situatie.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Kon het college de vergunning verlenen met toepassing van de beleidsregels?
Toetsingskader
8. De rechtbank stelt vast dat het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (het Bor) is afgeweken van artikel 21.2.2, onder b, onder 2, van het bestemmingsplan. Een omgevingsvergunning kan in zo’n geval worden verleend als sprake is van een geval als bedoeld in artikel 4, onderdeel 4, van bijlage II van het Bor en als sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
8.1.
Voordat de rechtbank op de beroepsgronden ingaat, benadrukt de rechtbank dat het college bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en het de betrokken belangen moet afwegen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen. [8] Ter uitvoering van de bevoegdheid om planologisch af te wijken heeft de gemeente Nijmegen beleidsregels voor grondgebonden woningen vastgesteld (hierna: de beleidsregels). Het college moet op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb in beginsel overeenkomstig de beleidsregels in de beleidsnota handelen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet een bestuursorgaan bij de toepassing van het beleid, gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, de evenredigheid in het concrete geval beoordelen en heeft het de verplichting om te beoordelen of sprake is van bijzondere omstandigheden die dwingen tot afwijking van de beleidsregel. [9] Verder moet een bestuursorgaan volgens vaste rechtspraak van de Afdeling alle omstandigheden van het geval betrekken bij zijn beoordeling en nagaan of deze omstandigheden, afzonderlijk of in samenhang bezien, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van 4:84 van de Awb, die ertoe leiden dat toepassing van de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met die beleidsregel te dienen doelen. [10]
Was het college bevoegd om de derde woonlaag te vergunnen met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 4, van bijlage II, bij het Bor?
9. Eisers voeren aan dat het college niet bevoegd was om de derde woonlaag te vergunnen met toepassing van artikel 4 aanhef Pro en onderdeel 4, van bijlage II, van het Bor. Eisers stellen dat de zogenoemde kruimelregeling (hiermee wordt bedoeld: de mogelijkheden om af te wijken van het bestemmingsplan die zijn neergelegd in artikel 4, van bijlage II, van het Bor) alleen is gericht op aanpassingen van niet al te ingrijpende aard.
9.1.
Artikel 4 aanhef Pro en onder 4, van bijlage II, van het Bor luidt: ‘
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw.’
9.2.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat onder het begrip ‘dakopbouw’ ook kan worden verstaan een uitbreiding van een gebouw met een extra verdieping met een plat dak. Verder is in deze bepaling dan wel in de kruimelregeling niet opgenomen dat alleen aanpassingen mogen worden verricht die niet van een te ingrijpende aard zijn. Gelet hierop bestond voor het college de bevoegdheid om de aangevraagde derde woonlaag te vergunnen met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 4, van bijlage II, van het Bor. De beroepsgrond slaagt niet. [11]
Is de omgevingsvergunning in strijd met de beleidsregels?
10. Eisers voeren aan dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend in strijd met de beleidsregels. Het college heeft volgens eisers onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de betreffende omgeving is getypeerd als (moderne) tuinstad.
10.1.
Uit artikel 4, eerste lid, van de beleidsregels volgt dat het bevoegd gezag toestemming verleent om van het bestemmingsplan af te wijken, mits wordt voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de stedenbouwkundige matrix (artikel 5) met daarbij behorende kaart van gebiedstypen (artikel 6).
10.2.
Het college heeft in het primaire besluit besloten dat de betreffende dakopbouw vergund kan worden met toepassing van artikel 4, aanhef en onderdeel 4, van bijlage II, van het Bor omdat de derde woonlaag voldoet aan de voorwaarden uit de stedenbouwkundige matrix voor het gebiedstype ‘tuinstad’ die zijn neergelegd in de beleidsregels. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het college acht heeft geslagen op de typering van de omgeving als tuinstad. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college kunnen besluiten dat de dakopbouw niet onevenredig het woon- en leefklimaat van eisers aantast?
11. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden, omdat met de realisatie van de derde woonlaag hun woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met onder meer de vermindering van het uitzicht vanaf hun percelen, de vermindering van het zon- en daglicht op hun percelen en de aantasting van hun privacy door mogelijke inkijk vanaf de derde verdieping.
11.1.
De rechtbank stelt vast dat het architectenbureau [naam architectenbureau] ([naam architectenbureau]) in opdracht van vergunninghouders twee bezonningsstudies heeft uitgevoerd. In deze bezonningsstudies is de afname van zon op de tuin en gevel van de woningen van eisers, als gevolg van de realisatie van derde woonlaag, beoordeeld.
11.2.
Zoals al besproken onder overweging 6, heeft het college in de bezwaarfase advies ingewonnen bij de stedelijke bouwkundige van de gemeente Nijmegen. De stedenbouwkundige concludeert over de bezonning dat het verlies van bezonning voor eisers nihil is. Verder heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de stedenbouwkundige, onder meer geconcludeerd dat de woning van vergunninghouders weliswaar vergroot maar niet opgesplitst wordt, er niet meer mensen komen wonen die verblijven op de derde woonlaag en de woonkamer zich niet in de derde woonlaag gaat bevinden.
11.3.
De rechtbank overweegt dat het tussen partijen niet ter discussie staat dat het woon- en leefklimaat van eisers in bepaalde mate wordt aangetast. Zo staat niet ter discussie dat als gevolg van de derde woonlaag het aantal zonuren wordt verminderd, er een aantasting is van de privacy van eisers en hun vrije uitzicht vanuit hun woning dan wel tuin afneemt. Wat wel tussen partijen ter discussie staat is de vraag of deze gevolgen het woon- en leefklimaat van eisers
onaanvaardbaaraantast.
11.4.
De rechtbank stelt vast dat eisers wonen in een dichtbevolkte woonwijk in [plaats] . Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat aan het wonen in een stedelijke omgeving inherent is dat er enige inkijk is, waardoor er niet snel sprake is van een onevenredige aantasting van de privacy. [12] Verder is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht en belemmering van het uitzicht in een stedelijke omgeving vaak moeilijk te vermijden is als een bouwplan wordt gerealiseerd. [13] Dit laat onverlet dat het bevoegd gezag per geval zal moeten beoordelen of er geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt.
11.5.
De rechtbank oordeelt dat het college heeft kunnen besluiten dat de derde woonlaag het woon- en leefklimaat van eisers niet onaanvaardbaar aantast. De rechtbank acht hier van belang dat uit de verrichte bezonningstudies en de conclusie van de stedenbouwkundige blijkt dat de afname van het aantal zonuren op de tuinen dan wel gevels van de woningen van eisers nihil is. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat door de dakopbouw de privacy onaanvaardbaar wordt aangetast. De rechtbank neemt hierbij in acht dat eisers in een dichtbevolkte woonwijk wonen en er in de bestaande situatie al inkijk is vanaf de woning van vergunninghouders in de tuinen dan wel woningen van eisers. Wat betreft het verlies van het vrije uitzicht merkt de rechtbank op dat dit verlies niet zodanig is dat dit onaanvaardbaar is. Zo heeft enkel eiseres [eiseres 1] vanuit haar woning direct zicht op de derde woonlaag en is het vrije uitzicht in de bestaande situatie al beperkt door de bestaande woning van vergunninghouders. Het had op de weg van eisers gelegen om te onderbouwen waarom de nadelige gevolgen van de derde woonlaag zodanig zijn dat deze onaanvaardbaar zijn dat het college had moeten afwijken van de beleidsregels. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college kunnen besluiten dat geen sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering?
12. Eisers voeren aan dat een evident privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het verlenen van de omgevingsvergunning. Eisers stellen dat in de koopcontracten van de woningen van het project Scala (waaronder de woningen van eisers en vergunninghouders vallen) tussen de projectontwikkelaar en de kopers sprake is van een kwalitatieve verplichting die de uitvoering van de omgevingsvergunning in de weg staat. Verder stellen eisers dat bij hen de verwachting is gewekt dat de woningen aan de [locatie 3] slechts uit twee bouwlagen mogen bestaan.
12.1.
De rechtbank overweegt dat het in beginsel niet aan de bestuursrechter is om in een bestuursrechtelijke procedure een oordeel te geven over de vraag of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan een voorgenomen activiteit. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, in dit geval het realiseren van de dakopbouw op de woning van vergunninghouder, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. Dit kan anders zijn als de gestelde privaatrechtelijke belemmering een evident karakter heeft. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident, als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de uitvoering van de voorgenomen activiteit de toestemming van een ander vereist is en die ander die toestemming ook niet hoeft te geven. [14]
12.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de volgende verplichting is opgenomen in het koopcontract tussen vergunninghouders en de projectontwikkelaar:

‘Handhaving gevelbeeld/kwalitatieve verplichting


Koper dient bij de eerste bouwrealisatie aangebrachte gevelbeeld in stand te houden en bij eventuele (toekomstige) uitbreidingen deze uitstraling in stand te houden en de gevels vorm te geven binnen de keuzemogelijkheden van het gekozen thema.’
12.3.
De vergunninghouders voeren hierover aan dat de afspraken in de koopovereenkomst geen evidente privaatrechtelijke belemmering betreffen die maken dat deze omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden. In de koopovereenkomst staat namelijk enkel dat het gevelbeeld in stand moet blijven. Daarentegen is niet opgenomen dat er geen extra bouwlaag mag worden gerealiseerd.
12.4.
De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft besloten dat de bepaling uit de koopovereenkomst waarin de verplichting is opgenomen, geen reden was om de omgevingsvergunning te weigeren. Hierbij betrekt de rechtbank dat ter zitting niet duidelijk is geworden hoe deze kwalitatieve verplichting moet worden uitgelegd, zodat nader onderzoek nodig is en dus geen evident privaatrechtelijke belemmering in genoemde zin aan de orde is. Voor zover eisers betogen dat zij vertrouwen hebben ontleend aan deze kwalitatieve verplichting, merkt de rechtbank op dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een ondubbelzinnige toezegging van het college. [15] De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college kunnen besluiten dat de dakopbouw geen ongewenste precedentwerking tot gevolg heeft?
13. Eisers voeren aan door het verlenen van de omgevingsvergunning een ongewenste precedentwerking wordt veroorzaakt. Eisers stellen zich op het standpunt dat de omgevingsvergunning tot gevolg heeft dat het gemakkelijker wordt voor andere bewoners aan de [locatie 3] om een derde woonlaag te realiseren op hun woning.
13.1.
De rechtbank oordeelt dat het college in dit geval een ruimtelijke afweging heeft gemaakt aan de hand van de aanvraag van vergunninghouders, en daarbij rekening heeft gehouden met de voor deze aanvraag specifieke feiten en omstandigheden. Het college heeft toegelicht dat voor eventuele andere aanvragen ook een volledige afweging wordt gemaakt. Gelet op het voorgaande heeft het college, naar het oordeel van de rechtbank, voldoende gemotiveerd dat iedere aanvraag opnieuw wordt beoordeeld aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden van het specifieke geval. De vrees van eisers voor ongewenste precedentwerking hoefde daarom voor het college geen reden te zijn de aanvraag van vergunninghouders te weigeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college ten onrechte geen alternatieven onderzocht?
14. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte geen alternatieven voor de derde woonlaag op de woning heeft afgewogen. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat vergunninghouders er ook voor hadden kunnen kiezen om een andere woning aan te kopen met drie woonlagen in de omgeving in plaats van het realiseren van een derde woonlaag op hun woning. Zo zijn volgens eisers voldoende woningen in de omgeving beschikbaar.
14.1.
De rechtbank stelt voorop dat het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent dat, indien het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [16] In de enkele stelling dat het college ten onrechte geen alternatieven heeft onderzocht voor de derde bouwlaag op de woning, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren. De stelling van eisers ter zitting dat er andere woningen in de omgeving beschikbaar zijn met drie woonlagen is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college kunnen besluiten dat de dakopbouw niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand?
15. Eisers voeren aan dat de derde woonlaag op de woning van vergunninghouders niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Eisers stellen onder meer dat de derde woonlaag een groot negatief effect heeft op de beleving van de open ruimte van de omgeving, de nieuwe hoogte van de woning van vergunninghouders niet aansluit bij de hoogte van de naastgelegen woningen en de geen rekening is gehouden met de samenhang tussen de woningen aan de [locatie 3] en de achterliggende woningen aan de [locatie 2] .
15.1.
De aanvraag moet overeenkomstig artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 12a van de Woningwet, door de welstandscommissie getoetst worden aan de redelijke eisen van welstand, waarbij de welstandsnota het toetsingskader vormt.
15.2.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen mag het college, hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, op dat advies afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. [17]
15.3.
Het college heeft aan de omgevingsvergunning het positieve advies van de Commissie Beeldkwaliteit (de welstandscommissie) ten grondslag gelegd, welk advies is neergelegd in de brief van 5 juni 2023. In deze brief is onder meer de volgende passage opgenomen: ‘
Op uw verzoek hebben wij beoordeeld of het bouwplan zowel op zich zelf beschouwd als in relatie tot de omgeving voldoet aan redelijke eisen van welstand. Bij de beoordeling hebben wij de reguliere criteria van bouwsteen 'W3 woongebieden en inbreidingen vanaf 1990' uit de Uitwerkingsnota Beeldkwaliteit aangehouden. Verder hebben wij rekening gehouden met het feit dat het toetsingsniveau 'luw' van toepassing is op deze locatie.’
15.4.
In de beslissingen op bezwaar heeft het college uiteengezet dat het advies van de welstandscommissie geen gebreken bevat. Zo is het advies gemotiveerd en is er op inzichtelijke wijze toegelicht waarom de welstandscommissie vindt dat het plan past bij de wijk en dus voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
15.5.
De rechtbank oordeelt dat het college, onder verwijzing naar het positieve advies van de commissie, heeft kunnen besluiten dat de derde woonlaag op de woning van vergunninghouders voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft in de beslissing op bezwaar uiteengezet waarom het advies van de welstandscommissie geen gebreken bevat, de redenering van de welstandscommissie begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
15.6.
Daarentegen hebben eisers geen advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren gebracht. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar in stand blijft.
17. Vanwege het onder 6.5 gepasseerde gebrek bepaalt de rechtbank dat college het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoedt.
17.1.
Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. De door eisers gevraagde vergoeding van haar proceskosten in de bezwaarfase komen namelijk niet voor vergoeding in aanmerking. De reden hiervoor is dat het primaire besluit niet wordt herroepen. Verder komen de gevraagde kosten die eiseres [eiseres 1] heeft gemaakt met het versturen van haar bezwaar- en beroepschrift ook niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten geen betrekking hebben op een van de categorie kosten die zijn opgenomen in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

  • De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiseres [eiseres 1] moet vergoeden;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers [eiser 1] en [eiseres 2] moet vergoeden;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers [eiser 2] en [eiseres 3] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.S. Termaat, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
2.Als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2˚ van de Wabo in samenhang met artikel 2.7, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in samenhang met artikel 4, aanhef en onder 4, van bijlage II bij het Bor.
3.Op grond van artikel 21.2.2, aanhef en onder b, onder 2, van het bestemmingsplan geldt voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op gronden die zijn aangewezen voor ‘wonen’ dat de goot- en bouwhoogte maximaal 6 meter hoog mag zijn.
4.Het college verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 februari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC3620.
5.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1247, r.o. 3.2.
6.Uitspraak van de Afdeling 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1765, r.o. 5.1 en de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1736, r.o. 5.1.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1736, r.o. 5.1.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1596, r.o. 3.
9.Uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1968.
10.Uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840.
11.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1770, r.o. 9.1 en de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1627.
12.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3581, r.o. 6.1.
13.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:503, r.o. 4.1.
14.Uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3393, r.o. 4.2.
15.Zoals dat wel is vereist volgens de rechtspraak van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5431, r.o. 6.8.
16.ECLI:NL:RVS:2025:340, r.o. 12.2.
17.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1032, r.o. 6.1.