ECLI:NL:RBGEL:2026:2188

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
ARN 23_6781
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77 Wet WIAArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en rechtmatigheid verrekening voorschot met WW-uitkering

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering, die door het UWV is afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het UWV heeft vervolgens de WW-uitkering voortgezet en het ten onrechte ontvangen voorschot op de WIA-uitkering verrekend met de WW-uitkering, waarbij het restant is kwijtgescholden.

De rechtbank stelt vast dat het medisch en arbeidsdeskundig onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen en arbeidsmogelijkheden van eiseres adequaat zijn beoordeeld. De arbeidsdeskundige heeft passende functies geduid die binnen de vastgestelde belastbaarheid passen, wat resulteert in een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15,28%.

Eiseres betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten en dat de functies niet passend zijn, maar de rechtbank volgt dit niet vanwege de onderbouwde rapportages en het ontbreken van aanvullende medische gegevens. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht faalt, omdat het UWV volgens het Afwegingskader en de wet correct heeft gehandeld.

De rechtbank concludeert dat het UWV terecht heeft besloten geen WIA-uitkering toe te kennen, de WW-uitkering mocht voortzetten en het voorschot mocht verrekenen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar WIA-uitkering is ongegrond verklaard en het UWV mocht het voorschot verrekenen met de WW-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 23/6781

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

Zeker Financiële Zorgverlening in haar hoedanigheid van bewindvoerder van

[eiseres]uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. T.E. van der Bent),
en
de Raad van bestuur van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiseres] tot toekenning van een uitkering aan haar op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Zij is het daar niet mee eens. Zij vindt dat ze meer arbeidsongeschikt is dan door het UWV is aangenomen en recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zij is het daarom ook oneens met de voorzetting van de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Ook kan zij zich niet vinden in de verrekening van het teruggevorderde voorschot op de WIA-uitkering met de uitkering op grond van de WW. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de WIA-aanvraag terecht heeft afgewezen en dat de voorzetting van de WW-uitkering terecht was. Ook mocht het UWV het WIA-voorschot verrekenen met de WW-uitkering. Eiseres krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [eiseres] heeft het UWV verzocht aan haar een WIA-uitkering toe te kennen. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 20 december 2022 afgewezen. Vervolgens heeft het UWV bij besluit van 6 januari 2023 met ingang van 12 juli 2022 aan haar een WW-uitkering toegekend. Tot slot heeft het UWV bij besluit van 27 januari 2023 aan haar bericht dat zij het ten onrechte ontvangen voorschot op de WIA-uitkering niet hoeft terug te betalen, maar dat dit wordt verrekend met de WW-uitkering. Het restant wordt kwijtgescholden.
2.1.
Met het bestreden besluit van 15 augustus 2023 is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het UWV heeft de primaire besluiten van 20 december 2022, 6 januari 2023 en 27 januari 2023 in stand gelaten.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft partijen bij brief van 24 november 2025 laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn.
Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank op
29 januari 2026 het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

De niet betwiste feiten
3. De rechtbank stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn.
3.1.
[eiseres] heeft zich op 3 mei 2019 vanuit de WW ziek gemeld bij het UWV.
Het UWV heeft aan haar ziekengeld [2] toegekend. Zij heeft daarna opnieuw gewerkt als schoonmaakster maar is op 9 augustus 2019 opnieuw met buikklachten uitgevallen. Op
10 september 2020 heeft de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling plaatsgevonden. Volgens de verzekeringsarts heeft [eiseres] per 7 augustus 2020 geen benutbare mogelijkheden voor het verrichten van (haar) arbeid (als schoonmaakster). [3] Zij blijft ziekengeld ontvangen.
3.2.
Op 11 mei 2021 heeft [eiseres] de WIA-uitkering aangevraagd.
3.3.
Omdat de werkgever volgens het UWV onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, is aan de werkgever de verplichting opgelegd om het loon door te betalen. [4] De WIA-aanvraag is op dat moment niet verder in behandeling genomen.
3.4.
Het UWV heeft bij besluit van 16 juni 2022 een voorschot op de WIA-uitkering toegekend aan [eiseres].
3.5.
Op 31 augustus 2022 heeft een verzekeringsarts de medische beoordeling in het kader van de WIA-aanvraag verricht. [5] De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat [eiseres] door ziekte beperkingen kent voor het verrichten van arbeid. Die beperkingen zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 augustus 2022.
3.6.
De arbeidsdeskundige heeft vervolgens de arbeidsdeskundige beoordeling verricht. [6] Door de arbeidsdeskundige is vastgesteld dat [eiseres] haar eigen werk als schoonmaakster niet meer kan doen. De arbeidsdeskundige heeft andere, passende, functies geduid. Dat zijn de functies productiemedewerker industrie, textielproductenmaker en administratief ondersteunend medewerker. [7]
Er zijn ook twee reservefuncties geduid, medewerker tuinbouw en productiemedewerker confectie. [8] De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 0%. Hierop is het besluit van 20 december 2022 genomen. De WIA-aanvraag is afgewezen omdat [eiseres] minder dan 35%, te weten 0%, arbeidsongeschikt is.
3.7.
Op 19 december 2022 heeft [eiseres] opnieuw een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 6 januari 2023 heeft UWV de eerder toegekende WW-uitkering met ingang van 12 juli 2022 voortgezet.
3.8.
Op 17 januari 2023 is bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 20 december 2022 en 6 januari 2023.
3.9.
Op 24 januari 2023 heeft [eiseres] zich met dezelfde klachten vanuit de WW opnieuw ziek gemeld.
3.10.
Het UWV heeft bij besluit van 27 januari 2023 aan [eiseres] bericht dat zij over de periode van 12 juli 2022 tot en met 31 december 2022 ten onrechte een voorschot op de WIA-uitkering heeft ontvangen en dat zij over die periode recht had op een WW-uitkering. In het besluit staat verder dat het voorschot op de WIA-uitkering zal worden verrekend met de WW-uitkering. Het bedrag van € 2.467,12 aan uitbetaalde WIA-voorschot dat zij nog zou moeten terugbetalen, wordt door het UWV kwijtgescholden. Ook tegen dit besluit is bezwaar gemaakt.
3.11.
In bezwaar heeft opnieuw een medische [9] en arbeidsdeskundige [10] beoordeling plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) wijzigt een paar eerder aangenomen beperkingen in de FML en voegt daar enkele beperkingen aan toe, waaronder een urenbeperking. De arbeidsdeskundige b&b vindt [eiseres] niet in staat haar eigen werk te verrichten. Ook een paar eerder geduide functies zijn niet meer passend. De arbeidsdeskundige duidt nieuwe functies, te weten telefonist, administratief ondersteunend medewerker en productiemedewerker industrie, en als reservefunctie telefonisch verkoper. [11]
Daarmee komt het arbeidsongeschiktheidspercentage uit op 15,28%.
3.12.
Hierna volgt het bestreden besluit.
Wat is in geschil?
4. De vraag is of het UWV terecht stelt dat [eiseres] per 12 juli 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en zij daarom geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank moet die vraag beantwoorden aan de hand van wat zij daartegenin heeft gebracht. Belangrijk punt is dat het gaat om haar medische toestand op 12 juli 2022 (de datum in geding) en de vraag welke beperkingen daaruit volgen.
4.1.
In het verlengde daarvan is het de vraag of het UWV terecht per 12 juli 2022 de WW-uitkering heeft voortgezet en de vraag of het UWV de WIA-voorschotten terecht heeft verrekend met de voortgezette WW-uitkering.
Medische grondslag van het bestreden besluit
5. Volgens [eiseres] is onvoldoende rekening gehouden met haar psychische en fysieke klachten. Haar beperkingen zijn niet, althans onvoldoende, meegenomen bij de beoordeling. Verder ervaart zij beperkingen ten aanzien van verschillende aspecten van het persoonlijk en sociaal functioneren en werktijden.
Het medisch onderzoek
6. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht.
6.1.
De (primaire) verzekeringsarts heeft [eiseres] gezien en onderzocht tijdens een fysiek spreekuur op 31 augustus 2022. Daarnaast heeft de verzekeringsarts kennis genomen van alle bij het UWV bekende medische informatie, waaronder informatie van de behandelaren en de bedrijfsartsen. Verder is het dagverhaal uitgevraagd, net als de door haar gebruikte medicatie en de medische voorgeschiedenis.
6.2.
De verzekeringsarts b&b heeft kennis genomen van het dossier en de daarin aanwezige (medische) informatie. Bovendien heeft de verzekeringsarts b&b [eiseres] gezien en onderzocht tijdens een fysiek spreekuur op 17 juli 2023. De verzekeringsarts b&b is daarbij uitgebreid ingegaan op de klachten en de beleving daarvan en het dagverhaal.
6.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen aanleiding is om te oordelen dat de verzekeringsartsen (b&b) aspecten van de gezondheidstoestand hebben gemist. De genoemde klachten, diagnoses en belemmeringen zijn door de verzekeringsartsen (b&b) onderkend en betrokken bij het medisch onderzoek. Het gegeven dat [eiseres] het niet eens is met de uitkomsten van het door de verzekeringsartsen (b&b) verrichte onderzoek en stelt dat er extra beperkingen hadden moeten worden gesteld, maakt als zodanig niet dat het uitgevoerde onderzoek onzorgvuldig is.
De beoordeling van de belastbaarheid
7. De verzekeringsarts heeft na onderzoek vastgesteld dat bij [eiseres] sprake is van beperkingen vanwege medisch te objectiveren afwijkingen als gevolg van ziekte. Hiervoor zijn beperkingen in het verrichten van arbeid aangenomen. Zij is aangewezen op
fysiek lichte, overwegend zittende activiteiten, het niet hanteren van zware gewichten, het kunnen mijden van dieper buigen en bukken, bovenhands werken en ver reiken. Een urenbeperking is niet aangenomen. De beperkingen zijn in de FML van 31 augustus 2022 vastgelegd.
7.1.
De verzekeringsarts b&b onderschrijft de medische bevindingen van de verzekeringsarts in grote lijnen maar ziet vanwege het ziektebeeld van [eiseres] en de daarbij behorende klachten reden om enkele al aangenomen beperkingen in de FML te wijzigen en om beperkingen aan de FML toe te voegen, waaronder een urenbeperking.
De FML is gewijzigd op 19 juli 2023.
7.2.
[eiseres] stelt in algemene zin dat te weinig beperkingen zijn aangenomen op het gebied van verdelen en vasthouden van aandacht, herinneren, plannen en uitvoeren van activiteiten, flexibel werken, stressbestendigheid en prikkelverwerking. Er is ten onrechte ook geen beperking aangenomen voor trillingsbelasting. Tot slot is een te beperkte urenbeperking aangenomen.
7.3.
De rechtbank volgt [eiseres] hierin niet. De klachten zijn door de verzekeringsarts b&b erkend en betrokken bij het vaststellen van haar belastbaarheid. Dat de verzekeringsarts b&b dit onjuist heeft gedaan, is door haar niet aannemelijk gemaakt. Medische gegevens, die de stelling dat te weinig beperkingen zijn aangenomen, hadden kunnen onderbouwen zijn niet ingebracht.
7.4.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank in wat is aangevoerd van de zijde van [eiseres] geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de medische onderbouwing van het bestreden besluit.
7.5.
Dat zij zich niet herkent in de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts b&b maakt dit niet anders. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de beleving van [eiseres] van haar klachten, betekent het hebben van klachten nog niet dat er ook (forsere) beperkingen voor arbeid moeten worden aangenomen. De beleving van klachten is volgens vaste rechtspraak namelijk niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen bij haar zijn vast te stellen. [12] Alleen de medisch te objectiveren beperkingen zijn daarbij van belang.
7.6.
[eiseres] moet daarom vanaf 12 juli 2022 in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 19 juli 2023.
Arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
8. De arbeidsdeskundige b&b heeft de arbeidsmogelijkheden van [eiseres] per
12 juli 2022 aan de hand van de FML van 19 juli 2023 beoordeeld. De conclusie van de arbeidsdeskundige b&b is, dat zij niet geschikt is voor haar eigen werk als schoonmaakster voor 32 uur per week maar wel voor ander werk.
Omdat door de verzekeringsarts b&b in de FML meer beperkingen zijn aangenomen, heeft de arbeidsdeskundige b&b één andere, passende, functie en één nieuwe reservefunctie geduid. Volgens de arbeidsdeskundige b&b zijn de volgende functies passend:
telefonist, administratief ondersteunend medewerker en productiemedewerker industrie, en als reservefunctie telefonisch verkoper. [13]
9. Volgens [eiseres] voldoen de functies die de arbeidsdeskundige b&b heeft geduid niet omdat geen toets heeft plaatsgevonden met inachtneming van de daarin aangenomen beperkingen. Meer concreet zijn de functies telefonist en productiemedewerker niet geschikt, omdat deze de toegestane geluidsbelasting overschrijden. Verder moet zij in deze functies te zwaar tillen, moet te lang in dezelfde statische houding gewerkt worden en moet er ook gereikt en getordeerd worden. Zij is ervan overtuigd dat zij (te) beperkt is voor het kunnen verrichten van de geduide functies.
9.1.
De rechtbank volgt [eiseres] hierin niet.
9.2.
Uit het resultaat functiebeoordeling volgt dat op alle items waarop een signalering heeft plaatsgevonden, de arbeidsdeskundige b&b, zo nodig na overleg met de verzekeringsarts b&b, heeft toegelicht en gemotiveerd waarom de functie toch passend is.
In het arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar heeft de arbeidsdeskundige b&b tot slot (in onderdeel C) toegelicht dat en waarom de geduide functies ook qua totaalbelasting geschikt zijn. De combinatie van belastingen overschrijden de belastbaarheid niet, aldus de arbeidsdeskundige b&b.
9.3.
In beroep is namens [eiseres] nog naar voren gebracht dat door de arbeidsdeskundige b&b ten onrechte is uitgegaan van een te hoog opleidingsniveau. Er is namelijk uitgegaan van een opleidingsniveau ‘4’ terwijl door de arbeidsdeskundige b&b in het kader van de bezwaarprocedure in het kader van de Eerstejaarsziektewet beoordeling is uitgegaan van opleidingsniveau ‘3’. Zij heeft bij brief van 15 mei 2025 het arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar van 2 september 2024 in het kader van de Eerstejaarsziektewet beoordeling, waar dat uit volgt, overgelegd.
9.3.1.
De rechtbank heeft vervolgens aan de arbeidsdeskundige b&b de vraag voorgelegd of in het kader van de beoordeling van de WIA-aanvraag aanleiding bestaat om van dat lagere opleidingsniveau uit te gaan. Verder is de vraag gesteld wat dat eventueel betekent voor de geduide functies.
9.3.2.
De arbeidsdeskundige b&b heeft op 25 september 2025 aanvullend gerapporteerd.
Het opleidingsniveau is vastgesteld op ‘3’. Dat heeft echter geen gevolgen voor de geduide functies, omdat voor die functies opleidingsniveau 2 of 3 vereist is. Daarmee heeft het ook geen gevolgen voor het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage, aldus de arbeidsdeskundige b&b.
9.3.3.
De rechtbank heeft de rapportage doorgestuurd aan [eiseres]. Zij is in de gelegenheid gesteld daarop te reageren. Dat heeft zij niet gedaan.
9.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de door de arbeidsdeskundige b&b gegeven toelichting op het opleidingsniveau en daarmee de geschiktheid van de geduide functies voor onjuist te houden. De beroepsgronden bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten.
9.5.
De arbeidsdeskundige b&b heeft aan de hand van de geduide functies en het hoogste verdiencapaciteit berekend dat [eiseres] op 12 juli 2022 15,28% minder kan verdienen van het loon dat zij voorheen verdiende met haar eigen werk, zodat zij voor 15,28% arbeidsongeschikt is.
9.6.
Dit betekent dat het UWV zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [eiseres] per 12 juli 2022 geen recht had op een WIA-uitkering.
Terugvordering voorschot WIA-uitkering, verrekening met WW en verlies eigendomsrecht
10. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat het UWV, in strijd met het eigen beleid, het voorschot op de WIA-uitkering heeft teruggevorderd. Het gevolg daarvan is dat het teruggevorderde voorschot is verrekend met de WW-uitkering. Zij heeft hierdoor aanspraken uit hoofde van de WW ten dele verloren. Daardoor is sprake van strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag van de rechten van de Mens (EP).
10.1.
Naar de rechtbank begrijpt, stelt [eiseres] zich op het standpunt dat haar belang bij deze procedure is gelegen in haar stelling dat de WW-uitkering niet al per 12 juli 2022 moet herleven, maar op een later moment. Daardoor behoudt zij niet alleen haar recht op een volledige WW-uitkering, maar kan ook geen sprake meer zijn van een verrekening met het ontvangen voorschot op de WIA-uitkering, die volgens haar ten onrechte zijn teruggevorderd.
10.2.
Uit het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht heeft beslist dat [eiseres] per 12 juli 2022 geen recht had op een WIA-uitkering volgt ook, dat het recht op de WW-uitkering herleefde en het UWV daarom per die datum de eerder toegekende WW-uitkering mocht hervatten (temeer omdat [eiseres] zelf de WW-uitkering heeft aangevraagd).
10.3.
Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA kan een uitkering die ten onrechte is toegekend of kunnen voorschotten die vooruitlopend op de beoordeling van het recht op die uitkering zijn uitbetaald, worden teruggevorderd. Artikel 77 van Pro de Wet WIA biedt daarmee een grondslag voor de terugvordering van het voorschot.
10.4.
De rechtbank is van oordeel dat het betoog van [eiseres] dat de terugvordering in strijd is met artikel 1 van Pro het EP faalt. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geoordeeld dat het feit dat een verstrekte uitkering of toeslag als voorschot is gekwalificeerd nog niet op voorhand betekent dat geen sprake kan zijn van een beschermd eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol. Vraag is of de ontvanger een legitieme verwachting had dat de aanspraak op een uitkering of toeslag even hoog zou zijn als het aan hem of haar verstrekte voorschot. [14] Kortom, de vraag is of [eiseres] de legitieme verwachting mocht hebben dat de definitieve uitkomst van haar WIA-beoordeling minstens gelijk zou zijn aan het haar verstrekte voorschot. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en acht daarvoor het volgende van belang.
10.5.
[eiseres] was er van op de hoogte dat het voorschot gebaseerd was op de op dat moment bekende gegevens. In het besluit van 16 juni 2022 is haar meegedeeld dat op dat moment nog niet bekend was of zij een (WIA-)uitkering zou krijgen en wat de hoogte daarvan zou zijn. Ook is zij in dat besluit geïnformeerd over de situatie dat als zij geen recht op een WIA-uitkering zou hebben, het UWV het teveel betaalde bedrag aan voorschot zou kunnen verrekenen met een andere uitkering (zoals een WW-uitkering), dan wel dat zij het bedrag aan ten onrechte betaald voorschot moet terugbetalen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] er niet op mocht vertrouwen dat zij recht had op een WIA-uitkering ter hoogte van het verstrekte voorschot. Zij had dus geen legitieme verwachting dat zij recht had op de gehele als voorschot betaalde bedrag.
Het bedrag aan voorschot dat [eiseres] als gevolg van de afwijzing van haar WIA-aanvraag teveel heeft gekregen, kan dan ook niet worden aangemerkt als haar eigendom in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol.
10.6.
Nu door de terugvordering geen inmenging in een beschermd eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol heeft plaatsgevonden, wordt niet toegekomen aan de vraag of de terugvordering proportioneel is. [15]
Handelt het UVW in strijd met gemaakte afspraken door het voorschot terug te vorderen?
10.7.
[eiseres] stelt dat er een afspraak is gemaakt tussen het UWV en het ministerie waarbij is besloten dat – kort gezegd – voor personen die na 1 januari 2020 een voorschot hebben gekregen geen terugvordering meer zou plaatsvinden. Dat in haar geval het voorschot wordt beëindigd en wordt teruggevorderd is dan ook onjuist. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
10.7.1.
Het UWV heeft vanaf 30 augustus 2021 voor verschillende situaties besloten een voorschot dat is verstrekt vanwege een te late WIA-claimbeoordeling niet terug te vorderen. Hiervoor is een interne gedragslijn opgesteld, het Afwegingskader. [16]
10.7.2.
Onder de doelgroep van het Afwegingskader vallen ‘alle cliënten aan wie op of na 1 januari 2020 een WIA-voorschot is verstrekt in afwachting van hun sociaal-medische beoordeling per datum einde wachttijd’. Omdat de einddatum van de herstelactie is vastgesteld op 31 december 2023, is het herstelbeleid op alle voorschotten die op enig moment zijn verstrekt in 2020, 2021, 2022 en 2023 van toepassing.
10.7.3.
Volgens het Afwegingskader wordt eerst beoordeeld of de cliënt valt onder de doelgroep. Zo ja, dan wordt aan de hand van twee opeenvolgende criteria getoetst of kan worden afgezien van terugvordering.
10.7.4.
In dat Afwegingskader is voor de situatie dat het verstrekte WIA-voorschot door het UWV hoger is vastgesteld dan de uitkering waar recht op is, waardoor het verstrekte voorschot niet volledig kan worden verrekend (criterium 1, derde onderdeel) en van nalatigheid van de cliënt geen sprake is (criterium 2) en er daarnaast recht bestaat op een WW-uitkering zonder dat sprake is van andere inkomsten, bepaald dat alleen teruggevorderd wordt indien er verrekend kan worden met de WW-uitkering over de periode waarover ook het voorschot is verstrekt.
10.8.
Naar de rechtbank begrijpt is met dit Afwegingskader invulling gegeven aan het begrip ‘dringende reden’ als bedoeld in artikel 77, zesde lid, van de Wet WIA.
Inmiddels heeft de CRvB zijn uitleg van de ‘dringende redenen’ verruimd. [17] De CRvB ziet het begrip dringende reden (voortaan) als een open norm waarbinnen het UWV, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zal kunnen doorstaan.
Niet alleen moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de herziening en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij dienen alle relevante feiten en omstandigheden te worden betrokken, waaronder de vraag wat het eigen aandeel van het UWV is in de redenen voor herziening en/of terugvordering. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan eigen fouten van het Uwv of trage besluitvorming.
Van belang is ook het eigen aandeel van de betrokkene in de ontstane situatie: is sprake van een bewuste schending van de inlichtingenverplichting, een onoplettendheid, of een situatie waarin een betrokkene geen verwijt gemaakt kan worden, maar hij wel heeft moeten begrijpen dat hij teveel aan uitkering ontving.
10.9.
De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht stelt dat op grond van het Afwegingskader het voorschot mocht worden verrekend met de WW-uitkering. Uit hetgeen de rechtbank in 10.8 heeft overwogen volgt echter dat het UWV zich bij de beoordeling van de ‘dringende redenen’ niet enkel mag baseren op het Afwegingskader, maar alle relevante feiten en omstandigheden dient te betrekken.
10.10.
De rechtbank is van oordeel dat het UWV in de situatie van [eiseres] alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende redenen voldoende heeft meegewogen. Uit het bestreden besluit en de nadere in beroep gegeven toelichting (in antwoord op vragen van de rechtbank) blijkt dat en waarom in het geval van [eiseres] niet is afgezien van terugvordering. Daar komt bij dat, zoals in het bestreden besluit is gemotiveerd, het UWV haar er op heeft gewezen dat de WIA-uitkering, zolang het recht daarop nog niet was vastgesteld, bij wijze van voorschot werd toegekend en dat de kans bestond dat het voorschot moest worden terugbetaald. Los daarvan gaat het hier om een voorschot op een uitkering en daarmee gemeenschapsgelden. Het UWV heeft er een maatschappelijk belang bij dat uitkeringen en voorschotten waarop geen recht bestaat worden teruggevorderd, zodat een breed draagvlak voor het sociale zekerheidsstelsel wordt behouden. Tot slot is, zoals in het bestreden besluit ook is opgemerkt, niet gebleken dat de verrekening tot financiële problemen heeft geleid. De rechtbank betrekt daarbij dat het UWV het deel van het terug te vorderen bedrag, dat niet kon worden verrekend met de WW-uitkering, heeft kwijtgescholden. Met de kwijtschelding – met het oog op de redelijkheid zoals dat in het bestreden besluit staat genoemd – van het restbedrag heeft het UWV voldoende rekening gehouden met haar eigen handelen (trage besluitvorming).
10.11.
[eiseres] heeft nog gesteld dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat van personen die geen uitkering hebben waarmee verrekend kan worden het gehele voorschot is kwijtgescholden. De rechtbank oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat geen sprake is van gelijke gevallen. Bovendien, ook al zou sprake zijn van gelijke gevallen die ongelijk behandeld worden, dan is er een rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid omdat het van belang is dat publieke middelen op een zorgvuldige wijze worden besteed, zodat een breed draagvlak voor het sociale zekerheidsstelsel wordt behouden. Gelet op die rechtvaardigingsgrond mag het UWV het voorschot op de WIA-uitkering dan ook verrekenen met een andere uitkering zoals de WW-uitkering. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen, dat het UWV terecht heeft beslist dat het recht op de WW-uitkering per 12 juli 2022 herleefde en dat het UWV het ten onrechte ontvangen WIA-voorschot daarmee heeft mogen verrekenen. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.V. van Weert, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Een uitkering op grond van de Ziektewet.
3.Medische rapportage Eerstejaars Ziektewetbeoordeling van 10 september 2020.
4.Aan de werkgever is bij besluit van 4 augustus 2021 een loonsanctie tot 30 augustus 2022 opgelegd. Na een geslaagd verzoek van de ex-werkgever in 2022 is de loonsanctie bekort.
5.Medisch onderzoeksverslag van 13 december 2022.
6.Arbeidsdeskundig rapport van 14 december 2022.
7.SBC-codes 111180, 111160 en 315100.
8.SBC-codes 111010 en 272042.
9.Medische rapportage in bezwaarschriftprocedure van 19 juli 2023.
10.Arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar van 8 augustus 2023.
11.SBC-codes 315174, 315100, 111180 en 315173.
12.Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 15 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3214.
13.Zie noot 11.
14.Zie de uitspraak van 24 november 2022 van de CRvB, ECLI:NL:CRVB:2022:2565.
15.Idem noot 14, rechtsoverweging 4.3.7.
16.De meest recente interne gedragslijn, die via internet valt te raadplegen, is het Afwegingskader, versie 15 februari 2023.
17.Zie de uitspraak van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726, en in vervolg daarop de uitspraak van 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1585.