Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2642

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
8 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
ARN 25_5231
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475b RVAlgemene Ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen inhouding op AOW-pensioen wegens beslaglegging ongegrond verklaard

Eiser maakt bezwaar tegen de inhouding van een bedrag op zijn AOW-pensioen door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) op grond van een beslaglegging door een derde partij. De SVB voert uit dat zij verplicht is het beslag uit te voeren en daarbij uitgaat van de door de beslaglegger opgegeven beslagvrije voet. Eiser betoogt dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, zoals huwelijkse voorwaarden, vaste lasten in Nederland en Polen, en medische problematiek.

De rechtbank stelt vast dat de bezwaren van eiser betrekking hebben op de rechtmatigheid van het beslag zelf, hetgeen niet door de bestuursrechter kan worden beoordeeld. De SVB mag de geldigheid en omvang van het beslag niet toetsen, maar moet het beslag uitvoeren zoals opgelegd. De rechtbank beoordeelt daarom alleen of de SVB binnen de kaders van het beslag is gebleven.

Uit de beoordeling volgt dat de SVB de beslagvrije voet zoals vastgesteld door de beslaglegger heeft gehanteerd en het bestreden besluit daarop heeft gebaseerd. Er is geen sprake van overschrijding van de kaders van het beslag of onzorgvuldig handelen door de SVB. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de inhouding op het AOW-pensioen wegens beslaglegging wordt ongegrond verklaard omdat de SVB binnen de kaders van het beslag is gebleven.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/5231
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB

(gemachtigde: mr. P. van der Voorn).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de inhouding door de SVB van een bedrag op eisers ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW), vanwege een beslaglegging. Eiser is het niet met deze inhouding eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de SVB binnen de kaders van het gelegde beslag is gebleven en daarmee op correcte wijze uitvoering heeft gegeven aan het beslag.
1.1.
Bij besluit van 2 juni 2025 is aan eiser meegedeeld dat [naam bedrijf] beslag hebben gelegd op zijn AOW-pensioen. Dat betekent dat de SVB elke maand een bedrag van € 1.024,62 inhoudt op zijn pensioen. Met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij het besluit van 2 juni 2025 gebleven.
1.2.
De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de SVB van 19 augustus 2025 op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de SVB.
1.4.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de SVB een juist besluit heeft genomen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser ontvangt van de SVB een AOW-pensioen. Op 7 mei 2025 bericht [naam bedrijf] de SVB dat beslag gelegd wordt op dit pensioen. Met haar brief van 20 mei 2025 heeft de SVB [naam bedrijf] bericht dat zij het beslag niet uit kunnen voeren, omdat er geen beslagvrije voet is doorgegeven. Zonder beslagvrije voet kan de SVB het beslag niet beoordelen op grond van artikel 475b, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV). [naam bedrijf] hebben daarop, bij brief van 22 mei 2025, aan de SVB meegedeeld dat de beslagvrije voet is vastgesteld op € 0,00 (in verband met andere inkomsten). Alles daarboven dient de SVB in te houden en aan hen af te dragen. Vervolgens is de SVB overgegaan tot de, onder 1.1, weergegeven besluitvorming.
4. De SVB heeft aan het bestreden besluit – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. De SVB is verplicht om een beslag dat een deurwaarder op een pensioen legt uit te voeren. De SVB moet uitgaan van de gegevens die zij van de beslaglegger heeft gekregen. De SVB mag niet beoordelen of het beslag klopt. Zij bekijkt wel of zij het beslag goed uitvoert. De SVB is verplicht om het bedrag in te houden op het AOW-pensioen van eiser en dit bedrag af te dragen aan de gerechtsdeurwaarder. Daarbij heeft de SVB rekening gehouden met de vastgestelde beslagvrije voet door [naam bedrijf]. Als eiser het niet eens is met de omvang of de geldigheid van het beslag moet hij zich tot de burgerlijke rechter wenden. Voor het vaststellen van de beslagvrije voet moet eiser bij de beslaglegger zijn.
Standpunt eiser
5. Eiser voert – kort samengevat – het volgende aan. Er wordt uitgegaan van een vonnis van 5 maart 2025. Er is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat eiser en zijn echtgenote onder huwelijkse voorwaarden getrouwd zijn en met de vaste lasten en verplichtingen van eiser en zijn echtgenote in zowel Nederland als Polen. Volgens internet ([website]) zou eiser wettelijk bepaald ten minste € 1.825,97 als besteedbaar inkomen moeten overhouden. Maar in augustus 2025 was dat door de beslaglegging op zijn AOW-pensioen slechts € 1.229. Ook is er ten onrechte geen rekening gehouden met de medische problematiek van eiser en zijn echtgenote. Eiser heeft diverse malen vergeefs getracht de deurwaarder te bewegen de beslagvrije voet aan te passen. Ook is hij aan het procederen tegen de onderliggende vorderingen en dreigt er een executoriale verkoop van de woning van eiser.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank stelt vast dat de onder 5. genoemde beroepsgronden van eiser betrekking hebben op de rechtmatigheid van het gelegde beslag. Met deze gronden gericht tegen de rechtmatigheid van het gelegde beslag moet eiser zich evenwel tot de burgerlijke rechter wenden. Dit volgt uit de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). [1] De SVB is verplicht om volledige medewerking te verlenen aan een derdenbeslag, zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. De rechtbank moet in deze zaak als bestuursrechter, bij de beoordeling van de betalingsbeslissing die de SVB heeft genomen ter uitvoering van het door [naam bedrijf] gelegde beslag, de geldigheid van dat beslag als een gegeven beschouwen. De rechtbank kan in deze zaak van eiser daarom alleen beoordelen of de SVB met het bestreden besluit binnen de kaders van het beslag is gebleven.
6.1.
Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat de SVB buiten de kaders van het beslag is getreden, oordeelt de rechtbank dat dat niet het geval is. De SVB heeft rekening gehouden met de door [naam bedrijf] opgegeven beslagvrije voet en heeft daar het bestreden besluit op gebaseerd. De rechtbank heeft daarin geen onjuistheden aangetroffen. Voor het overige is niet gebleken dat de SVB met het bestreden besluit buiten de kaders van het beslag is getreden of onzorgvuldig heeft gehandeld.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
8. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026 door
mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Peters, griffier.
De rechter is verhinderd de uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 11 december 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1817, 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1431 en 20 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2162.