ECLI:NL:RBGEL:2026:2667

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
12038609 \ HA VERZ 25-93
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:672 lid 1 BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 7:681 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongeldig ontslag op staande voet en toekenning vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding

Werknemer was sinds september 2022 in dienst bij werkgeefster op basis van een oproepovereenkomst. Op 23 oktober 2025 ontstond een discussie tussen werknemer en de directeur over het uitklokken, waarna werknemer aangaf de volgende dag niet meer te komen werken. Werkgeefster heeft dit opgevat als opzegging, maar heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de wil van werknemer.

Werknemer kwam op 28 oktober 2025 weer werken, maar werd na een nieuwe discussie naar huis gestuurd en kreeg te horen dat de samenwerking was beëindigd. De kantonrechter oordeelt dat dit een ontslag op staande voet door werkgeefster betreft, maar dat dit ontslag niet rechtsgeldig is omdat er geen dringende reden was en het niet schriftelijk is bevestigd.

Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, gelijk aan het loon over de opzegtermijn, en de transitievergoeding. De gevorderde billijke vergoeding wordt afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en het feit dat werknemer snel een nieuwe baan vond. De proceskosten worden aan werkgeefster opgelegd.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig en werkgeefster moet vergoeding wegens onregelmatige opzegging en transitievergoeding betalen.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 12038609 \ HA VERZ 25-93
Beschikking van 31 maart 2026
in de zaak van
[naam verzoekende werknemer],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: mr. R.P.C. van de Ven,
tegen
PK TRUCKING B.V.,
gevestigd te Nijmegen,
verwerende partij,
hierna te noemen: werkgeefster,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, de transitievergoeding en een billijke vergoeding. Volgens werknemer is sprake geweest van een onterecht ontslag op staande voet door werkgeefster. Werkgeefster voert aan dat werknemer zelf heeft opgezegd. De kantonrechter wijst de verzoeken van werknemer (gedeeltelijk) toe, omdat het ontslag niet (rechts)geldig is.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift.
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op 17 maart 2026. Verschenen zijn werknemer, bijgestaan door mr. Van de Ven, en [de directeur] (directeur-eigenaar van werkgeefster, hierna: [de directeur] ) en [vertegenwoordiger verweerder] namens werkgeefster. Mr. Van de Ven heeft spreekaantekeningen voorgedragen en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is besproken.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1.
Werknemer, geboren [geboortedatum] , is sinds 1 september 2022 op basis van een oproepovereenkomst in dienst bij werkgeefster als (supervisor) losploegmedewerker.
2.2.
Op donderdag 23 oktober 2025 is een discussie op de werkvloer ontstaan tussen werknemer en [de directeur] . Werknemer heeft uiteindelijk gezegd dat hij de dag erna niet meer zou komen werken en is vertrokken.
2.3.
Op dinsdag 28 oktober 2025 is werknemer weer naar het werk gegaan. Er heeft toen weer een discussie plaatsgevonden tussen hem en [de directeur] . Werknemer is uiteindelijk naar huis gestuurd en heeft zijn toegangskey ingeleverd.
2.4.
Werknemer heeft op 7 november 2025 het volgende WhatsApp-bericht gestuurd aan werkgeefster:
Goedemiddag,
Ik wil even iets controleren over mijn uitdiensttreding. Ik ben op dinsdag 28 oktober 2025 gestopt met werken, maar ik heb nog geen schriftelijke bevestiging ontvangen van het ontslag of het einde van mijn contract.
Zou u mij die bevestiging kunnen toesturen (per e-mail is prima)? Ik heb dat nodig voor mijn eigen administratie en eventueel voor het UWV.
En op 11 november 2025:
Ik heb eerder contact opgenomen over de schriftelijke bevestiging van mijn uitdiensttreding per 28 oktober 2025, maar ik heb hier tot op heden nog geen reactie op ontvangen.
Ik vind het belangrijk dit document zo snel mogelijk te ontvangen, omdat ik het nodig heb voor mijn eigen administratie en mogelijk voor het UWV.
Ik verzoek u vriendelijk maar dringend om uiterlijk binnen enkele dagen de bevestiging van mijn ontslag of contractbeëindiging toe te sturen (per e-mail is prima).
Alvast dank voor uw medewerking.
2.5.
Op 12 december 2025 heeft de gemachtigde van werknemer werkgeefster aangeschreven en verzocht een aantal vergoedingen aan werknemer te betalen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Werknemer verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat het op 28 oktober 2025 gegeven ontslag niet rechtsgeldig is gegeven en werkgeefster te veroordelen tot het betalen aan werknemer van:
a. een schadevergoeding in verband met de onregelmatige opzegging van de
arbeidsovereenkomst van € 1.256,41 bruto;
de transitievergoeding van € 1.346,49 bruto;
een billijke vergoeding van € 3.000 bruto;
de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf de dag van de te geven
beschikking tot aan de dag van algehele voldoening;
de proceskosten.
3.2.
Werknemer stelt dat sprake is van een ongeldig ontslag op staande voet en dat werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Werknemer berust in het ontslag, maar maakt naast de vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding aanspraak op een billijke vergoeding.
3.3.
Werkgeefster voert verweer en stelt primair dat de verzoeken moeten worden afgewezen en subsidiair dat in ieder geval de billijke vergoeding en de vergoeding wegens onregelmatige opzegging moeten worden afgewezen, met veroordeling van werknemer in de proceskosten. Volgens werkgeefster heeft werknemer de arbeidsovereenkomst zelf opgezegd en is geen sprake van enig verwijtbaar handelen aan haar kant.
3.4.
Op de stellingen van partijen, voor zover van belang bij de beoordeling van de verzoeken, wordt hierna nader ingegaan.

4.De beoordeling

Er is geen sprake van een rechtsgeldig ontslag op staande voet
4.1.
Partijen discussiëren erover of werknemer zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd of dat werkgeefster hem op staande voet heeft ontslagen. De kantonrechter oordeelt dat van het laatste sprake is en overweegt daartoe het volgende.
4.2.
Vast staat dat op 23 oktober 2025 een discussie tussen werknemer en [de directeur] is ontstaan over het uitklokken van werknemer. Volgens werknemer werd hij door werkgeefster al uitgeklokt, terwijl hij nog aan het werk was, en heeft hij [de directeur] daarop aangesproken. Volgens [de directeur] zat het werk voor werknemer er op dat moment al op en had hij werknemer te kennen gegeven dat hij naar huis kon gaan, maar is werknemer zelf nog gebleven. In de discussie die hierover volgde, heeft werknemer uiteindelijk gezegd dat hij de volgende dag niet meer zou komen werken. Bij een dergelijke mededeling door een werknemer mag een werkgever er niet zomaar op vertrouwen dat de wil van de werknemer er ook echt op gericht is om de arbeidsrelatie te beëindigen. Dit is alleen gerechtvaardigd als sprake is van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer. [1] Dit om een werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor de werknemer kan hebben. Onder omstandigheden rust op de werkgever een onderzoeksplicht om na te gaan of de werknemer wel echt wilde opzeggen en om de werknemer voor te lichten over de gevolgen van een opzegging.
4.3.
Voor zover werkgeefster de mededeling van werknemer op 23 oktober 2025 heeft mogen opvatten als een opzegging - werknemer betwist dit - is de kantonrechter van oordeel dat werknemer daaraan niet kan worden gehouden. Werkgeefster is namelijk niet met redelijke zorgvuldigheid nagegaan of werknemer inderdaad beëindiging van de arbeidsovereenkomst wilde. [de directeur] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij door de mededeling van werknemer dat hij de volgende dag niet meer zou komen werken en het feit dat hij die dag ook daadwerkelijk niet meer is gekomen, ervan is uitgegaan dat werknemer de arbeidsrelatie ook echt wilde beëindigen. Hierbij heeft voor hem meegespeeld dat hij wist dat werknemer het al langere tijd niet meer zo naar zijn zin had bij het bedrijf, aldus [de directeur] . Naar het oordeel van de kantonrechter is deze redenering te kort door de bocht en vraagt de op werkgeefster liggende onderzoeksplicht meer van haar. Op het moment dat werkgeefster had gemerkt dat werknemer op 24 oktober 2025 inderdaad niet op het werk was verschenen, had het op haar weg gelegen om contact met hem te zoeken. Dat heeft werkgeefster echter niet gedaan. Zij heeft ook geen enkel initiatief tot contact genomen in de dagen die volgden. Werkgeefster heeft een afwachtende houding aangenomen en de bal bij werknemer gelegd. De eerstvolgende standaard werkdag van werknemer, dinsdag 28 oktober 2025, is werknemer vervolgens wel naar het werk gekomen. Volgens werkgeefster was dat alleen om zijn toegangskey in te leveren, maar volgens werknemer kwam hij gewoon weer werken. Werknemer heeft hierover verklaard dat hij wel had verwacht dat er nog een gesprek met [de directeur] zou plaatsvinden vanwege het gebeuren op 23 oktober 2025, maar dat hij daarna gewoon weer aan het werk zou zijn gegaan. Er heeft toen echter weer een discussie plaatsgevonden tussen werknemer en [de directeur] over het uitklokken, waarbij [de directeur] werknemer heeft voorgehouden dat hij 23 oktober 2025 zelf ontslag heeft genomen. [de directeur] heeft vervolgens echter niet doorgevraagd of de wil van werknemer daar ook echt op gericht was. In deze omstandigheden heeft werkgeefster naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende voldaan aan haar onderzoeksplicht. Mede gelet op de nog jonge leeftijd van werknemer had werkgeefster zelf actief contact moeten zoeken met werknemer om te na te gaan of hij wel echt wilde opzeggen en hem voor te lichten over de gevolgen van een opzegging. Dit had zelfs nog gekund tijdens het gesprek op 28 oktober 2025. Maar dat is niet gebeurd. Integendeel. [de directeur] heeft in dat gesprek uiteindelijk gezegd dat “de samenwerking bij deze is geëindigd”. Deze laatste opmerking kan in de gegeven omstandigheden, nu werknemer niet aan zijn opzegging (voor zover daar sprake van zou zijn) kan worden gehouden, niet anders worden opgevat dan een ontslag op staande voet door werkgeefster. Een dringende reden (één van de wettelijke vereisten voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet) voor dit ontslag is echter niet gegeven, zodat al op basis daarvan - nog daargelaten dat het ontslag niet schriftelijk is bevestigd - kan worden geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is gegeven.
4.4.
De conclusie is dat het dienstverband van werknemer bij werkgeefster ook na
28 oktober 2025 doorliep en niet rechtsgeldig is beëindigd. Werkgeefster had de mededeling van werknemer niet mogen opvatten als een opzegging en er was vervolgens geen reden, laat staan een dringende, voor werkgeefster om de arbeidsrelatie te beëindigen. De kantonrechter zal daarom de door werknemer verzochte verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet door werkgeefster niet rechtsgeldig is gegeven toewijzen.
Werkgeefster moet de vergoeding wegens onregelmatige opzegging betalen
4.5.
De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [2]
4.6.
De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn. Uitgaande van de wettelijke opzegtermijn van een maand en opzegging tegen het eind van de maand, geldt dat werkgeefster in beginsel tegen 1 december 2025 had kunnen opzeggen. Werkgeefster dient daarom in ieder geval een schadevergoeding gelijk aan het loon inclusief vakantiegeld over de periode van 28 oktober 2025 tot 1 december 2025 te betalen.
Wat betreft het loon van werknemer gaat de kantonrechter uit van het door werknemer onweersproken berekende gemiddelde loon van € 966,47 bruto exclusief 8% vakantietoeslag, met dien verstande dat dit het loon op basis van de gewerkte uren, zoals [de werknemer] zelf stelt, per maand (en niet per vier weken) is. De vergoeding komt dan neer op een bedrag van 4/31 x € 966,47 = € 124,71 bruto over oktober 2025, te vermeerderen met € 966,47 bruto over de maand november 2025. In totaal is dat € 1.091,18 bruto. Na vermeerdering met 8% vakantietoeslag resulteert dat in een vergoeding van € 1.178,47 bruto. De kantonrechter zal het verzochte bedrag in zoverre toekennen en werkgeefster veroordelen dit bedrag aan werknemer te betalen. De wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen als verzocht.
Werkgeefster moet de transitievergoeding betalen
4.7.
Het verzoek om werkgeefster te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van werknemer. Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [3]
4.8.
Bij onregelmatige opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werkgever moet het recht op en de hoogte van de wettelijke transitievergoeding worden bepaald aan de hand van het tijdstip waarop die arbeidsovereenkomst zou zijn geëindigd als de werkgever deze regelmatig zou hebben opgezegd. [4] Dat is in dit geval 1 december 2025. Op basis van een loon van € 966,47 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag resulteert dat in een vergoeding van € 1.110,19 bruto. De kantonrechter zal de verzochte vergoeding in zoverre toekennen en werkgeefster veroordelen dit bedrag aan werknemer te betalen. De wettelijke rente over de vergoeding wordt toegewezen als verzocht.
Werkgeefster hoeft geen billijke vergoeding te betalen
4.9.
Op grond van artikel 7:681 lid 1 BW Pro kan de kantonrechter aan werknemer een billijke vergoeding toekennen. De kantonrechter zal dat niet doen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
4.10.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [5] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.11.
De kantonrechter overweegt dat het aan werknemer is om de door hem verzochte billijke vergoeding zo concreet mogelijk te onderbouwen. Werknemer heeft echter in algemene zin verwezen naar “vergelijkbare gevallen in de rechtspraak” en heeft daarbij slechts één concrete uitspraak (van de rechtbank Midden-Nederland) genoemd. Daarnaast heeft werknemer gewezen op de lengte van het dienstverband, de nog jonge leeftijd van werknemer en de omstandigheid dat werkgeefster niet de juiste procedure heeft gevolgd en geen contact met werknemer heeft gezocht. Welke rol deze omstandigheden zouden moeten spelen bij het vaststellen van de billijke vergoeding heeft hij niet geconcretiseerd. De kantonrechter weegt ook mee dat, indien werkgeefster werknemer niet had ontslagen, onaannemelijk is dat werknemer nog lang bij werkgeefster zou hebben gewerkt. Werknemer heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij al langere tijd met minder plezier kwam werken. Van belang is ook dat hij heeft verklaard dat hij vanaf de laatste week van november 2025 - slechts enkele weken na het einde van de arbeidsrelatie met werkgeefster en nog vóór de datum waarop werkgeefster rechtsgeldig had kunnen opzeggen - alweer met een nieuwe baan is begonnen. Namens werknemer is erkend dat zijn schade met name ziet op gemist loon. Voor dit inkomensverlies wordt hij al gecompenseerd door de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, die is berekend over de periode dat werknemer in dienst is geweest tot de datum waarop werkgeefster rechtsgeldig had kunnen opzeggen (1 december 2025). In de gegeven omstandigheden, mede gelet op de magere onderbouwing van het verzoek, is de kantonrechter van oordeel dat een billijke vergoeding in dit geval niet op z’n plaats is. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
Werkgeefster moet de proceskosten betalen
4.12.
De proceskosten komen voor rekening van werkgeefster, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van werknemer worden begroot op € 811,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart dat het op 28 oktober 2025 door werkgeefster aan werknemer gegeven ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is,
5.2.
veroordeelt werkgeefster om aan werknemer de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 1.178,47 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt werkgeefster om aan werknemer een transitievergoeding te betalen van € 1.110,19 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt werkgeefster in de proceskosten van € 811,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als werkgeefster niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [6] ,
5.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
41245 \ 560

Voetnoten

1.Hoge Raad 28 mei 1982, ECLI:HL:HR:AG4391 en Hoge Raad 25 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1310.
2.Artikel 7:672 lid 11 BW Pro.
3.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro.
4.Zie het arrest van de Hoge Raad van 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286.
5.Zie het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (
6.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.