Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:2769

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 april 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
ARN 25/1568
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 TracéwetArt. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 4.17 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op nadeelcompensatie na tracébesluit A12/A15 Ressen Oudbroeken

De zaak betreft een verzoek om nadeelcompensatie door de erven van [persoon A] naar aanleiding van het tracébesluit A12/A15 Ressen Oudbroeken van 24 februari 2017. De erven betwisten de hoogte van de toegekende compensatie en voeren aan dat het taxatierapport onvolledig en onjuist is.

De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport op juiste wijze tot stand is gekomen en dat de uitgangspunten verdedigbaar zijn. De door de erven ingeschakelde deskundige heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport onjuist is. Ook het verschil met de WOZ-waarde leidt niet tot een ander oordeel, omdat meerdere factoren de WOZ-waardevermindering beïnvloeden.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst de vorderingen af. De erven krijgen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter G.A. van der Straaten en griffier M.H. Dijkman op 13 april 2026.

Uitkomst: Het beroep op nadeelcompensatie wordt ongegrond verklaard omdat het taxatierapport zorgvuldig en verdedigbaar is opgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1568

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

De erven van [persoon A], uit [plaats], eisers

(gemachtigden: [gemachtigde/zoon 1] en [gemachtigde/zoon 2]),
en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat

(gemachtigden: mr. ir. M.A. Drapers, A. Nieuwkoop en I. Dibbets).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit op de aanvraag van [persoon A] op zijn verzoek om nadeelcompensatie. [persoon A] was het niet eens met dit besluit. Hij heeft daartoe een aantal beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet slaagt. De rechtbank oordeelt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de in het namens de minister opgestelde taxatierapport gehanteerde uitgangspunten niet verdedigbaar zijn. Ook is niet gebleken dat het taxatierapport onvolledig is. De WOZ-waarden van de onroerende zaken maken dat niet anders. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het de totstandkoming van het besluit. Onder 3 staat de beoordeling door de rechtbank. Aan het eind staan de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Totstandkoming besluit

2. [persoon A] heeft op 29 mei 2021 een aanvraag ingediend voor nadeelcompensatie. Het schadeverzoek heeft betrekking op de onroerende zaken gelegen aan de [locatie] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in [plaats]. Het betreft zijn woning met bijbehorende opstallen en ondergrond. De desbetreffende percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Duiven, sectie [sectie], nummers [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3]. De percelen hebben een totale oppervlakte van 5.465 m2. [persoon A] heeft in zijn aanvraag aangegeven dat hij schade lijdt vanwege het “Tracébesluit A12/A15 Ressen Oudbroeken” (hierna: het tracébesluit) van 24 februari 2017. Het tracébesluit ziet, kort gezegd, op het doortrekken van de A15 naar de A12 [1] . De percelen van [persoon A] grenzen direct aan, en vallen voor een klein deel binnen, de plangrens van het Tracébesluit. De schadefactoren die [persoon A] heeft aangevoerd zijn situeringsschade, verslechtering van de algehele omgeving, verlies van woongenot, geluidoverlast, verslechtering van de luchtkwaliteit en een toename van sluipverkeer. Daarnaast vreest [persoon A] voor tijdelijke schade omdat een gedeelte van één van zijn percelen mogelijk nodig zal zijn voor een tijdelijke weg. Dat gaat om een gedeelte van perceel [nummer 1]. In het verzoek om nadeelcompensatie heeft [persoon A] de schade in de vorm van waardevermindering begroot op € 80.000. Dit bedrag komt volgens [persoon A] overeen met de waardedaling die in de WOZ-aanslag is doorgevoerd.
2.1.
Naar aanleiding van de aanvraag heeft de minister een onafhankelijke adviescommissie benoemd, “Adviescommissie Nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat Tracébesluit A12/A15 Ressen-Oudbroeken (ViA15)” [2] (de adviescommissie). [persoon A] heeft op 9 augustus 2021 zijn verzoek mondeling toegelicht tijdens een hoorzitting. Op 2 december 2021 is de taxatie uitgevoerd.
2.2.
De adviescommissie heeft geadviseerd om de aanvraag (gedeeltelijk) toe te wijzen. In het besluit van 16 mei 2024 is op het verzoek tot vergoeding van deskundigenkosten beslist en is aan [persoon A] € 1.890,63 uitbetaald. In het besluit van 21 oktober 2024 is aan [persoon A] een totaalbedrag van € 29.628,42 aan nadeelcompensatie toegekend. De minister heeft daarnaast besloten de schade als gevolg van sluipverkeer op de weg [naam weg] in natura te compenseren door middel van verkeersmaatregelen ter beperking van het sluipverkeer.
2.3.
[persoon A] heeft tegen het besluit van 21 oktober 2024 bezwaar ingediend. In de beslissing op bezwaar van 20 februari 2025 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.
2.4.
[persoon A] heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar.
2.5.
De rechtbank heeft bij brief van 25 juni 2025 het beroepschrift ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling). Bij brief van 9 oktober 2025 heeft de Afdeling de procedure teruggestuurd naar de rechtbank omdat de Afdeling niet bevoegd is. De Afdeling verwijst daarvoor naar de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4536 rechtsoverweging 5.
2.6.
Na het instellen van het beroep is [persoon A] overleden. Zijn erfgenamen, te weten zijn echtgenote, [naam echtgenote], en hun twee zonen [gemachtigde/zoon 1] en [gemachtigde/zoon 2], hebben aangegeven de procedure voort te willen zetten.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde/zoon 1] en [gemachtigde/zoon 2] en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.17 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip echter van toepassing op deze aanvraag.
3.1.
Het verzoek om nadeelcompensatie is behandeld overeenkomstig de Beleidsregel
nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019 (hierna: “de Beleidsregel”) en
beoordeeld aan de hand van artikel 22 van Pro de Tracéwet.
Is het taxatierapport op de juiste wijze tot stand gekomen?
4. Eisers voeren aan dat de taxatie die ten grondslag is gelegd aan de besluitvorming niet juist is uitgevoerd. Volgens eisers zijn alle bijgebouwen en grond niet apart gespecificeerd in euro’s in het taxatierapport. Daarom kunnen eisers de taxatie niet goed beoordelen. Eisers geven aan bij de eis te blijven dat zij recht hebben op € 80.000 aan nadeelcompensatie.
Met betrekking tot de volledigheid van het rapport
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op pagina 11 en verder van het definitieve taxatierapport de objecten beschreven die zijn meegenomen in de taxatie. Dit zijn een dubbel woonhuis ([locatie] [huisnummer 1] en [huisnummer 2]) met aangebouwd achterhuis, aangebouwde schuurruimte, vrijstaande stenen schuur, tunnelkas, houten tuinhuis, ondergrond en tuin, een eigen oprit en een perceel grasland aan de voorzijde. Hiertoe behoren alle objecten die eiser aanhaalt, waarvan hij het onduidelijk vindt of deze al dan niet tot het getaxeerde behoren. De taxatie is gebaseerd op het samenstel van alle aanwezige onderdelen. Het is niet gebruikelijk een taxatie op te knippen en aan alle lossen onderdelen een apart bedrag te hangen.
Uitgaan van deskundigenadvies
4.2.
Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.
Bij de waardering van onroerende zaken spelen niet alleen de taxatiemethode, maar ook de kennis en ervaring van de deskundige een rol. De bestuursrechter beoordeelt daarom slechts of het bestuursorgaan de taxatie in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verder moet de besluitvorming voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en moet de rechter toetsen of de besluitvorming aan die eisen voldoet.
4.3.
Niet in geschil is dat de inwerkingtreding van het tracébesluit de situeringswaarde van de onroerende zaken vermindert.
4.4.
Voor de beoordeling van de schade heeft de schadecommissie een planvergelijking gemaakt. Zie pagina 16 en verder van het advies. Deze planvergelijking is niet in geschil. Wat wel in geschil is, is de getaxeerde waarde van de panden en gronden vóór en na de inwerkingtreding van het Tracébesluit, wat ook weer invloed heeft op de omvang van de waardedaling als gevolg van dat besluit.
4.5.
De adviescommissie heeft op 4 maart 2022 een conceptadvies uitgebracht. Onderdeel daarvan vormt een taxatie door [persoon B] van de waarde van de onroerende zaken vóór en na de inwerkingtreding van het Tracébesluit, gebaseerd op de verkoopwaarden van andere panden in de omgeving. De taxatie van de adviescommissie komt uit op een totale marktwaarde vóór het Tracébesluit van € 325.000 en daarna van € 295.000, waarmee de berekende waardedaling € 30.000 bedraagt. Namens [persoon A] heeft [persoon C] gereageerd op het conceptadvies. [persoon C] heeft gesteld dat de totale marktwaarde moet worden vastgesteld op € 385.000 vóór het Tracébesluit en € 305.000 daarna, wat een waardedaling van € 80.000 betekent. Ook [persoon C] heeft dit gebaseerd op een vergelijking met de verkoopwaarden van panden die in de omgeving van het perceel van [persoon A] liggen. [persoon C] heeft daarbij andere panden als uitgangspunt genomen dan in de taxatie die door [persoon B] is uitgevoerd.
Op pagina 48 en verder van Bijlage VIII bij het advies heeft [persoon B] een reactie gegeven op de reactie van [persoon C] op het concept rapport. Daarbij is aangegeven dat de door [persoon C] aangevoerde vergelijkbare objecten niet voldoende vergelijkbaar zijn met de in geding zijnde panden. [persoon B] komt daarom tot de conclusie dat:
“Op basis van de door aanvrager aangedragen transacties, zowel half vrijstaande woonhuizen als vrijstaande woonhuizen, ziet de taxateur geen aanleiding tot een heroverweging in de bandering van het getaxeerde als twee helft van dubbele woonhuizen dan wel aanpassing van de taxatiewaarden.”
4.6.
Wanneer een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur wordt betwist, kan de juistheid van dat (aspect van het) taxatierapport in beginsel slechts met vrucht worden bestreden met een onderbouwd tegenrapport van een onafhankelijke taxateur, waaruit blijkt dat het taxatierapport onjuist is. Voorbeelden van betogen die zien op een aspect van de inhoud van het taxatierapport dat gebaseerd is op specifieke deskundigheid van een taxateur, zijn betogen die er toe strekken dat in aanmerking genomen vergelijkingstransacties niet representatief zijn, dat andere vergelijkingstransacties ten onrechte buiten beschouwing zijn gelaten of dat ten onrechte al dan niet is gecorrigeerd vanwege gewijzigde economische omstandigheden.
Ter onderbouwing van een betoog dat een taxatierapport onjuist is, is het niet voldoende dat het tegenrapport uitsluitend een andere zelfstandige taxatie stelt tegenover de taxatie die is vervat in het aan het besluit van het bestuursorgaan ten grondslag gelegde taxatierapport. Uit een in een tegenrapport vervatte zelfstandige taxatie blijkt nog niet waarom de in het taxatierapport vervatte taxatie onjuist is. Wanneer de taxateur die het taxatierapport heeft opgesteld en de taxateur die het tegenrapport heeft opgesteld verschillende uitgangspunten hanteren en daarom tot verschillende conclusies over de waarde van het te taxeren object zijn gekomen, is de vraag niet of de in het taxatierapport gehanteerde uitgangspunten verdedigbaar zijn, maar of in het tegenrapport aannemelijk is gemaakt dat de in het taxatierapport gehanteerde uitgangspunten dat niet zijn.
4.7.
De rechtbank oordeelt dat [persoon C] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de in het door [persoon B] opgestelde taxatierapport gehanteerde uitgangspunten niet verdedigbaar zijn. Dit omdat er door [persoon C] enkel een taxatie is gemaakt op basis van andere panden in de omgeving. Daarnaast heeft [persoon B] in zijn reactie toegelicht waarom hij van mening is dat de door [persoon C] genoemde panden niet vergelijkbaar zijn. Eisers hebben in beroep niet onderbouwd waarom deze reactie niet gevolgd zou kunnen worden. De beroepsgrond slaagt niet.
Verschil met de vastgestelde WOZ-waarde
4.8.
Eisers hebben tijdens de zitting aangegeven dat de daling van de WOZ-waardering van de onroerende zaken in het jaar 2016 bevestigen dat sprake is van een grotere waardedaling dan door de minister is vastgesteld.
4.9.
Bij het vaststellen van de WOZ-waarde wordt niet, zoals bij het maken van een planologische vergelijking, gekeken naar de maximale invulling van het planologische regime, maar is vooral de feitelijke situatie bepalend. Dit neemt evenwel niet weg dat onder omstandigheden een nadere motivering kan worden verlangd voor het verschil tussen de in het kader van de planologische schade en de in het kader van de WOZ vastgestelde waardebepalingen. [3] Daarvan is hier geen sprake. De rechtbank merkt hierbij op dat uit de overgelegde beschikking van de gemeente van 6 september 2016 volgt dat meerdere gronden waren aangevoerd voor een verlaging van de WOZ-waarde van de onroerende zaken. Naast een verwijzing naar de locatie binnen het tracé van de verlenging van de A15 en de stelling dat de woningen feitelijk onverkoopbaar waren zolang er geen duidelijkheid was over de hoogte van de planschadevergoeding, werd ook betoogd dat sprake was van vervuilde grond, dat een asbestcorrectie toegepast moest worden en dat de objectkenmerken op de beschrijving niet overeenkwamen met de feitelijke situatie. Uit het feit dat de WOZ-waarde van de onroerende zaken vervolgens met € 72.000 is verlaagd (van in totaal € 318.000 naar € 246.000) kan niet worden afgeleid welk deel van de doorgevoerde WOZ-waardevermindering aan het tracé van de A15 was toe te rekenen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het tracébesluit is onherroepelijk geworden met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3981.
2.Als bedoeld in artikel 15 van Pro de “Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019”.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3508.