Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3447

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ARN 25/1858 en ARN 25/1875
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.3a WaboArt. 4:94 AwbArt. 4:111 AwbArt. 5:33 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling invordering verbeurde dwangsommen na handhavingsbesluiten omgevingsrecht

De zaak betreft twee afzonderlijke besluiten van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo tot invordering van €125.000 aan verbeurde dwangsommen bij twee eisers, die het niet eens zijn met deze besluiten. De dwangsommen zijn opgelegd wegens het niet verwijderen van zes bouwwerken zonder omgevingsvergunning op bedrijfsterreinpercelen.

Eisers voerden onder meer aan dat het invorderingsbesluit aan eiseres 1 onrechtmatig was vanwege een kennelijke schrijffout in de naam en dat eiseres 1 geen overtreder zou zijn omdat zij huurder is en niet bevoegd om de bouwwerken te verwijderen. De rechtbank oordeelde dat de schrijffout een eenvoudig te herstellen kennelijke verschrijving betrof en dat de bevoegdheid tot invordering niet was verjaard. Ook was het niet evident dat eiseres 1 geen overtreder is, mede omdat de huurovereenkomst op andere percelen ziet dan de overtreding.

Verder stelde de rechtbank vast dat de dwangsommen terecht zijn verbeurd omdat de overtredingen niet tijdig zijn beëindigd. Hoewel er een traject tot legalisering liep en het bestemmingsplan inmiddels is gewijzigd, achtte de rechtbank dit geen bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. Het college had de dwangsommen al met de helft gematigd, en verdere matiging was niet redelijk. De beroepen zijn ongegrond verklaard, waardoor de invorderingsbesluiten in stand blijven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de invordering van verbeurde dwangsommen ongegrond en bevestigt de invorderingsbesluiten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/1858 en ARN 25/1875

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres 1] B.V, eiseres 1 (ARN 25/1858)

[eiseres 2] B.V., eiseres 2 (ARN 25/1875)
beiden uit [plaats], gezamenlijk: eisers
(gemachtigde: mr. G.A. van der Veen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ermelo

(gemachtigde: mr. I.E. van Duuren).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [plaats]

(gemachtigde mr. I. Nauta).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de twee afzonderlijke besluiten van het college tot invordering van een bedrag van € 125.000,- aan verbeurde dwangsommen bij eisers. Eisers zijn het niet eens met de invorderingsbesluiten. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college tot invordering van de verbeurde dwangsommen mocht overgaan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college tot invordering mocht overgaan. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Bij afzonderlijke besluiten van 26 september 2024 heeft het college € 125.000,- aan verbeurde dwangsommen ingevorderd bij elk van de eisers. Met de afzonderlijke beslissingen op bezwaar van 19 maart 2025 is het college bij de invorderingsbesluiten gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- namens eisers: [persoon A], [persoon B] en de gemachtigde van eisers;
- namens het college: mr. I.E. van Duuren en [persoon C];
- namens de derde-partij: [persoon D] en [persoon E] (waarnemer van de gemachtigde van de derde-partij).

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres 1 is huurder van het bedrijfspand aan de [locatie] [nummer 1] in [plaats]. Zij exploiteert hier een pallet- en timmerfabriek. De percelen met de kadastrale nummers [perceelnummer 1], [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] horen bij het bedrijfsterrein. Eiseres 2 is eigenaar van de percelen. De derde-partij exploiteert aan de [locatie] [nummer 2] in [plaats] een recreatiepark. In 2017 heeft de derde-partij het college verzocht om handhavend op te treden wegens een aantal overtredingen op de percelen [perceelnummer 1], [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3]. Op 14 juli 2017 heeft het college besloten het handhavingsverzoek af te wijzen, omdat er volgens het college sprake was van concreet zicht op legalisatie. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 januari 2021 [1] , heeft het college op 29 maart 2021 bij afzonderlijke besluiten twee lasten onder dwangsom opgelegd aan eisers.
3.1.
Het college heeft eisers afzonderlijk gelast om de zes zonder omgevingsvergunning gebouwde bouwwerken op het perceel [perceelnummer 1] te verwijderen en verwijderd te houden. [2] Het gaat om de volgende bouwwerken:
een droogruimte van 58,4 m2 en 4 meter hoog;
een droogruimte van 90 m2 en 4 meter hoog;
een droogruimte van 62,5 m2 en 4 meter hoog;
een ketelhuis van 40,8 m2 en 4 meter hoog;
een opslagcontainer voor houtsnippers van 15 m2 en 4 meter hoog; en
een shredder van 31,7 m2 en 4 meter hoog.
Het college heeft daar een begunstigingstermijn aan verbonden van acht weken. Als eisers niet of niet tijdig aan de last voldoen, dan verbeuren zij elk een dwangsom van € 50.000,- per week of een deel van een week dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 250.000,-.
3.2.
Het college heeft eisers verder gelast om de opslag van pallets op de percelen [perceelnummer 2] en [perceelnummer 3] te verwijderen en verwijderd te houden. [3] Het college heeft daaraan een begunstigingstermijn verbonden van zes weken. Als eisers niet of niet tijdig aan de last voldoen, dan verbeuren zij elk een dwangsom van € 25.000,- per week of een deel van de week dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 125.000,-.
3.3.
Tegen de lasten onder dwangsom hebben eisers rechtstreeks beroep ingesteld bij de Afdeling [4] en gelijktijdig om een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft met de uitspraak van 19 juli 2021 [5] het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
3.4.
Op 29 september 2022 hebben eisers de beroepen tegen de lasten onder dwangsom ingetrokken. Dat betekent dat de lasten onder dwangsom van 29 maart 2021 onherroepelijk zijn.
3.5.
De toezichthouders van het college hebben op 11 mei 2021, 28 mei 2021, 4 juni 2021, 11 juni 2021, 18 juni 2021 en 25 juni 2021 controles uitgevoerd op de percelen van eisers. Hierbij is geconstateerd dat de overtredingen die zien op de bouwwerken niet beëindigd zijn. Dat betekent dat beide eisers de maximale dwangsommen van € 250.000,- die zien op de bouwwerken van rechtswege hebben verbeurd. De pallets zijn wel tijdig verwijderd.
3.6.
Bij afzonderlijke besluiten heeft het college aan eisers vijf keer uitstel van betaling verleend. De laatste besluiten zijn van 13 maart 2024 waarin het college uitstel van betaling heeft verleend tot 1 oktober 2024. [6]
3.7.
Het college heeft bij aparte brieven op 10 maart 2023 een voornemen tot het invorderen van € 250.000,- aan verbeurde dwangsommen aan eisers verstuurd. Tegen deze voornemens hebben eisers hun zienswijzen kenbaar gemaakt.
3.8.
Bij afzonderlijke besluiten van 26 september 2024 is het college overgegaan tot het invorderen van € 125.000,- aan verbeurde dwangsommen bij beide eisers. Het college heeft daarbij een deel van de verbeurde dwangsommen gematigd, omdat vanaf het begin van de handhavingsprocedure de insteek was dat de situatie gelegaliseerd zou worden.
3.9.
Met de beslissingen op de bezwaren van 19 maart 2025 is het college bij de invorderingsbesluiten gebleven.
Is het invorderingsbesluit gericht aan eisers 1 in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel?
4. Eiseres 1 betoogt dat het college het besluit in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft genomen. Het besluit is namelijk gericht aan “[naam bedrijf] B.V.”. Deze rechtspersoon bestaat niet. Volgens eiseres 1 kon het college dit niet met de beslissing op bezwaar herstellen, omdat de rechtszekerheid zich ertegen verzet dat op die manier alsnog met terugwerkende kracht een invorderingstitel wordt gecreëerd. Dat betekent dat pas op 19 maart 2025 voor het eerst een invorderingstitel werd gecreëerd, maar op dat moment was de bevoegdheid tot invordering al verjaard.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak kan aan een schrijffout worden voorbijgegaan als sprake is van een kennelijke fout die zich leent voor eenvoudig herstel. Daarbij is van belang dat het voor het bestuursorgaan en belanghebbenden direct duidelijk is dat sprake is van een vergissing. [7]
4.2.
De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit in plaats van de naam “[eiseres 1] B.V.” de naam “[naam bedrijf] B.V.” is gebruikt. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Het gaat in dit geval om het ontbreken van één letter in de aanhef. Dat zorgt er niet voor dat onduidelijk is aan wie het invorderingsbesluit gericht is. Bovendien wordt in het invorderingsbesluit ook verwezen naar de opgelegde last onder dwangsom, waar de letter “E” wel in de aanhef genoemd staat. Deze kennelijke verschrijving heeft het college met de beslissing op bezwaar hersteld. Omdat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een kennelijke verschrijving, is er geen sprake van verjaring van de bevoegdheid tot invordering. Ook is dit niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de lasten onder dwangsom overtreden?
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet ter discussie staat dat de lasten onder dwangsom voor wat betreft de bouwwerken zijn overtreden. De bouwwerken stonden er nog op de momenten dat het college heeft gecontroleerd.
Is eiseres 1 overtreder?
6. Eiseres 1 betoogt geen overtreder te zijn. Zij kon de opgelegde lasten onder dwangsom daarom niet nakomen. Zij huurt het onroerend goed waarin zij de inrichting drijft van eiseres 2. De activiteiten van eiseres 1 bestaan uit de vervaardiging van houten emballage en het fabriceren en produceren van timmerwerken. Eisers 1 meent niet gerechtigd te zijn om eigendommen van een ander te verwijderen. Ter ondersteuning van dit betoog heeft eiseres 1 de huurovereenkomst overgelegd waaruit volgens haar volgt dat zij de bouwwerken niet mag verwijderen.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de discussie over het overtrederschap niet in deze procedure kan plaatsvinden. Eiseres 1 had dit naar voren moeten brengen tegen de lasten onder dwangsom. Dat heeft zij niet gedaan en bovendien is het beroep tegen de lasten onder dwangsom door eiseres 1 ingetrokken. Dat ligt volgens het college in de risicosfeer van eiseres 1. Op de zitting heeft het college gesteld dat in de huurovereenkomst staat dat het om perceel [perceelnummer 4] gaat. Uit kadastrale informatie volgt dat dit perceel is overgegaan in de percelen [perceelnummer 5] en [perceelnummer 6]. De huurovereenkomst ziet daarom volgens het college niet op het perceel waar de lasten onder dwangsom op zien.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat in beginsel niet met succes gronden naar voren kunnen worden gebracht die tegen de lasten onder dwangsom naar worden gebracht hadden kunnen worden. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan worden aangenomen als evident is dat de betrokkene geen overtreder is. [8] De rechtbank stelt vast dat eiseres 1 alleen aan de hand van de huurovereenkomst betwist dat zij overtreder is. Deze huurovereenkomst ziet echter op perceel [perceelnummer 4]. Op de zitting heeft het college kadastrale informatie overgelegd waaruit volgt dat dit perceel is overgegaan in de percelen [perceelnummer 5] en [perceelnummer 6]. De lasten onder dwangsom zien niet op deze percelen. De enkele verwijzing naar de huurovereenkomst, die op andere percelen dan de lasten onder dwangsom ziet, maakt niet dat het evident is dat eiseres 1 geen overtreder is. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er bijzondere omstandigheden om van invordering af te zien?
7. Volgens vaste rechtspraak moet bij een besluit tot invordering van verbeurde dwangsommen aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat hoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook moeten worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [9]
Het legaliseringstraject
8. Eisers betogen dat er een lang lopend traject tot legalisering is. Het gaat volgens eisers om bouwwerken die er met medeweten van het college al heel lang staan. Ook de legalisatie van de bouwwerken was bij het college al lang in beeld. Voorafgaand aan de invorderingsbesluiten is het bouwvlak voor de bouwwerken gelegaliseerd met een gewijzigd bestemmingsplan. Ook is er een omgevingsvergunning verleend voor een overkapping zodat de bouwwerken onder een overkapping komen te staan. Op het moment van de invorderingsbesluiten en de beslissingen op bezwaar was het volgens eisers duidelijk dat de bouwwerken niet meer weg hoefden.
8.1.
Volgens het college hebben er vanaf 2021 gesprekken plaatsgevonden tussen het college en eisers om de ontstane situatie op te lossen. Vanwege de lange en ingewikkelde voorgeschiedenis en de diverse belangen die er spelen op de percelen, was het volgens het college lastig manoeuvreren. Op 10 juli 2024 is er op de percelen een bestemmingsplan vastgesteld en in werking getreden. Dat betekent volgens het college niet dat de verbeurde dwangsommen volledig worden kwijtgescholden. Het college geeft daartoe aan het belang van de effectiviteit van handhaving, het belang van de verzoeker om handhaving en het belang van de overtreders tegen elkaar te hebben afgewogen. Daarin heeft het college in het voordeel van eisers meegenomen dat in het nieuwe bestemmingsplan de bouwwerken binnen het bouwvlak vallen en ook dat eisers hebben meegedacht in de aanloop naar een nieuw bestemmingsplan. Het college heeft daarin echter in het nadeel van eisers ook meegewogen dat zij hebben stilgezeten voordat de gesprekken zijn aangevangen en niets hebben ondernomen om de overtredingen tijdig ongedaan te maken. Het college heeft uiteindelijk besloten om de verbeurde dwangsommen te matigen naar € 125.000,-. Dit doet volgens het college recht aan zowel de belangen van het college, als die van eisers en van de derde-partij.
8.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit vaste rechtspraak volgt dat adequate handhaving ook vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd. Het aanmerken van de omstandigheid dat na het verlopen van de begunstigingstermijn alsnog is voldaan aan de last als bijzondere omstandigheid zou tot gevolg hebben dat wordt afgedaan aan de werking van de begunstigingstermijn en daarmee aan een adequate handhaving. [10] In dit geval verstreek de begunstigingstermijn om de overtreding die zien op de bouwwerken ongedaan te maken, op 10 mei 2021. Eisers hebben niet tijdig aan de opgelegde last gedaan. Er ontstaat dan direct een betalingsverplichting voor eisers. [11] Het bestemmingsplan is ruim drie jaar later vastgesteld, maar is nog niet onherroepelijk. De omgevingsvergunning waar eisers naar verwijzen is op 5 februari 2026 verleend. Op de vraag of deze omgevingsvergunning alles gelegaliseerd heeft, kon het college op de zitting geen antwoord geven. Onder al deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om de inspanningen om tot legalisering van de bouwwerken te komen aan te merken als bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheid
9. Eisers betogen dat de invordering evenredig moet zijn. [12] Bij de evenredigheidstoets speelt ook de vraag naar legalisering een rol. Het college heeft dit niet in ogenschouw genomen. Volgens eisers had het college het in te vorderen bedrag verder moeten matigen. Een verdere matiging doet geen afbreuk aan de effectiviteit van handhaving, omdat ook een verdere matiging nog tot forse bedragen kan leiden.
9.1.
De rechtbank stelt voorop dat de rechtmatigheid van de lasten onder dwangsom vaststaan. Dat betekent ook dat moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de hoogte van de dwangsommen. Verder staat, gelet op dat wat onder 8.3 is overwogen, niet vast dat de bouwwerken gelegaliseerd zijn. Eisers hebben geen andere bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat invordering van de verbeurde dwangsommen onevenredig is. De rechtbank merkt daarbij op dat het college de verbeurde dwangsommen al voor de helft gematigd heeft. Hoewel de resterende bedragen nog steeds zeer hoog zijn, is er geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid niet had mogen volstaan met een matiging van 50%, maar de dwangsommen nog verder had moeten matigen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de invorderingsbesluiten in stand blijven. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo.
3.Overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.
4.Dat heeft de Afdeling zo bepaalt in de uitspraak van 6 januari 2021.
6.Op grond van artikel 4:94 in Pro samenhang met artikel 4:111 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7.Uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4382.
8.Uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4553.
9.Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:887.
10.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2472.
11.Artikel 5:33 van Pro de Awb.
12.Eisers verwijzen hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.