Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3493

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
ARN 24/6960
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 6:19 AwbArt. 8:69a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning voor tijdelijke huisvesting van ontheemden in chalets

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van omwonenden tegen de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van 35 chalets op percelen in Vaassen, bestemd voor tijdelijke huisvesting van ontheemden uit Oekraïne voor maximaal vijf jaar.

Eisers voerden meerdere beroepsgronden aan, waaronder strijd met het bestemmingsplan, onduidelijkheid over de doelgroep, verkeers- en parkeeraspecten, stikstofberekeningen, belangenverstrengeling en vermeende ongeoorloofde staatssteun. De rechtbank oordeelt dat de aanvraag onder de oude Wabo valt, dat het college de chalets terecht kwalificeerde als bouwwerken voor recreatief verblijf en dat de vergunning ook het handelen in strijd met het bestemmingsplan voor de tijdelijke huisvesting dekt.

De rechtbank wijst de bezwaren over verkeersveiligheid en parkeernormen af, oordeelt dat de stikstofgerelateerde gronden niet ontvankelijk zijn wegens het relativiteitsvereiste, en stelt dat de belangenverstrengeling en staatssteun niet aannemelijk zijn gemaakt. Ook de overige gronden, zoals de groenstrook, propaantank en gasleiding, worden verworpen. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het college wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan eisers.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor het plaatsen van 35 chalets ten behoeve van tijdelijke huisvesting is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/6960

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser 1], [eiseres], [eiser 2], [eiser 3], uit [plaats 1], eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe

(gemachtigde: mr. J.H. Meijer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [plaats 2].

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor het plaatsen van 35 chalets op de percelen [locatie 1] in [plaats 2], kadastraal bekend gemeente Vaassen, sectie [sectie], nummers [nummer 1] en [nummer 2], ten behoeve van de tijdelijke huisvesting voor een periode van maximaal 5 jaar. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepsgronden niet slagen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 30 oktober 2023 heeft de derde-partij een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van 35 chalets op de percelen aan de [locatie 1] in [plaats 2] en het tijdelijk huisvesten van oorlogsvluchtelingen uit Oekraïne. Bij besluit van 15 februari 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’, [1] ‘het uitvoeren van een werk of werkzaamheden’ [2] en ‘het handelen in strijd met het bestemmingsplan’. [3] De omgevingsvergunning is verleend voor de duur van maximaal 5 jaar en ziet op maximaal 35 te bouwen chalets. Na het verstrijken van deze termijn mogen de geplaatste chalets niet meer worden gebruikt voor de opvang van ontheemden en moeten de chalets overeenkomstig de geldende bestemming worden gebruikt.
2.1.
Eisers wonen nabij de percelen waar de chalets op gerealiseerd worden en hebben bezwaar gemaakt tegen de omgevingsvergunning. Daarnaast hebben zij hangende bezwaar verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 26 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening geschorst tot 6 weken na de beslissing op bezwaar. [4] De voorzieningenrechter was namelijk van oordeel dat er dusdanig veel gebreken aan de omgevingsvergunning kleefden, dat dit wel tot een schorsing moest leiden.
2.2.
Bij besluit van 22 augustus 2024 heeft het college de verleende omgevingsvergunning (gewijzigd en onder aanvulling van de motivering) in stand gelaten. Aan de omgevingsvergunning zijn voorschriften toegevoegd, maar er zijn ook enkele voorschriften gewijzigd en geschrapt. Bij besluiten van 10 oktober 2024 en 17 oktober 2024 heeft het college het bestreden besluit gewijzigd. In het besluit van 10 oktober 2024 heeft het college voorschrift 9 van de gewijzigde omgevingsvergunning aldus aangepast dat ‘het bouwen moet geschieden overeenkomstig de voorschriften van het Bouwbesluit 2012, waarbij moet worden voldaan aan de voorschriften met betrekking tot bestaande bouw’, in plaats van de voorschriften met betrekking tot nieuwbouw. Verder zijn in het besluit van 10 oktober nog een aantal bijlagen bijgevoegd. In de wijziging van 17 oktober 2024 is voorschrift 6, over het parkeren, aangepast met een verwijzing naar de meest recente situatietekening. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het beroep dat is ingesteld tegen het bestreden besluit van rechtswege mede gericht tegen de besluiten van 10 oktober 2024 en 17 oktober 2024.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij uitspraak van 17 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen en het bestreden besluit, enkel voor zover dat besluit betrekking heeft op de activiteit ‘het handelen in strijd met het bestemmingsplan’ geschorst. [5] Bij uitspraak van 27 november 2024 heeft de voorzieningenrechter de ordemaatregel opgeheven. [6] De chalets zijn inmiddels gebouwd en worden nu gebruikt voor de huisvesting van ontheemden.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
3.2.
Op het perceel was op dat moment het bestemmingsplan ‘Buitengebied Epe’ van toepassing op basis waarvan op de gronden aan de [locatie 1] de bestemming ‘recreatie – verblijfsrecreatie’ rustte. Het gebruik van de chalets ten behoeve van de tijdelijke huisvesting van ontheemden is in strijd met het bestemmingsplan.
Zijn de chalets in strijd met het bestemmingsplan?
4. Eisers stellen dat het college zich voor de herontwikkeling van de camping dient te baseren op een reguliere Omgevingswet procedure. De derde-partij mag volgens de verleende omgevingsvergunning de 35 chalets na de opvangperiode van Oekraïners laten staan voor recreatief gebruik. De uitzonderingspositie voor de opvang van Oekraïners zou hiermee een herontwikkelingsproject met een permanent karakter legitimeren, zonder hiervoor de juiste procedure te doorlopen terwijl voor dit afwijkende en tijdelijke gebruik geen vergunning is gevraagd. De herontwikkeling leidt volgens eisers tot een permanente woonwijk, terwijl het bestemmingsplan het gebied uitsluitend bestemd voor recreatief verblijf. Voor de opvang van ontheemden is geen vergunning aangevraagd, terwijl voor dit afwijkende gebruik wel een vergunning vereist is. Daarnaast heeft onvoldoende participatie met belanghebbenden plaatsgevonden, in strijd met het gemeentelijk participatiebeleid. Verder stellen eisers dat zowel de bezwaarcommissie als de voorzieningenrechter hebben geconstateerd dat het bestemmingsplan waarschijnlijk geen plaatsing van 35 chalets toestaat, omdat slechts een beperkt aantal recreatiewoningen en recreatieve bijgebouwen is toegestaan. Het bestemmingsplan voorziet namelijk in de mogelijkheid tot het plaatsen van drie recreatiewoningen op het noordelijke perceel en uitsluitend recreatieve bebouwing op het zuidelijke perceel. Volgens eisers heeft het college het onderscheid tussen een recreatiewoning en recreatieve bebouwing onvoldoende onderbouwd. Dit houdt in dat het plaatsen van de 35 chalets, ongeacht het gebruik daarvan, ook in strijd is met het bestemmingsplan.
4.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Voor zover eisers betogen dat de Omgevingswet van toepassing is, stelt de rechtbank vast dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend op 30 oktober 2023. Daarmee blijft de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing.
4.2.
Voor zover eisers stellen dat er geen vergunning is gevraagd en verleend voor het huisvesten van ontheemden, stelt de rechtbank vast dat het gebruik van de chalets voor dat doel inderdaad in strijd is met het bestemmingsplan. De omgevingsvergunning is ook mede gevraagd en verleend voor de activiteit ‘handelen in strijd met het bestemmingsplan’, [7] voor een periode van maximaal vijf jaar. Dat de chalets na vijf jaar blijven staan, doet hier niet aan af, nu zij daarna overeenkomstig de bestemming moeten worden gebruikt voor ‘recreatie – verblijfsrecreatie’. De verleende vergunning vormt dus geen basis voor een herontwikkeling tot een permanente woonwijk, zoals eisers stellen.
4.3.
De beroepsgrond dat de plaatsing van de chalets zelf in strijd is met het bestemmingsplan slaagt evenmin. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat de chalets vallen onder het begrip “bouwwerk voor recreatief verblijf”. Het college heeft toegelicht dat de definities van “bouwwerk voor recreatief verblijf” (artikel 1.34 van de planregels) en “recreatiewoning” (artikel 1.79 van de planregels) in samenhang moeten worden gelezen met paragraaf 3.7 van de toelichting op het bestemmingsplan. Dit betoog volg de rechtbank.
4.3.1.
In artikel 19.1 van de planregels is bepaald dat de voor Recreatie - Verblijfsrecreatie aangewezen gronden zijn bestemd voor het […] bieden van recreatief verblijf aan personen - die elders hun hoofdverblijf hebben - in
kampeermiddelen, bouwwerken voor recreatief verblijf en recreatiewoningen, met dien verstande dat het aantal recreatiewoningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen'. Dit duidt erop dat voor de aard van de recreatieve voorzieningen onderscheid is gemaakt in drie categorieën: recreatiewoningen, bouwwerken voor recreatief verblijf en kampeerplaatsen. Dit volgt ook uit artikel 1.34 van de planregels waarin een
bouwwerk voor recreatief verblijfis gedefinieerd als een bouwwerk dat uitsluitend bedoeld is om […] te worden gebruikt voor toeristisch of recreatief gebruik;
niet zijnde recreatiewoningen en kampeermiddelen. Een recreatiewoning is in artikel 1.79 gedefinieerd als een gebouw, dat dient als recreatieverblijf, niet voor permanente bewoning is bestemd, en dat dient als periodiek verblijf voor wisselende groepen van recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben.
4.3.2.
Hoewel dus duidelijk is dat er een verschil bestaat tussen recreatiewoningen en bouwwerken voor recreatief gebruik, volgt uit de tekst van definitiebepalingen niet duidelijk wat dat verschil dan precies is. Onder die omstandigheden komt waarde toe aan de toelichting bij het bestemmingsplan. Het college wijst er dan ook terecht op dat in paragraaf 3.7 van die toelichting staat:
“Voor de aard van de recreatieve voorzieningen is onderscheid gemaakt in drie onderdelen:
a. recreatiewoningen;
b. bouwwerken voor recreatief verblijf;
c. kampeerplaatsen
ad a.
[…]
ad b.
Hieronder vallen stacaravans, trekkershutten, chalets en dergelijke.Het aantal van deze accommodatievormen is niet vastgelegd. Door deze wijze van regeling biedt het de ondernemer vrijheid om de accommodatievorm aan te passen aan de wensen van de recreatieconsumenten.”
4.3.3.
Hieruit volgt dat chalets vallen onder de categorie “bouwwerk voor recreatief verblijf”. Voor deze categorie is in de planregels geen maximumaantal vastgesteld. Het college heeft zich dus terecht op het standpunt gesteld dat het bouwen van de chalets niet in strijd is met het bestemmingsplan.
Goede ruimtelijke ordening: verkeer
5. Eisers stellen dat het verkeersbesluit onuitvoerbaar is omdat het in strijd is met de APV (artikel 2.12) die het aanleggen of wijzigen van een tweede uitrit verbiedt, terwijl dat hier wel gebeurt. Daarnaast is geen rekening gehouden met het niet-gemotoriseerd verkeer, terwijl veel fietsbewegingen te verwachten zijn langs een provinciale weg, wat risico’s oplevert. Ook is er onvoldoende aandacht voor de mogelijke overlast door huisdieren van vluchtelingen die op de locatie worden gehuisvest. Eisers stellen verder dat het hebben van een afgerond verkeersbesluit voorwaardelijk is voor het kunnen toekennen van de vergunning. In dit geval wordt al meer dan een jaar gebruik gemaakt van de vergunning, terwijl er nog geen zicht is op een definitief verkeersbesluit.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het op grond van de APV verboden is om zonder omgevingsvergunning, of in afwijking daarvan, een uitweg aan te leggen of te veranderen. In dit geval is er echter wel een omgevingsvergunning verleend voor het aanleggen of veranderen van een uitrit, zodat er geen sprake is van strijd met de APV.
5.2.
Ten aanzien van de te verwachten fietsbewegingen stelt de rechtbank vast dat het college op 31 mei 2024 een verkeersbesluit heeft genomen [8] dat voorziet in een afsluiting van de [locatie 1] voor alle motorvoertuigen, met uitzondering van verkeer ten behoeve van de aanwonenden van [locatie 1] [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 2] en de exploitatie van aangrenzende percelen. In het besluit van 22 augustus 2024 heeft het college gemotiveerd dat de verkeerskundige problemen, die met het toestaan van de functie ten behoeve van de opvang van ontheemden, eventueel zouden kunnen ontstaan, met het verkeersbesluit worden voorkomen. Met dit verkeersbesluit heeft het college naar het oordeel van de rechtbank voldoende geborgd dat de omgevingsvergunning, voor wat betreft het aspect verkeer, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft het college op de zitting ook toegelicht dat het betoog van eisers over verbreding van de weg onderdeel vormt van een algemeen plan voor verkeerskundige aanpassingen in de omgeving en losstaat van deze ontwikkeling en ook geen onderdeel vormt van de vergunning.
Goede ruimtelijke ordening: parkeren
6. Eisers stellen dat de praktijksituatie onomstotelijk aantoont dat aan de theoretische norm van 1,3 parkeerplaats per chalet die door de gemeente wordt gehanteerd niet toereikend is voor de actuele situatie. De parkeerplaats zou met zeer hoge frequentie volledig vol zijn.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat het college aansluiting heeft gezocht bij de Nota Parkeernormen 2024. Daarin is geen norm opgenomen voor de opvang van ontheemden, maar het college heeft aanleiding gezien om aan te sluiten bij de parkeernorm voor sociale huurwoningen in het buitengebied. De rechtbank acht dit niet onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien waarom de opvang van Oekraïense gezinnen in chalets een wezenlijk andersoortige ruimtelijke uitstraling (in ieder geval voor wat betreft het benodigd aantal parkeerplaatsen) heeft dan ‘reguliere gezinnen’ in (kleine) sociale huurwoningen. Zoals het college ook aangeeft, wordt geadviseerd door Goudappel op haar website om voor Oekraïense vluchtelingen aansluiten te zoeken bij de parkeerbehoefte van sociale huurders. [9] Weliswaar betreft dit algemene informatie op een website en geen concreet advies, maar de rechtbank acht het begrijpelijk dat het college hier naar heeft gekeken, omdat er nog niet veel informatie beschikbaar is over het autobezit van deze groep en Goudappel een deskundige is op het gebied van parkeren.
6.2.
Ten aanzien van de actuele situatie stelt de rechtbank vast dat eisers niet hebben onderbouwd dat er sprake is van een te hoge parkeerdruk.
Stikstof
7. Eisers stellen dat de omgevingsvergunningen ten onrechte zijn onderbouwd met de aanname dat het aantal chalets en het gebruik niet toeneemt zodat geen stikstofberekening voor de gebruiksfase is opgemaakt. De recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [10] geeft tevens aan dat de procedure rondom intern salderen niet is toegestaan. Het besluit is daarmee onjuist dan wel onvolledig gemotiveerd dan wel heeft het college zich niet vergewist van de juistheid van deze aanname en onderbouwing.
7.1.
De rechtbank beoordeelt deze beroepsgrond van eisers niet inhoudelijk, gelet op artikel 8:69a van de Awb. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt namelijk dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel, als deze regel niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. De wetgever heeft met dit artikel beoogd een strikte relativiteitsregel in het bestuursprocesrecht in te voeren. Dit betekent dat een belanghebbende een besluit alleen met succes kan aanvechten in een procedure bij de rechter als het concrete voorschrift dat volgens hem is geschonden, mede strekt tot bescherming van zijn belangen. Dit betekent dat een belanghebbende die zich niet kan beroepen op zo’n specifieke norm, zich ook niet kan beroepen op die norm als argument dat vanwege schending van de norm geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. [11]
7.2.
De bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb) over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied zijn opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. De individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel kan uitmaken, kunnen zo verweven zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. [12] Van een dergelijke verwevenheid is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake. Eisers zijn woonachtig op de adressen [locatie 2] te [plaats 1] en [locatie 3] te [plaats 2]. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op meer dan 300 meter van het adres [locatie 2]. Gelet op deze afstand maakt het Natura 2000-gebied geen deel uit van de woon- en leefomgeving van eisers en bestaat er geen verwevenheid tussen hun belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving en de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Eisers hebben ter zitting ook niet onderbouwd waarom wel sprake zou zijn van een dergelijke verwevenheid. Dit betekent dat eisers zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet op de normen van de Wnb kunnen beroepen en dat de beroepsgrond om die reden niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Onduidelijkheid in omgevingsvergunning over doelgroep
8. Eisers stellen dat het college zonder voldoende onderbouwing en participatie de doelgroep in de omgevingsvergunning heeft gewijzigd van ‘Oekraïners’ naar ‘ontheemden’, een bredere en onduidelijke term. Hierdoor ontstaat volgens eisers rechtsonzekerheid, omdat deze uitbreiding niet ruimtelijk of juridisch is afgebakend en afhankelijk is van een private huurovereenkomst.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de doelgroep voldoende duidelijk afgebakend. Het college heeft de term ‘Oekraïners’ gewijzigd in ‘ontheemden’, omdat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 26 maart 2024 [13] heeft bepaald dat het hebben van de Oekraïense nationaliteit niet ruimtelijk relevant is en daarom bestuursrechtelijk niet kan worden geborgd in de omgevingsvergunning. De term ‘ontheemden’ is echter voldoende afbakenend.
Belangenverstrengeling gemeente Epe
9. Eisers stellen dat het college gedurende het gehele proces meerdere rollen vervult. Het college zou een nauwe relatie hebben met de nieuwe eigenaar van [locatie 4] en is tegelijkertijd verantwoordelijk voor vergunningverlening, handhaving en de openbare orde. Volgens eisers blijkt uit de praktijk dat het college selectief omgaat met haar handhavingsverantwoordelijkheid. Daarnaast stellen eisers dat de opvang van Oekraïners voor de gemeente Epe een verdienmodel vormt ter hoogte van € 61 per persoon per dag, wat neerkomt op € 1.264.727 per jaar (uitgaande van 35 chalets met vier personen per chalet, na aftrek van de huur aan de derde partij).
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college geen onafhankelijke besluitvorming heeft toegepast.
Ongeoorloofde staatsteun
10. Eisers stellen dat het college het recreatiebeleid feitelijk wijzigt door commerciële recreatie te verdringen ten gunste van grootschalige opvang van Oekraïense vluchtelingen en asielzoekers. Het college zou hiervoor huurprijzen betalen die ruim boven de marktwaarde liggen, waardoor ondernemers onevenredig profiteren en de recreatiemarkt wordt verstoord. Dit zou kunnen neerkomen op ongeoorloofde staatssteun.
10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Vanwege de hiervoor onder 6.1 genoemde relativiteitsregel in het bestuursprocesrecht, komt de rechtbank aan bespreking van de grond niet toe. Staatsteun regels strekken immers niet ter bescherming van de persoonlijke belangen van omwonenden. Daarbij stelt de rechtbank vast dat het belang van de recreatiesector geen rol speelt bij de beoordeling van de vraag of een omgevingsvergunning kan worden verleend en heeft het college toegelicht dat een marktconforme huurprijs wordt betaald.
Onttrekking mobilisatie Oekraïne
11. Eisers stellen dat acht chalets zijn gereserveerd voor alleenstaande personen uit Oekraïne, vermoedelijk mannen, en dat dit zou bijdragen aan het ontwijken van de Oekraïense mobilisatieplicht. Dit zou volgens eisers strijdig zijn met de steun die Nederland aan Oekraïne behoort te verlenen.
11.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Ook deze grond stuit af op het relativiteitsvereiste en de rechtbank stelt daarbij vast dat de mobilisatieplicht in Oekraïne geen rol speelt bij de beoordeling van de omgevingsvergunning.
Overige gronden
12. Eisers stellen dat het college voor zichzelf andere normen hanteert op het gebied van vergunningverlening, handhaving en naleving van wet- en regelgeving dan de normen die gelden voor haar inwoners. Dit zou blijken uit het feit dat de groenstrook niet voldoet aan de in de vergunning gestelde eisen, eisers geen vergunning kunnen vinden voor een gasleiding, de propaantank vaker wordt gevuld dan is aangegeven en er veel bomen zijn gekapt, waarbij voor een deel van die bomen pas achteraf een kapvergunning is verleend.
Groenstrook en kapvergunning
12.1.
Deze beroepsgronden slagen ook niet. De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit een voorschrift is opgenomen met betrekking tot de groenstrook, inhoudende dat de groenstrook rondom de locatie in stand moet worden gehouden nadat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden als bedoeld in de kapvergunning van 16 januari 2024. Bomenwacht Nederland heeft bij brief van 18 december 2023 het college geadviseerd de aangevraagde omgevingsvergunning voor het kappen van 105 bomen (grotendeels coniferenhagen) te verlenen en voor 22 bomen (inheemse bomen) een herplantingsplicht op te leggen, hetgeen ook is gebeurd. Nu een deskundig bureau heeft geadviseerd de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, heeft het college van dit advies mogen uitgaan. Verder acht de rechtbank het voorschrift over het in stand houden van de groenstrook voldoende duidelijk. Partijen hebben bovendien ter zitting van 16 oktober 2024 afgestemd dat, ter verduidelijking, in de uitspraak van de voorzieningenrechter wordt bevestigd dat de groenstrook een breedte van vijf meter moet hebben. [14] Ten aanzien van de stelling dat de haag onvoldoende wordt onderhouden en dat er gaten in zitten, overweegt de rechtbank dat dit (eventueel) een handhavingskwestie betreft. Niet is gebleken dat het voorschrift om die reden onrechtmatig is.
Propaanopslag en gasleiding
12.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de propaantank is beoordeeld door de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG) en voldoet aan de geldende regels op het gebied van brandveiligheid. Daarnaast is bij de Omgevingsdienst Veluwe IJssel (OVIJ) een melding ingediend, waaruit volgt dat wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot het explosieaandachtsgebied en het brandaandachtsgebied. Het college heeft ter zitting toegelicht dat een extra melding is gedaan omdat de gastank vaker dan vijf keer per jaar moet worden bijgevuld. De rechtbank oordeelt dat hiermee is voldaan aan de veiligheidsvoorschriften en de meldingsplicht. De stelling van eisers dat voor het aanleggen van de gasleiding geen omgevingsvergunning is verleend, is onjuist. De omgevingsvergunning is namelijk mede verleend voor het aanleggen van de gasleiding.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep tegen het besluit van 22 augustus 2024, zoals gewijzigd in de besluiten van 10 en 17 oktober 2024, is ongegrond. Dat betekent dat het college kon besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning. Omdat het college op 10 en 17 oktober 2024 wijzigingsbesluiten heeft genomen en daarmee ook heeft erkend dat het aanvankelijke besluit op onderdelen onjuist was, bestaat wel aanleiding om het college in de proceskosten aan de zijde van eisers te veroordelen. Eisers krijgen daarom het griffierecht terug.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,00 aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. J. van Oosterhout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.
2.Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo.
3.Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).
7.Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).
8.Gemeenteblad 2024, 243135.
9.Een lokale parkeernorm voor flexwoningen bepalen - zo pakt u het aan | Goudappel ([website]).
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706.
12.ABRvS 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51.