Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:3545

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/7327 en 24/7333
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWRArt. 69 lid 2 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt naheffingsaanslagen loonheffingen na onvolledige aangifte uitzendbureau

Belanghebbende exploiteert een uitzendbureau en heeft volgens onderzoek van de FIOD en de Belastingdienst niet alle uitzenduren verloond en het gebruikelijk loon van de DGA niet aangegeven. De inspecteur legde naheffingsaanslagen loonheffingen op voor 2018 en 2019, die deels werden verminderd na bezwaar. De rechtbank beoordeelt de beroepen tegen deze aanslagen.

De rechtbank constateert ernstige gebreken in de loonadministratie van belanghebbende, waaronder het niet doen van vereiste aangiften en het niet aangeven van gebruikelijk loon. De bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard. De inspecteur baseert zijn schattingen op branchegegevens, omzet, uurtarieven en urenbriefjes, wat de rechtbank redelijk acht. Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat de aanslagen te hoog zijn.

De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag over 2018 vanwege een rekenfout, maar verklaart het beroep over 2019 ongegrond. De belastingrentebeschikkingen worden dienovereenkomstig aangepast. De inspecteur moet het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. De uitspraak kan in hoger beroep worden aangevochten bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag loonheffingen 2018 en verklaart het beroep over 2019 ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/7327 en 24/7333

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 6 mei 2026

in de zaken tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1], belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Kantoor Almelo, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 5 september 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd van respectievelijk € 107.506 en € 122.091.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslagen heeft de inspecteur belanghebbende belastingrente in rekening gebracht van € 21.003 (2018) en van € 19.090 (2019) (de belastingrentebeschikking).
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslagen verminderd tot € 98.729 (2018) en € 121.136 (2019). De belastingrentebeschikkingen heeft de inspecteur dienovereenkomstig verminderd.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de inspecteur mr. [persoon A], mr. [persoon B] en
mr. [persoon C].
Belanghebbende is niet op zitting verschenen. Belanghebbende procedeert vrijwillig digitaal (via Digitale Toegang) bij de rechtbank. De rechtbank heeft op 23 februari 2026 belanghebbende via Digitale Toegang onder vermelding van tijd en plaats uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zitting op 14 april 2026. De rechtbank heeft op
23 februari 2026 om 09.32 uur een geautomatiseerd notificatiebericht gestuurd aan het opgegeven e-mailadres met daarin de mededeling dat de uitnodiging voor de zitting is geplaatst in het digitale dossier. Belanghebbende heeft de uitnodiging voor de zitting aldus op 23 februari 2026 ontvangen, dan wel wordt geacht die dan te hebben ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze en tijdig is aangeboden.

Feiten

1. Belanghebbende is opgericht op 19 november 2010 en exploiteert een detacherings- en uitzendbedrijf. De uitzendkrachten komen voornamelijk uit Roemenië. Alle aandelen in belanghebbende zijn met ingang van 5 april 2018 in handen van
[persoon D]. Daarvóór waren die aandelen in handen van [persoon E].
2. Op 29 juli 2019 heeft de inspecteur een onderzoek aangekondigd naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting 2018. Dit onderzoek is op
30 september 2019 uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen 2018 van belanghebbende en op 23 juli 2020 is het onderzoek uitgebreid naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken 2016, 2017 en 2019. Het definitieve controlerapport heeft als datum 2 november 2023 en vermeldt onder meer het volgende:
“(…)
4.1.2.
Conclusie loonadministratie
De loonadministratie van [belanghebbende] B.V. vertoont onder andere de volgende ernstige gebreken:
- Er wordt geen loonaangifte gedaan over periodes waarin wel werknemers worden uitgezonden;
- Er wordt geen rekening gehouden met het gebruikelijk loon voor de directeur grootaandeelhouders;
- Er zijn meerdere versies van de wekelijkse urenstaten. Op de uiteindelijke versie, die als grondslag voor de loonaangifte wordt gebruikt, is het aantal gewerkte uren ten onrechte naar beneden toe aangepast;
- Er vinden contante loonbetalingen plaats maar een kasadministratie ontbreekt;
- Data van de arbeidsovereenkomsten sluiten niet aan met de loonaangiften;
- Van diverse werknemers ontbreekt een kopie van het identiteitsbewijs en/of het formulier met de opgave van gegevens voor de loonheffingen;
Op basis van de administratie van [belanghebbende] B.V. kan daarom geen uitspraak worden gedaan over de volledigheid van de aangegeven lonen. Wij leggen daarom op totaalniveau correcties op ten aanzien van de lonen van de uitzendkrachten en verwijzen hiervoor naar hoofdstuk 4.4.3 Loon werknemers/uitzendkrachten, verderop in dit rapport.
(…)
4.2.4.
Conclusie
Bovenstaande zaken (het ontbreken van geldige kopieën van identiteitsbewijzen, het ontbreken van of onvolledig ingevulde formulieren met gegevens voor de loonheffingen, en het toepassen van de foute risicopremiegroep voor de sectorpremie) leiden in principe ieder voor zich tot correctie van de Belastingdienst op de door of namens [belanghebbende] B.V. ingediende aangiften loonheffingen.
Eerder in dit rapport hebben wij echter al aangegeven dat de loonadministratie van [belanghebbende] B.V. naast de in dit hoofdstuk genoemde zaken al de nodige gebreken vertoont. Uit praktische overwegingen berekenen we de correcties op basis van dit hoofdstuk niet individueel per werknemer en gaan wij er van uit dat zij onderdeel zijn van de correctie op totaalniveau van het loon van de uitzendkrachten zoals verderop in dit rapport, in het hoofdstuk 4.4.3 Loon werknemers/uitzendkrachten, beschreven.
Wij behouden ons het recht voor om de correcties op basis van de in dit hoofdstuk beschreven zaken zo nodig alsnog op te leggen.
(…)
4.3.1.
Vereiste aangifte
(…).
Wij zijn van mening dat ook over alle loontijdvakken van de jaren 2018 en 2019 niet de vereiste loonaangifte is gedaan. Verderop in dit rapport beargumenteren wij waarom er ruim € 122.000 (over 2018) dan wel ruim € 137.000 (over 2019) meer brutoloon voor de uitzendkrachten had moeten worden aangegeven, gezien de door [belanghebbende] B.V. aangegeven omzet. Daarnaast is ten onrechte geen (gebruikelijk)loon aangegeven voor de aandeelhouder(s).
(…)
4.4.2
Loon [persoon E] ná 5 april 2018
Zoals reeds vermeld bij punt 4.4.1 van dit rapport is mevrouw [persoon E] van 15 april 2015 tot 5 april 2018 directeur-enig aandeelhouder van [belanghebbende] B.V. Gedurende die periode wordt zij geacht een gebruikelijkloon te verdienen.
Uit de administratie van [belanghebbende] B.V. blijkt dat zij ná 5 april 2018 bedragen per bank ontvangt van [belanghebbende] B.V.
Het gaat om de volgende nettoloon bedragen per jaar:
2018 € 11.390 (periode vanaf 5-4-2018)
2019 € 14.107 (N.b. wij hebben geëxtrapoleerd naar het eerste kwartaal 2019 omdat van die periode de bankgegevens niet door de inhoudingsplichtige zijn verstrekt).
Op 31 maart 2021 verklaarde de heer [persoon D], tijdens zijn bezoek aan het kantoor van de Belastingdienst in [plaats 2], desgevraagd aan de controlemedewerkers loonheffingen dat mevrouw [persoon E] na 5 april 2018 haar werkzaamheden voor [belanghebbende] B.V. is blijven uitvoeren, maar dan als zzp'er. Wij hebben echter geen facturen voor de werkzaamheden van mevrouw [persoon E] in de administratie van [belanghebbende] B.V. aangetroffen. Daarnaast blijkt niet uit de systemen van de Belastingdienst dat dit als zodanig is verwerkt.
Wij merken de aan mevrouw [persoon E] betaalde bedragen als loon aan voor de werkzaamheden die zij volgens verklaring van de heer [persoon D] voor [belanghebbende] B.V. verricht. Deze loonbedragen zijn ten onrechte niet in de loonaangifte betrokken. In verband daarmee worden de volgende correcties opgelegd:
2018 loonheffing € 7.866
premies SV € 3.378
premie ZVW € 1.329
naheffing € 12.572
2019 loonheffing € 8.683
premies SV € 4.207
premie ZVW € 1.584
naheffing € 14.474
Zie tevens het hoofdstuk 6.2 Correcties loonheffingen, verderop in dit rapport.
4.4.3.
Loon werknemers/uitzendkrachten
Op basis van de administratie van [belanghebbende] B.V. kunnen wij geen uitspraak doen over de volledigheid van de aangegeven lonen van de uitzendkrachten.
Zowel de loonadministratie als de financiële administratie vertoont zodanige gebreken dat zij niet als basis voor de in te dienen aangiften kunnen dienen;
- In 2017 waren er werknemers in loondienst waarvoor ten onrechte geen loon is aangegeven;
- Er wordt loon uitbetaald aan personen die niet in de loonadministratie/loonaangifte voorkomen;
- De wekelijkse urenoverzichten, die als basis dienen voor de loonadministratie, worden achteraf aangepast (uren wegstrepen tegen verrekening van bijvoorbeeld huur);
- Er is sprake van contante geldopnames, het contant uitbetalen van lonen terwijl een deugdelijke kasadministratie ontbreekt;
- Er worden kosten op onlogische grootboekrekeningen geboekt (voorbeeld: beursdeelname/promotie);
- De data op de verkoopfacturen lopen veelal door elkaar (in die zin dat een verkoopfactuur met - een hoger nummer blijkbaar eerder is aangemaakt dan een verkoopfactuur met een lager nummer);
- Aan veel verkoopfacturen is niet af te leiden welke werknemers hebben gewerkt, hoeveel uren per persoon en het in rekening gebrachte tarief per uur.
- Van diverse werknemers ontbreekt een kopie van een geldig identiteitsbewijs / ondertekend formulier met gegevens voor de loonheffingen;
- Enzovoort. Voor een nadere beschrijving van de gebreken verwijzen wij naar de hoofdstukken "Administratie" en "Loonadministratie", eerder in dit rapport.
Wij hebben daarom de aan te geven brutolonen vastgesteld op 60% van de door [belanghebbende] B.V. aangegeven omzet. Bij deze schatting hebben wij ons gebaseerd op de volgende overwegingen:
1) Branchegegevens uitzendondernemingen
Uit branchegegevens blijkt dat de verhouding brutoloon/omzet bij uitzendbedrijven veelal ruim 60% bedraagt. Wij hebben van een aantal wat kleinere uitzendbureau's in de regio [regio] de verhouding beoordeeld en komen tot de conclusie dat 60% wellicht nog wat aan de lage kant is. In het voordeel van [belanghebbende] B.V. rekenen wij toch met 60%.
2) Verhouding minimum uurloon / uurprijs opdrachtgevers 2018
Uit de verkoopfacturen van [belanghebbende] B.V. blijkt dat [belanghebbende] B.V. aan de belangrijkste opdrachtgevers de volgende tarieven (ex btw) in rekening brengt:
- [naam bedrijf 1] € 16,95 per uur
- [naam bedrijf 2] € 18,00 per uur
- [naam bedrijf 3] € 18,00 per uur (met incidentele afwijkingen zowel naar
boven als naar beneden)
Het minimum bruto uurloon van 2018 bedroeg € 9,16 (minimum maandloon voor werknemers van 22 jaar en ouder € 1.595 / 21,75 / 8). Daarbij komt 8% vakantietoeslag, 10,43% toeslag vakantiedagen, 3,04% feestdagentoeslag en 0,60% toeslag kort verzuim (gerekend met de NBBU percentages). Dat resulteert in een minimum bruto uurloon van
€ 9,16 plus 22,07% is € 11,18. De verhouding bruto uurloon / uurtarief ligt dan tussen de 62% (uitgaande van een tarief van € 18,00 per uur) en 66% (uitgaande van het tarief van
€ 16,95 per uur). Overigens betaalt [belanghebbende] B.V. in 2018 een netto uurloon van
€ 10,00 wat, afhankelijk van het aantal gewerkte uren, aan de hoge kant is in relatie met het hierboven becijferde bruto uurloon.
3) Aantal gewerkte uren 2018
Uit de urenbriefjes van [belanghebbende] B.V. van het jaar 2018 leiden wij af dat het aantal te verlonen uren in 2018 door [belanghebbende] B.V. minimaal 22.355,85 bedraagt. Uitgaande van een gemiddeld bruto uurloon van € 13,00 (bij netto € 10 per uur) zou [belanghebbende] B.V. over 2018 € 290.626 aan brutoloon LH moeten aangeven. Dat komt redelijk overeen met de verhouding van 60% loon/omzet zoals wij die hanteren (want: brutoloon € 290.626 / omzet
€ 512.834 is 57% en het aantal geregistreerde uren lijkt naar beneden te zijn aangepast (zie de opmerkingen daarover eerder in dit rapport).
(…)
5) Nadere overwegingen
In het geval van [belanghebbende] B.V. zou een hogere verhouding loon/omzet kunnen worden aangenomen gezien de aard van deze onderneming (nagenoeg geen "overhead"). Aan de andere kant zou een wat lagere verhouding kunnen worden aangenomen als rekening wordt gehouden met deels inleen ([naam bedrijf 4]) en een relatief zeer gering deel van de omzet behaald met andere activiteiten dan uitzenden van personeel. Per saldo zijn wij van mening dat een verhouding brutoloon LH/omzet van 60% dan een juiste inschatting is.
Bij de aan te brengen correctie hebben wij gerekend met een tarief van 52% voor de loonheffing. Het is ons niet bekend, en uit de administratie ook niet te herleiden, aan wie het extra loon uitbetaald is. In het jaar 2017 is zelfs in het geheel (met uitzondering van een gering bedrag in de maand juli 2017) geen loon aangegeven door [belanghebbende] B.V.
Ook is niet van alle in de loonadministratie opgenomen werknemers een kopie van een geldig identiteitsbewijs aangetroffen en is niet van iedere werknemer een formulier gegevens voor de loonheffingen aangetroffen.
Over de hele correctie rekenen we daarom met 52% voor de loonheffing.
Bovenstaande leidt tot de volgende correctieberekening:
Dit leidt tot naheffing over de volgende bedragen:
Zie tevens het hoofdstuk 6.2 Correcties loonheffingen, verderop in dit rapport.
Tijdens de eindbespreking op 17 oktober 2023 gaf de heer [persoon D] aan dat hij het niet eens is met de bovenstaande correcties. Hij verwijst naar "het zeer gedetailleerde FIOD rapport" waarbij volgens de FIOD de volgende uren niet zijn verloond:
2017 3.260 uur
2018 2.094 uur
2019 1.928 uur
De heer [persoon D] geeft aan dat deze uren niet in overeenstemming zijn met de door ons opgelegde naheffingsaanslagen.
Wij zijn van mening dat wij onze correcties, die gebaseerd zijn op de omzet volgens de administratie van [belanghebbende] B.V., voldoende hebben onderbouwd. Daarnaast wijzen wij er op dat de FIOD een
minimaalnadeel noemt. Dit blijkt ook uit het deel van het FIOD rapport dat de heer [persoon D] zelf op 12 oktober 2023, heeft meegestuurd als reactie op het conceptrapport. Op basis hiervan is er voor ons geen reden om de correcties te wijzigen zoals opgenomen in het conceptrapport.
(…)
6.2.2.
Looncorrecties – naheffingsaanslagen loonheffingen
Naar aanleiding van dit boekenonderzoek worden de volgende naheffingsaanslagen loonheffingen opgelegd:
(…)
2018
Correctie
Hoofdstuknr.
Naheffing 2018
Loon [persoon E]
4.4.2
€ 12.572
Loon uitzendkrachten
4.4.3
€ 94.934
Totaal
€ 107.506
2019
Correctie
Hoofdstuknr.
Naheffing 2019
Loon [persoon E]
4.4.2
€ 14.474
Loon uitzendkrachten
4.4.3
€ 107.617
Totaal
€ 122.091
(…)”
3. Op 18 januari 2023 is er door de Belastingdienst/FIOD een strafrechtelijk onderzoek bij belanghebbende ingesteld naar de juistheid van de verloning van de werknemers van belanghebbende. Hiervan heeft de Belastingdienst/FIOD een proces-verbaal met datum 26 juni 2023 opgemaakt. In dit proces-verbaal is onder meer het volgende vermeld:
“(…)
3.2.
Strafbare feiten
[belanghebbende] B.V. wordt ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan:
- het opzettelijk doen van onjuiste aangiften Loonheffingen op naam van [belanghebbende] BV met het Loonheffingsnummer [loonheffingsnummer 1] over de periode 2017 tot en met 2019;
- het opzettelijk doen van onjuiste aangiften Loonheffingen op naam van [belanghebbende] BV met het Loonheffingsnummer [loonheffingsnummer 2] over de periode 2 t/m 13 van het jaar 2019; strafbaar gesteld in artikel 69 lid 2 van Pro de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.
(…)
4. Beschrijving Modus operandi
De modus operandi in dit onderzoek betreft in essentie een onderneming die uren van personeel factureert, maar een (groot) deel van deze uren niet verloond heeft. In de gebrekkige administratie van [belanghebbende] BV zijn de frauduleuze handeling niet op een eenvoudige wijze bloot te leggen. De Belastingdienst heeft tijdens het ingestelde boekenonderzoek geconstateerd dat de administratie van [belanghebbende] ernstige gebreken vertoont, waardoor niet te veel kan worden vertrouwd op die administratie. In fiscale zin heeft de verworpen administratie geleid tot omkering van de bewijslast. Strafrechtelijk dienen de frauduleuze handelingen echter aangetoond te worden.
Daarom heeft het onderzoeksteam zich in eerste instantie gericht op die plekken waar vermoedelijk wel betrouwbare informatie te vinden is: Belastingdienst, de inleners van het personeel (klanten van [belanghebbende]), bankmutaties en de e-mailboxen met daarin de e-mails met urenbriefjes.
Na beoordeling van de werkbonnen, de verkoopfacturen en de uuroverzichten werd duidelijk dat verdachte [persoon D] structureel te weinig uren heeft verloond, dan wel heeft laten verlonen. Uit de verklaring van verdachte [persoon D] komt naar voren dat hij opzettelijk te weinig uren heeft opgenomen (laten opnemen) omdat [belanghebbende] BV over te weinig financiële middelen zou beschikken.
5. Onderzoek door de FIOD
In het kader van het strafrechtelijk onderzoek met dossiernummer [dossiernummer] is het vermoeden ontstaan dat verdachte [belanghebbende] BV (hierna [belanghebbende]) zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doen van onjuiste aangiften Loonheffingen.
Tijdens het boekenonderzoek van de Belastingdienst zijn ernstige gebreken in de gevoerde administratie aangetroffen. Als gevolg van die constatering heeft de Belastingdienst zich op het standpunt gesteld dat de boekhouding niet als basis kon dienen voor het vaststellen van de fiscale verplichtingen.
Daarom heeft het onderzoeksteam zich in eerste instantie, door middel van diverse BOB-verzoeken, gericht op die plekken waar vermoedelijk wel betrouwbare informatie te vinden was, namelijk:
- de inleners van het personeel (klanten van [belanghebbende]),
- providers voor de e-mailboxen waarin de mails met urenbriefjes;
- financiële instellingen voor de bankmutaties;
- salarisbureau, met betrekking tot de gevoerde loonadministratie;
- het payrolbedrijf [naam bedrijf 4];
- gegevens van de Belastingdienst met betrekking tot de aangiften Loonheffing.
(…)
[belanghebbende] BV heeft zich in de onderzoeksperiode van 3 jaren bij herhaling schuldig gemaakt aan belastingfraude.
Naast het ontstane fiscale nadeel heeft verdachte [persoon D] bijgedragen aan het ondermijnen van de belastingmoraal, omdat hij de verantwoordelijkheden, die de belastingwetgeving aan het doen van aangifte stelt, niet serieus heeft genomen. Hij heeft met zijn achtergrond van AA accountant geprobeerd om de financiële problemen van zijn bedrijf [belanghebbende] BV op te lossen ten koste van de Belastingdienst.
(…)
6.5.
Indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
(…)
Uit het strafrechtelijk onderzoek van de FIOD komt naar voren dat met betrekking tot deze uitzendkrachten over de jaren 2017 t/m 2019 in totaal 7.914 gewerkte uren niet zijn verloond. Met betrekking tot de regeling gebruikelijk loon zijn over de jaren 2017 t/m 2019 in totaal 8.650 uren niet verloond.
Aan [persoon E] is in totaal € 25.010 (1.654 uur) aan netto loon uitbetaald door [belanghebbende] BV.
[belanghebbende] BV Niet verantwoorde gewerkte uren Uren
2017 2018 2019 Totaal
Loonheffingsnummer [loonheffingsnummer 1]:
Gebruikelijk loon 4.152 2.422 2.076 8.650
[persoon E] 720(*1) 934(*2) 1.654
Uitzendkrachten 3.273 2.130 144 5.547
Loonheffingsnummer [loonheffingsnummer 2]:
Uitzendkrachten 2.367 2.367
18.218
(*1) 720 uur netto € 10.990
(*2) 934 uur netto € 14.020
In de nadeelberekening van de Belastingdienst is te lezen dat het niet verlonen van bovenstaande uren heeft geleid tot een fiscaal nadeel van € 180.551.
(…)”
4. Met dagtekening 8 december 2023 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag loonheffingen 2018 van € 107.506 aan belanghebbende opgelegd (exclusief € 21.003 belastingrente). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 17 januari 2024.
5. Met dagtekening 14 december 2023 heeft de inspecteur een naheffingsaanslag loonheffingen 2019 van € 122.091 aan belanghebbende opgelegd (exclusief € 19.090 belastingrente). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 18 januari 2024
6. De inspecteur heeft onder meer de volgende op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd:
  • Het onder punt 2. genoemde controlerapport;
  • Het onder punt 3. genoemde proces-verbaal van de FIOD;
  • De jaarrekeningen 2018 en 2019 van belanghebbende. In die jaarrekeningen heeft belanghebbende een omzet verantwoord van € 516.237 (2018) en van € 465.944 (2019);
  • Bankafschriften 2018 en 2019 op naam van belanghebbende;
  • Omzetgegevens van belanghebbende. De omzet 2018 van belanghebbende bedroeg op grond van die gegevens € 512.834 en de omzet 2019 € 465.939;
  • Een COL-bestand van de aangiften loonheffingen over het tijdvak 2018 van belanghebbende. Hieruit volgt dat belanghebbende in 2018 een brutoloon van
€ 185.205 heeft aangegeven, waarover € 71.044 belasting is verschuldigd;
 Een COL-bestand van de aangiften loonheffingen over het tijdvak 2019 van belanghebbende. Hieruit volgt dat belanghebbende in 2019 een brutoloon van
€ 141.946 heeft aangegeven, waarover € 68.783 belasting is verschuldigd;
 Branchegegevens van vier uitzendbureaus uit de regio [regio]. Uit die gegevens volgt dat het percentage brutoloon ten opzichte van de omzet in 2018 tussen de 57% en de 71%, en in 2019 tussen de 65% en 75% ligt.
7. Belanghebbende heeft premie- en verzamelloonstaten 2019 naar een fiscaal loon van € 136.852,61 overgelegd en facturen van ‘[naam bedrijf 4]’, met factuurdata gelegen in 2019 naar een totaalbedrag van € 90.973,78 excl. btw:
Datum
Factuurnummer
Bedrag excl. btw
Bedrag incl. btw
13-1-2019
[nummer 1]
€ 3.237,05
€ 3.916,83
20-1-2019
[nummer 2]
€ 8.288,40
€ 10.028,96
3-2-2019
[nummer 3]
€ 6.444,59
€ 7.797,95
10-2-2019
[nummer 4]
€ 7.427,59
€ 8.987,38
17-2-2019
[nummer 5]
€ 10.160,14
€ 12.293,77
23-6-2019
[nummer 6]
€ 4.354,88
€ 5.269,40
30-6-2019
[nummer 7]
€ 5.492,80
€ 6.646,29
7-7-2019
[nummer 8]
€ 5.520,40
€ 6.679,68
14-7-2019
[nummer 9]
€ 3.690,00
€ 4.464,90
21-7-2019
[nummer 10]
€ 2.549,52
€ 3.084,92
28-7-2019
[nummer 11]
€ 2.815,56
€ 3.406,83
4-8-2019
[nummer 12]
€ 2.280,96
€ 2.759,96
22-9-2019
[nummer 13]
€ 3.186,90
€ 3.856,15
22-9-2019
[nummer 14]
€ 534,60
€ 646,47
29-9-2019
[nummer 15]
€ 2.708,64
€ 3.277,45
6-10-2019
[nummer 16]
€ 4.098,60
€ 4.959,31
13-10-2019
[nummer 17]
€ 4.241,16
€ 5.131,80
20-10-2019
[nummer 18]
€ 2.921,61
€ 3.535,15
27-10-2019
[nummer 19]
€ 3.189,78
€ 3.859,63
8-12-2019
[nummer 20]
€ 2.719,20
€ 3.290,23
15-12-2019
[nummer 21]
€ 685,20
€ 829,09
15-12-2019
[nummer 22]
€ 2.302,20
€ 2.785,66
22-12-2019
[nummer 23]
€ 2.124,00
€ 2.570,04
€ 90.973,78
€ 110.077,85

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslagen loonheffingen 2018 en 2019 en de belastingrentebeschikkingen, nadat deze bij uitspraken op bezwaar zijn verminderd, tot de juiste hoogten zijn vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
9. Belanghebbende is van mening dat de becijfering van de FIOD van het verschil tussen het aantal uren dat daadwerkelijk is verloond, en het aantal uren dat verloond had moeten worden, redelijk klopt. De bedragen van de naheffingsaanslagen staan echter in geen verhouding tot de werkelijkheid. De omzet biedt geen goede maatstaf voor de door de inspecteur gemaakte schattingen van de naheffingen, omdat in de omzet componenten zitten die niets te maken hebben met de uitzendwerkzaamheden van belanghebbende, zoals bijvoorbeeld financiële werkzaamheden, ‘fakturen [naam bedrijf 5]’, ‘[naam bedrijf 2]’ en ‘[naam bedrijf 6]’. Bovendien is sprake van perioden waarin de verloning niet door belanghebbende werd verricht, maar door een payroll bedrijf.
10. De inspecteur is van mening dat belanghebbende niet de vereiste aangiften loonheffingen over de tijdvakken 2018 en 2019 heeft gedaan, almede dat zij haar administratieplicht heeft geschonden. Dat rechtvaardigt omkering en verzwaring van de bewijslast. De door de inspecteur gemaakte schattingen zijn feitelijk onderbouwd aan de hand van de bevindingen van de FIOD, de bankafschriften op naam van belanghebbende en branchegegevens (loonkosten in relatie tot de omzet) van uitzendondernemingen die soortgelijk zijn aan de onderneming van belanghebbende. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, aldus de inspecteur.
Omkering en verzwaring van de bewijslast
11. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) schrijft dwingend de omkering en verzwaring van de bewijslast voor, onder meer indien de vereiste aangifte niet is gedaan. Deze bewijsregel brengt mee dat de belastingrechter is gehouden om de bewijslast op grond van die bepaling om te keren en te verzwaren, ongeacht het standpunt van procespartijen daarover, indien de vaststaande feiten daartoe aanleiding geven. [1]
12. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. [2] Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. [3] Inhoudelijke gebreken in de aangifte leiden alleen tot de conclusie dat de vereiste aangifte niet is gedaan indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. [4] Ten slotte geldt dat indien sprake is van een rechtens pleitbaar standpunt, er geen ruimte is voor omkering en verzwaring van de bewijslast. [5]
13. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de vereiste aangiften loonheffingen over de tijdvakken 2018 en 2019 niet heeft gedaan. Belanghebbende heeft zowel in bezwaar als in beroep erkend dat over 2018 circa 2.053 en over 2019 circa 1.928 uitzenduren niet zijn verloond. Daar komt bij dat belanghebbende niet heeft betwist dat zij netto loon heeft uitbetaald aan [persoon E]. Blijkens het proces-verbaal van de FIOD, paragraaf 6.5. (zie punt 3.), gaat het om bedragen van € 10.990 (2018) en € 14.020 (2019). Evenmin heeft belanghebbende betwist dat zij het gebruikelijk loon van de directeur-grootaandeelhouder niet heeft aangegeven. Blijkens het proces verbaal van de FIOD, eveneens paragraaf 6.5, gaat het om 2.422 (2018) en 2.076 (2019) uren aan gebruikelijk loon die niet zijn verloond. Dat de correctie in verband met niet aangeven van het gebruikelijk loon uiteindelijk in de inkomstenbelastingsfeer heeft plaatsgevonden doet hier niet aan af. Ook het gebruikelijk loon had aangegeven dienen te worden voor de loonheffingen. Verder is van belang dat belanghebbende niet heeft betwist dat haar (loon)administratie ernstige gebreken vertoont. Deze omstandigheid weegt de rechtbank mee bij de beantwoording van de vraag of belanghebbende al dan niet de vereiste aangifte heeft gedaan. [6] Naar het oordeel van de rechtbank is alles bij elkaar genomen door de handelswijze van belanghebbende een zowel relatief als absoluut aanzienlijk bedrag aan belasting niet geheven. Belanghebbende, althans haar bestuurder, wist dit of had dit moeten weten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bestuurder van belanghebbende ‘AA accountant’ is.
14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat belanghebbende overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar van de inspecteur onjuist zijn.
Zijn de door de inspecteur gemaakte schattingen redelijk?
15. Zoals hiervoor aangegeven rust de verzwaarde bewijslast op belanghebbende. Deze zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat de inspecteur evenwel niet van zijn verplichting om de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting. [7] In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan. [8]
16. De inspecteur heeft de werkelijk uitbetaalde lonen geschat op 60% van de omzet van belanghebbende. Voor 2018 is dit € 307.700 (60% van € 512.834) en voor 2019 is dit
€ 279.563 (60% van € 465.939). Voor wat betreft 2018 heeft de inspecteur gewezen op de verhouding tussen het door belanghebbende aan haar afnemers in rekening gebrachte uurtarief van € 16,95 à € 18,00, en het minimum bruto uurloon van € 11,18. Daaruit volgt een verhouding bruto uurloon in verhouding tot het uurtarief van tussen de 62% en 66%. (paragraaf 4.4.3. van het rapport boekenonderzoek, zie punt 2.) Verder heeft de inspecteur gewezen op de urenbriefjes 2018. Uit die briefjes volgt dat het minimaal gewerkte aantal uren 22.355,85 bedraagt. Uitgaande van een bruto uurloon van € 13 had belanghebbende
€ 290.626 loon moeten aangeven. Dat is in lijn met de eerder genoemde € 307.700, aldus de inspecteur. Ter zitting heeft de inspecteur desgevraagd toegelicht geen aanleiding te zien de omzet te verminderen met de door belanghebbende gestelde opbrengsten uit niet-uitzendactiviteiten. Belanghebbende heeft niet doen blijken in hoeverre daarvan sprake is, aldus de inspecteur.
17. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door de inspecteur gemaakte schattingen redelijk. De inspecteur heeft zijn schatting gebaseerd op de omzet van belanghebbende en de verhouding brutoloon ten opzichte van de omzet van vergelijkbare ondernemingen als die van belanghebbende. Daarbij heeft de inspecteur rekening gehouden met de door belanghebbende (wel) betaalde loonheffingen. De inspecteur heeft de schatting ook getoetst aan de beschikbare feitelijke gegevens (uurtarief en urenbriefjes).
Heeft belanghebbende doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar van de inspecteur onjuist zijn?
18. Belanghebbende heeft voor wat betreft 2018 een overzicht overgelegd van de volgens haar feitelijk verloonde uren en de te verlonen uren. Het verschil tussen de feitelijk verloonde, en te verlonen uren is 2.053 uur. Voor wat betreft 2019 heeft belanghebbende facturen van [naam bedrijf 4] overgelegd, tot een totaalbedrag van € 90.973,78 (excl. btw). Verder is belanghebbende van mening dat in de omzet 2018 en 2019 componenten zijn begrepen die niet inherent zijn aan het uitzendwerk.
19. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het eigen overzicht van belanghebbende onbetrouwbaar is en niet kan worden gecontroleerd. Weliswaar heeft belanghebbende enige inkoopfacturen van [naam bedrijf 4] overgelegd, maar hieruit volgt nog niet wat de daadwerkelijk door [naam bedrijf 4] verloonde bedragen zijn. De inspecteur betwist dat er in de omzet van belanghebbende componenten zijn begrepen die niets van doen hebben met uitzendwerk. Zouden deze componenten er zijn geweest dan hadden deze separaat moeten worden opgenomen in de administratie en daarvan blijkt niets, aldus de inspecteur.
20. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende niet heeft doen blijken dat de naheffingsaanslagen loonheffingen verder moeten worden verminderd dan bij uitspraak op bezwaar door de inspecteur reeds is gedaan. De stellingen van belanghebbende zijn (mede ter zitting) gemotiveerd weersproken door de inspecteur. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht om de schattingen te verwerpen. Het had op de weg van belanghebbende gelegen om (eventueel ter zitting) een toelichting te geven op de volgens haar met de niet-uitzendactiviteiten gegenereerde omzet en de door [naam bedrijf 4] daadwerkelijk voor werknemers van belanghebbende verloonde bedragen. Dat heeft belanghebbende nagelaten en dat komt voor haar rekening.
21. De rechtbank zal de naheffingsaanslag loonheffingen 2018 nog wel verminderen met € 36 vanwege een rekenfout. In de motivering van de uitspraak op bezwaar voor dat jaar heeft de inspecteur het volgende vermeld:
“(…)
De opgelegde naheffingsaanslag die betrekking heeft op het jaar 2018, met aanslagnummer [aanslagnummer] en met dagtekening 8 december 2023 wordt verminderd met € 3.016 aan loonbelasting / premie volksverzekeringen,
€ 4.230 aan premies werknemersverzekeringen en een bedrag van € 1.567 aan premie ZVW.
(…)”
Dit betekent dat de naheffingsaanslag loonheffingen 2018 uitkomt op € 98.693 (€ 107.506 minus € 3.016 minus € 4.230, minus € 1.567) en niet op de door de inspecteur becijferde
€ 98.729.
Belastingrente
22. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking 2019. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt. Nu de met de belastingrentebeschikking 2018 samenhangende naheffingsaanslag loonheffingen 2018 zal worden verminderd, zal de rechtbank het bedrag van de belastingrente dienovereenkomstig verminderen.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep inzake de naheffingsaanslag loonheffingen 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking is gegrond. De rechtbank zal deze naheffingsaanslag verminderen naar € 98.693 en de bijbehorende belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderen. De uitspraak op bezwaar inzake 2018 zal zij vernietigen. Het beroep inzake de naheffingsaanslag loonheffingen 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikking is ongegrond.
24. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
25. Omdat de rechtbank het beroep inzake de naheffingsaanslag loonheffingen 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag loonheffingen 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikking ongegrond;
  • verklaart het beroep inzake de naheffingsaanslag loonheffingen 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag loonheffingen 2018 en de bijbehorende belastingrentebeschikking;
  • vermindert de naheffingsaanslag loonheffingen 2018 naar € 98.693;
  • vermindert de bijbehorende belastingrentebeschikking 2018 dienovereenkomstig;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 371 aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door, mr. P.J. Tikken voorzitter, en mr. A.P. Vaatstra en
mr. W. Loof, leden, in aanwezigheid van mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
Uitgesproken op 6 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vergelijk Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1150.
2.Vergelijk Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2665.
3.Vergelijk Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083.
4.Vergelijk Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE3220.
5.Vergelijk Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970
6.Vergelijk Hoge Raad, 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086, r.o. 3.1.3.
7.Vergelijk Hoge Raad 29 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8552 en Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF6486.
8.Vergelijk Hoge Raad 27 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0401, r.o. 3.7.