ECLI:NL:RBGEL:2026:39

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24/422
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom opgelegd aan advocaat wegens niet meewerken aan uitvraag financiële kerngetallen

In deze uitspraak van de Rechtbank Gelderland, gedateerd 7 januari 2026, staat de last onder dwangsom centraal die aan eiser, een advocaat, is opgelegd wegens het niet meewerken aan de uitvraag van financiële kerngetallen over het jaar 2021. De deken van de Orde van Advocaten had eiser herhaaldelijk verzocht om deze gegevens aan te leveren, maar eiser had hierop niet gereageerd. De rechtbank oordeelt dat de deken terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd, omdat eiser in overtreding was van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser voerde aan dat hij de e-mails van de deken niet had gezien omdat deze in zijn spam waren beland en dat hij door persoonlijke omstandigheden, zoals medische problemen en het overlijden van een familielid, niet in staat was om zijn e-mail goed bij te houden. De rechtbank oordeelt echter dat eiser zelf verantwoordelijk is voor het bijhouden van zijn e-mailbox en dat de deken niet hoefde af te zien van handhaving. Eiser heeft ook aangevoerd dat de opgelegde dwangsom van € 3.000 onevenredig zwaar is voor zijn eenmanskantoor, maar de rechtbank oordeelt dat de financiële omstandigheden van de overtreder in beginsel geen rol spelen bij handhaving. Eiser heeft geen gelijk gekregen en het beroep is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/422

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland, de deken

(gemachtigden: mr. A.C. Rubens en mr. F.R.H. Kuiper).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom wegens het niet meewerken aan de uitvraag financiële kerngetallen over 2021. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de deken terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd aan eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de deken terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd aan eiser. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser is advocaat en exploiteert een advocatenpraktijk in de vorm van een eenmanszaak. Op 1 juli 2022 heeft de deken eiser per e-mail verzocht om de financiële kerngetallen over het boekjaar 2021 aan te leveren. De deken heeft op 5 oktober 2022 en
3 januari 2023 per e-mail een rappel verzonden aan eiser. Omdat eiser ook na rappel geen financiële kerngetallen heeft overgelegd, heeft de deken op 1 maart 2023 per e-mail een voornemen aan eiser verzonden voor het opleggen van een last onder dwangsom. Eiser is daarbij in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen, maar heeft dit niet gedaan.
2.1. In het besluit van 27 maart 2023 is vervolgens een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. De deken vordert dat eiser binnen drie weken na de datum van het besluit de financiële kerngetallen over 2021 aanlevert op de daartoe bestemde website
https://kerngetallen.advocatenorde.nl. Als eiser niet voldoet aan de last, verbeurt hij van rechtswege een dwangsom van € 500 voor elke week dat hij niet aan de verplichting voldoet, met een maximum van € 3.000.
2.2.
Met het bestreden besluit van 11 december 2023 op het bezwaar van eiser is de deken bij het besluit van 27 maart 2023 gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De deken heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de deken.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake van een overtreding?
3. Eiser voert allereerst aan dat er geen sprake is van een overtreding. Eiser heeft namelijk niet geweigerd om de financiële kerngetallen in te dienen, maar hij heeft de e-mailberichten van de deken niet gezien, omdat deze hoogstwaarschijnlijk in de spam van zijn e-mailbox zijn binnengekomen. Eén keer in de zoveel tijd verwijdert de e-mailbox automatisch alle e-mailberichten die in zijn spam zitten. Dat is in dit geval waarschijnlijk gebeurd. Op de zitting heeft eiser verder gesteld dat hij ook door medische problematiek zijn mailbox niet goed kon bijhouden en dat hij het daarbij ook in zijn privé situatie moeilijk had door het overlijden van zijn nichtje. Toen eiser op 8 mei 2023 kennisnam van het besluit van 27 maart 2023 heeft hij bovendien onmiddellijk de financiële kerngetallen over 2021 ingediend. Als deze uitvraag per brief naar eiser was verstuurd, had hij de financiële kerngetallen tijdig ingediend. De deken heeft ook niet aangetoond dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie waaruit blijkt dat de e-mailberichten daadwerkelijk aan eiser zijn verzonden. [1] Het had ook op de weg van de deken gelegen om telefonisch contact te zoeken met eiser of een aangetekende brief te sturen toen hij niet reageerde op de e-mailberichten. De deken moet namelijk redelijke stappen ondernemen om ervoor te zorgen dat de communicatie de geadresseerde daadwerkelijk bereikt. Door uitsluitend per
e-mail te communiceren heeft de deken artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschonden. Anders dan de deken stelt, hoefde eiser niet pro-actief te verifiëren of hij correspondentie heeft gemist. De medewerkingsplicht van artikel 5:20 van de Awb geldt namelijk pas na een vordering door een bestuursorgaan.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van een overtreding van artikel 5:20 van de Awb. Eiser is op grond van artikel 5:20 van de Awb verplicht om zijn medewerking te verlenen aan de uitvraag van financiële kengetallen. De deken heeft per e-mail verzocht om de financiële kerngetallen over het jaar 2021 te overleggen, maar eiser heeft, ook na het verzenden van twee rappels en een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom, niet gereageerd. Dat heeft eiser ook niet betwist. Het staat ook vast dat deze e-mailberichten naar het e-mailadres zijn toegezonden dat eiser zelf heeft geregistreerd in ‘MijnOrde’. Eiser wist dus dat de deken via dit e-mailadres communiceerde. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat de e-mailberichten mogelijk in de spam van zijn e-mailbox zijn binnengekomen, waardoor hij deze niet heeft opgemerkt. Het is echter aan eiser om zijn e-mailbox (inclusief spam) zorgvuldig bij te houden. Daarbij komt dat eiser van eerdere jaren wist dat deze e-mailberichten (en nog meer e-mailberichten naar zijn zeggen) in zijn spam terechtkomen, waardoor hij zich juist extra bewust moest zijn dat hij ook zijn spam in de gaten moest houden. Dat eiser door medische problematiek zijn e-mailbox niet goed kon bijhouden is pas op de zitting naar voren gekomen, maar is verder ook op geen enkele wijze onderbouwd. Dat eiser het moeilijk heeft gehad door het overlijden van zijn nichtje is daarbij invoelbaar, maar ontslaat hem niet van het zorgvuldig bijhouden van zijn e-mailbox. Dat eiser niet bewust of met opzet de financiële kerngetallen over 2021 niet tijdig heeft ingediend, maakt tot slot niet dat geen sprake is van overtreding van de medewerkingsplicht van artikel 5:20 van de Awb. Daarvoor is opzet namelijk niet vereist.
3.2.
De beroepsgrond slaagt dus niet. Dat betekent dat de deken terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van een overtreding. In dat geval geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden.
Had de deken van handhavend optreden moeten afzien wegens bijzondere omstandigheden?
4. Eiser voert echter aan dat de deken in dit geval had moeten afzien van handhavend optreden wegens bijzondere omstandigheden. Het opleggen van een last onder dwangsom is bedoeld voor iemand die weigert de financiële kerngetallen aan te leveren. Eiser licht toe dat hij niet heeft geweigerd om de financiële kerngetallen over 2021 aan te leveren, maar dat hij het besluit van 27 maart 2023 te laat heeft gezien en dat de andere e-malberichten in zijn spam zijn binnengekomen. Eiser heeft een eenmanskantoor zonder secretariële ondersteuning waardoor het voor hem niet mogelijk is om alle e-mailberichten dagelijks bij te houden. Op de zitting heeft eiser verder gesteld dat hij ook door medische problematiek zijn e-mailbox niet goed kon bijhouden. Nadat eiser het besluit van 27 maart 2023 ontdekte, heeft hij onmiddellijk verzocht om een nieuwe termijn om de financiële kerngetallen aan te leveren en hij heeft deze toen ook aangeleverd. Het is niet rechtvaardig iemand te straffen omdat die persoon een schrijven te laat of helemaal niet heeft opgemerkt. Het is ook de eerste keer dat eiser de financiële kerngetallen te laat heeft ingediend. De dwangsom van € 3.000 is voor hem, als eenmanszaak, dan ook een onevenredig zware sanctie vergeleken met de beoogde prikkelwerking. [2] De financiële middelen en personele capaciteit van een klein kantoor zijn namelijk aanzienlijk beperkter dan bij een groot kantoor. Voor een eenmanskantoor betekent een dergelijke dwangsom een zwaardere financiële druk waardoor de continuïteit van zijn kantoor direct wordt bedreigd.
4.1.
De beginselplicht tot handhaving bij een overtreding laat onverlet dat handhavingsbesluiten wel aan het evenredigheidsbeginsel getoetst dienen te worden, waarbij de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak geldt. [3] Handhavend optreden is echter alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is sprake van een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [4]
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de deken niet heeft hoeven afzien van handhavend optreden, omdat zij terecht heeft geconcludeerd dat de door eiser aangevoerde omstandigheden niet als bijzondere omstandigheden gekwalificeerd kunnen worden op grond waarvan de deken had moeten afzien van handhaving. Dat eiser niet bewust de financiële kerngetallen over 2021 niet tijdig heeft aangeleverd, is geen bijzondere omstandigheid om van handhavend optreden af te zien. Ook het feit dat eiser de financiële kerngetallen later alsnog heeft aangeleverd, maakt niet dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Daartoe was eiser namelijk ook gehouden en dat was ook juist de bedoeling van de opgelegde last onder dwangsom. Het feit dat eiser een eenmanskantoor is en dat daardoor de sanctie onevenredig zwaar is, maakt ook niet dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. In beginsel spelen de financiële omstandigheden van een overtreder namelijk geen rol [5] en daar komt bij dat eiser op de zitting ook heeft toegelicht dat hij de verbeurde dwangsommen wel kan betalen. De gestelde financiële situatie van het kantoor van eiser is ook niet onderbouwd. Het is dus ook niet gebleken dat de hoogte van de dwangsom niet in verhouding staat tot het geschonden belang. Op de zitting heeft eiser nog gesteld dat hij medische problemen heeft, maar dit is, zoals eerder overwogen, verder niet onderbouwd. Verder heeft eiser nog gewezen op een aantal civielrechtelijke uitspraken, maar daaruit volgt niet dat en waarom de deken in dit geval had moeten afzien van handhavend optreden.
Is eiser ten onrechte niet gehoord?
5. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. Eiser heeft contact opgenomen omdat niet tijdig een hoorzitting was ingepland, maar hij heeft vervolgens niks meer gehoord over het plannen van een hoorzitting.
5.1.
De deken stelt zich op het standpunt dat eiser terecht niet is gehoord. Eiser is per e-mailbericht van 8 november 2023 benaderd over het inplannen van een hoorzitting op
14 of 15 december 2023. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Vervolgens is op 23 november 2023 nogmaals gevraagd of eiser op één van deze data beschikbaar was. Eiser heeft ook op dit e-mailbericht niet gereageerd. De commissie bezwaarschriften heeft toen besloten om af te zien van het horen van eiser. [6]
5.2.
Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb, kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de deken aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich gedurende een redelijke periode heeft ingespannen om eiser in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord. Deze inspanningen hebben echter vanwege het uitblijven van een reactie van eiser niet tot resultaat geleid. Zoals hiervoor overwogen, komt het voor rekening en risico van eiser dat hij zijn e-mailbox niet zorgvuldig bijhoudt. Dit betekent dat eiser niet binnen een redelijke termijn heeft verklaard dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, zodat kon worden afgezien van het horen van eiser.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de deken terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd aan eiser. Eiser krijgt dus geen gelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser wijst ter ondersteuning van zijn standpunt op ECLI:NL:CRVB:2015:4797.
2.Eiser wijst ter ondersteuning van zijn standpunt op een aantal civielrechtelijke uitspraken: ECLI:NL:RBOVE:2022:2165, ECLI:NL:GRARN:2012:BV1881, ECLI:NL:GHDHA:2016:1569, ECLI:NL:RBZWB:2015:548, ECLI:NL:RBNNE:2022:3204).
3.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4650.
4.ABRvS van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4650.
5.ABRvS van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5494.
6.De deken wijst hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:884.