Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4122

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
ARN 26_135
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen WOZ-waarde en aanslag rioolheffing hotel in Winterswijk

Belanghebbende, gebruiker van een hotel in Winterswijk, stelde beroep in tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €2.250.000 en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting. De heffingsambtenaar had de waarde berekend met de Taxatiewijzer Hotels, gebruikmakend van modelmatige omzetgegevens en een kapitalisatiefactor, met correcties voor leegstand, ouderdom en corona.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast had voldaan en dat de door belanghebbende aangevoerde betwistingen onvoldoende concreet en onderbouwd waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de termijn minder dan twee jaar bedroeg.

De rechtbank merkte op dat het procederen door de gemachtigde van belanghebbende niet voldeed aan de eisen van een professionele rechtsbijstandverlener en in strijd was met de goede procesorde. Desondanks werd het beroep inhoudelijk behandeld. De rechtbank verwacht dat de gemachtigde zich in de toekomst aan de gedragsregels houdt.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 26/135

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 mei 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1], belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Winterswijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 29 december 2025.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [locatie] in [plaats 2] op 1 januari 2024 (waardepeildatum) vastgesteld op € 2.250.000. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook een aanslag onroerendezaakbelastingen van de gemeente Winterswijk voor het jaar 2025 opgelegd.
De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Het beroep is aangevuld met (onder andere) een pinpointbrief. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft belanghebbende op 10 maart 2026 verzocht de beroepsgronden en argumenten die zien op de in geschil zijnde onroerende zaak te concretiseren. Belanghebbende heeft daarop gereageerd met een aanvulling van de beroepsgronden.
Hoewel in deze zaak sprake is van een derde-belanghebbende met een mogelijk tegengesteld belang, heeft de derde-belanghebbende afwijzend gereageerd op de uitnodiging van de rechtbank om zich te voegen in de procedure. De procedure heeft daarom zonder de derde-belanghebbende plaatsgevonden.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomenieraan: gemachtigde en namens de heffingsambtenaar [persoon A].

Feiten

1. Belanghebbende is gebruiker van de onroerende zaak. De onroerende zaak is een hotel.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het volgende:
- de objectafbakening;
- de WOZ-waarde;
- of artikel 40 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) is geschonden.
3. De rechtbank heeft de beroepsgronden beoordeeld en is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Misbruik van procesrecht / proceshouding gemachtigde
4. De heffingsambtenaar is van mening dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat sprake is van misbruik van procesrecht. De reden daarvoor is dat belanghebbende al jaren procedeert over de waarde van de onderhavige onroerende zaak, waarbij de gronden elk jaar nagenoeg gelijk zijn en niet zijn toegespitst op de onroerende zaak. De bezwaren, beroepen en hoger beroepen worden al jaren niet-ontvankelijk of ongegrond verklaard en volgens de heffingsambtenaar is sprake van evidente kansloosheid.
5. De rechtbank volgt het standpunt van de heffingsambtenaar niet. Belanghebbende heeft gebruik gemaakt van de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen om de WOZ-waarde aan te vechten. Dat de gemachtigde van belanghebbende algemene gronden en argumenten aanvoert, maakt niet dat sprake is van misbruik van procesrecht. Uit de gang van zaken blijkt onvoldoende dat belanghebbende zijn recht om beroep in te stellen evident voor een ander doel heeft gebruikt.
6. De rechtbank merkt over het procedeergedrag van gemachtigde in deze zaak nog het volgende op. De heffingsambtenaar heeft op verzoek van belanghebbende getaxeerd op basis van omzetcijfers met behulp van de Taxatiewijzer hotels. Tijdens de zitting heeft gemachtigde een probleem gemaakt van het ontbreken van de huurovereenkomst tussen belanghebbende en de eigenaar van de onroerende zaak. Hoewel deze overeenkomst afkomstig is van belanghebbende en de heffingsambtenaar de waarde heeft berekend op basis van modelomzetgegevens, heeft de heffingsambtenaar de huurovereenkomst overgelegd tijdens de zitting. Na overlegging van dit stuk is gemachtigde van mening dat het stuk niet gebruikt kan worden, omdat het zou gaan om een huurovereenkomst die uitsluitend gebruikt wordt voor de financiering. Ook heeft gemachtigde tijdens de zitting vraagtekens gezet bij het mandaat van de heffingsambtenaar, terwijl partijen al jaren met elkaar van doen hebben. Het overgelegde aanwijzings- en mandateringsbesluit geven de rechtbank geen enkele aanleiding te twijfelen aan de bevoegdheden van de heffingsambtenaar. Vervolgens heeft de gemachtigde op zitting de heffingsambtenaar persoonlijk aangevallen met opmerkingen over het laten vervolgen van de heffingsambtenaar vanwege het plegen van een ambtsmisdrijf, het voordragen voor demotie en het benaderen van de plaatselijke krant. De rechter heeft tijdens de zitting aangegeven dat de uitingen en het gedrag van gemachtigde niet acceptabel zijn. Daarop heeft gemachtigde ter zitting aangegeven hiermee te stoppen. Uit zijn reactie heeft de rechtbank begrepen dat gemachtigde zich realiseert dat hij met zijn uitingen en gedrag (ver) over de schreef is gegaan en zijn gedrag daarop in het vervolg zal aanpassen. De zitting is voortgezet en de rechter heeft het onderzoek gesloten. De rechtbank verwacht van gemachtigde dat hij zich in de toekomst onthoudt van dit soort uitingen en gedragingen.
Strijd goede procesorde
7. Gemachtigde heeft voor de in geschil zijnde onroerende zaak de WOZ-beschikking en aanslag(en) betwist. Hij heeft daarvoor in eerste instantie volstaan met de indiening van een beroepschrift dat nagenoeg gelijkluidend is aan vele andere door gemachtigde namens diverse belanghebbenden ingediende beroepschriften, ongeacht de aard van de onroerende zaak (woning, winkel, bedrijfsruimte of hotel). Hij is daarmee in deze zaak, als ook in de andere zaken, niet specifiek ingegaan op de in geschil zijnde WOZ-beschikking en aanslag(en). Hetzelfde heeft te gelden voor de nader door hem ingediende stukken, zoals zijn pinpointbrief en verbijzonderingsbrieven.
8. Voordat de rechtbank is overgegaan tot behandeling van deze zaak, heeft zij gemachtigde verzocht om de beroepsgronden en argumenten te concretiseren. In reactie daarop heeft gemachtigde in deze zaak en in elke overige op 22 april 2026 op zitting behandelde zaak (totaal negen zaken) wel specifiek op elke zaak betrekking hebbende stukken ingediend, steeds genaamd ‘zittingskaart’ met steeds een individueel begeleidend schrijven dat betreft ‘aanvulling van gronden’. Volgens gemachtigde zijn de stukken door hem geschreven waarna ze zijn gecontroleerd door AI, te weten achtereenvolgens Copilot, ChatGPT en Claude 4.6. De rechtbank constateert dat de stukken:
  • veelvuldig verwijzen naar vermeende rechtsregels, die, zo blijkt uit onderzoek van de rechtbank, nimmer volgen uit de genoemde jurisprudentie/ECLI-nummers. Dit is slechts anders als verwezen is naar door de heffingsambtenaar aangehaalde jurisprudentie;
  • standpunten vermelden, die in de individuele zaken leiden tot een hogere waarden, terwijl gemachtigde lagere waarden bepleit. Zo wordt gepleit voor een lager leegstandsrisico en/of een hogere grondwaarde in combinatie met een hogere opstalwaarde. In geval van een gecorrigeerde vervangingswaardeberekening wordt gepleit voor een hogere restwaarde;
  • onbegrijpelijke standpunten vermelden en/of standpunten vermelden die in combinatie met de rest van de tekst een hogere waarde suggereren, terwijl in die zaak een lagere waarde wordt bepleit;
  • niet ter zake doende standpunten vermelden, zoals betwisting van de grondwaarde, terwijl de grond in die zaak niet afzonderlijk in de waarde is betrokken. Ook wordt in een zaak de frictieleegstand betwist, terwijl die niet in het leegstandrisico (uitsluitend aanvangsleegstand) wordt betrokken;
  • vragen om informatie die niet ter zake doende is en/of die van gemachtigde of belanghebbende zelf afkomstig is, zoals omzetgegevens en/of huurovereenkomsten;
  • bol staan van adviezen aan gemachtigde over de te volgen processtrategie en daarmee duidelijk niet bedoeld zijn voor de heffingsambtenaar en/of de rechtbank.
Van de heffingsambtenaar en van de rechtbank kan (mede gelet op de grote aantallen beroepszaken van gemachtigde) niet worden verwacht dat zij in deze AI-gegenereerde stukken op zoek gaan naar argumenten die in een voorliggende zaak mogelijk van belang zijn. Het is de taak van gemachtigde om relevante stukken in te dienen. De rechtbank laat deze stukken daarom buiten beschouwing.
9. De rechtbank heeft gemachtigde vervolgens op de zitting in de gelegenheid gesteld zijn gronden en argumenten alsnog te concretiseren en toe te lichten. Daarop heeft gemachtigde de inhoud van de zittingskaart/nadere motivering voorgedragen. Daarvoor heeft hetzelfde te gelden als hiervoor onder 8. is overwogen.
10. De wijze waarop de gemachtigde van belanghebbende procedeert is daarmee in strijd met hetgeen van een beroepsmatig optredende rechtsbijstandsverlener mag worden verwacht en is in strijd met de goede procesorde. [1] Het risico dat een stelling niet wordt behandeld die in een concreet voorliggende zaak mogelijk met succes zou kunnen worden verdedigd, is dan ook het rechtstreekse gevolg van de wijze van procederen door de gemachtigde en komt derhalve voor rekening van de belanghebbende namens wie hij optreedt. [2]
11. De rechtbank zal met inachtneming van het hiervoor overwogene beslissen.
Gegevensverstrekking
12. Gemachtigde heeft in de loop van deze en vele andere bezwaar- en beroepsprocedures standaard aangegeven dat bepaalde stukken en/of gegevens ontbreken. Uit de gedingstukken blijkt dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase het taxatieverslag aan gemachtigde heeft verstrekt. Voor het overige is onvoldoende concreet gesteld wanneer hij om welke specifiek op deze zaak betrekking hebbende gegevens heeft gevraagd en dat die stukken niet zijn verstrekt. Artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ verplicht verder niet tot het beantwoorden van vragen over de op grond van die bepaling te verstrekken gegevens of onderbouwing van de gebruikte gegevens. Met betrekking tot de verdeling van de stelplicht en bewijslast heeft te gelden dat het op de weg ligt van een belanghebbende die betoogt dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ is geschonden doordat door hem gevraagde gegevens niet uiterlijk bij uitspraak op bezwaar zijn verstrekt, om de feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem gevraagde, en niet verkregen gegevens aan de vaststelling van de waarde ten grondslag hebben gelegen en daarom onder de werking van die bepaling vallen. [3] Belanghebbende heeft in deze zaak niet concreet gesteld dat hij daartoe in redelijkheid niet in staat is doordat de daartoe benodigde gegevens zich bevinden in het domein van de heffingsambtenaar en de belanghebbende daartoe geen toegang heeft en evenmin aangeboden heeft gekregen. De heffingsambtenaar heeft daarom met de door hem overgelegde stukken aan zijn informatieplicht voldaan.
WOZ-beschikking
13. Belanghebbende stelt dat de waarde van de onroerende zaak te hoog is vastgesteld.
14. De heffingsambtenaar heeft de vastgestelde waarde van de onroerende zaak onderbouwd met een berekening. In de berekening is de waarde van de onroerende zaak getaxeerd op € 2.254.000. Deze waarde volgt uit een rekenmodel behorend bij de Taxatiewijzer Hotels per waardepeildatum 1 januari 2025, waarbij een huurwaarde is bepaald aan de hand van een modelmatig berekende omzet, waarna de huurwaarde is gekapitaliseerd met een kapitalisatiefactor die is afgeleid uit rendementen.
15. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met zijn berekening, overige stukken en de toelichting ter zitting de waarde aannemelijk heeft gemaakt. Uit niets volgt dat de heffingsambtenaar bij de waardebepaling is uitgegaan van een onjuiste afbakening. Er is ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar gebruikte objectkenmerken. De huurwaarde is bepaald aan de hand van een modelmatig berekende omzet vermenigvuldigd met een percentage. Daarbij heeft de heffingsambtenaar gekozen voor genormaliseerde omzetgegevens boven de hogere werkelijk gerealiseerde omzetgegevens. Deze keuze is door de heffingsambtenaar toegelicht. Bovendien is deze keuze in het voordeel van belanghebbende. De berekende huurwaarde is vervolgens vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor. Deze factor is, zo begrijpt de rechtbank, afgeleid uit rendementen van andere hotels in dezelfde categorie. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar de waarde naar beneden gecorrigeerd voor leegstandsrisico, ouderdom, corona en de kosten koper. Belanghebbende heeft het gebruik van de Taxatiewijzer (met bijbehorend rekenmodel) niet betwist. Dat belanghebbende enkele door de heffingsambtenaar toegepaste uitgangspunten en correcties vanwege vermeende omstandigheden (zoals oorlogen, verhuur voor tijdelijke bewoning, ouderdom), wel heeft betwist, kan hem niet baten. De betwisting is onvoldoende concreet, geheel niet onderbouwd of niet is onderbouwd waarom dit zou leiden tot een (grotere) neerwaartse correctie. De heffingsambtenaar heeft daarom aan zijn bewijslast voldaan.
16. Omdat de heffingsambtenaar hiermee al aan zijn bewijslast heeft voldaan, gaat de rechtbank niet meer in op de door de heffingsambtenaar ingebrachte HWK-berekening.
Vergoeding van immateriële schade
17. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De heffingsambtenaar heeft op 19 februari 2025 van belanghebbende een bezwaarschrift ontvangen. De periode tussen de datum van indiening van het bezwaarschrift en de datum van deze uitspraak is minder dan twee jaar. Belanghebbende heeft geen bekorting bepleit van de gebruikelijke termijn van twee jaren voor toekenning van immateriële schadevergoeding en de rechtbank ziet daar ook geen aanleiding toe. Daarom wijst de rechtbank dit verzoek af.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep ter zake van de WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelastingen is ongegrond. De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
19. Het voorgaande betekent dat belanghebbende geen proceskostenvergoeding ontvangt. Ook het griffierecht wordt niet vergoed.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Y. Gramsbergen, rechter, in aanwezigheid van H. van Huigenbos, griffier.
Deze uitspraak is uitgesproken op 22 mei 2026, vervolgens geplaatst in het digitale dossier en verzonden aan partijen op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vgl. Hof Amsterdam 9 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3272.
2.In gelijke zin Hof Amsterdam 11 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3661
3.Vgl. HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, rechtsoverweging 5.17 en HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106, rechtsoverweging 4.3.1.