Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2026:4525

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
ARN 24_4096 en 24_4097 TUS
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 3:2 AwbArt. 8:51a AwbArt. 8:80a AwbArt. 8:51b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde verkoopactiviteiten via Marktplaats

Eisers ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden en werden geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over meerdere jaren vanwege niet gemelde verkoopactiviteiten via Marktplaats. Het college baseerde zich op een stappenplan waarbij advertenties of inkomsten uit verkoop in een maand leiden tot schending van de inlichtingenverplichting.

De rechtbank beoordeelde per jaar en maand of sprake was van incidentele verkoop van privégoederen of op geld waardeerbare activiteiten. Voor veel maanden concludeerde de rechtbank dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat eisers de inlichtingenverplichting hadden geschonden, met name in 2015, 2016, 2017 en augustus 2019. Ook constateerde de rechtbank dat het college onvoldoende rekening had gehouden met eerder door eisers overgelegde informatie bij de beoordeling van rechtsverwerking, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Ten aanzien van de overschrijding van de maximale verblijfsduur in het buitenland in oktober 2021 oordeelde de rechtbank dat dit verwijtbaar was en dat het beroep op overmacht en dringende redenen faalde. De rechtbank stelde het college in de gelegenheid om de gebreken in de motivering en zorgvuldigheid te herstellen binnen acht weken en hield verdere beslissingen aan tot de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers de inlichtingenverplichting hebben geschonden in diverse maanden en stelt het college in de gelegenheid om de gebreken te herstellen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 24/4096 en ARN 24/4097 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer

in de zaken tussen

[eiser], eiser en [eiseres], eiseres, uit [plaats],

samen: eisers
(gemachtigde: mr. J.J.J. Broekhuizen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Putten, het college

(gemachtigden: W.S. Snellen en mr. G.J. Vooren).

Procesverloop

1. Bij besluit van 4 januari 2023 (het primaire besluit I) heeft het college het recht op bijstand over de periode van januari 2013 tot augustus 2022, met uitzondering van de maanden februari 2013, april 2013 en juni 2013, februari 2014, september 2015 en oktober 2021, ingetrokken vanwege inkomsten uit verkoopactiviteiten op online platforms, waarvan eiser geen melding heeft gemaakt. Over de maand oktober 2021 heeft het college het recht op bijstand ingetrokken in verband met overschrijding van de maximale verblijfsduur in het buitenland. Het college heeft het bedrag aan verleende bijstand over de betreffende maanden in zijn geheel teruggevorderd. Eveneens is de over de relevante maanden verstrekte bijzondere bijstand teruggevorderd. Daarnaast heeft het college het recht op bijstand over de maand september 2022 ingetrokken en de in deze maand verstrekte algemene bijstand in zijn geheel voor het nettobedrag teruggevorderd. Het totale bedrag van de terugvordering bedraagt € 175.691,53.
1.1.
Bij besluit van 25 januari 2023 (het primaire besluit II) heeft het college het terugvorderingsbedrag gewijzigd, omdat de vordering over 2022 in het besluit van 4 januari 2023 netto is teruggevorderd, maar inmiddels de loonbelasting en premies zijn afgedragen, als gevolg waarvan het bedrag over 2022 is gebruteerd. In het primaire besluit II bedraagt het bedrag van de terugvordering € 189.186,87.
1.2.
In het besluit op bezwaar van 14 mei 2024 (het bestreden besluit I) is het college, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 10 april 2024, gebleven bij gebruikmaking van de bevoegdheid om de vordering te bruteren als er loonbelasting en premies zijn afgedragen, zoals hier het geval. Het college heeft het primaire besluit II daarom gehandhaafd.
1.3.
In het besluit op bezwaar van 14 mei 2024 (het bestreden besluit II) heeft het college, onder verwijzing naar het hiervoor reeds genoemde advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 10 april 2024, het bezwaar gegrond verklaard en de terugvordering gematigd tot een bedrag van 50% van het oorspronkelijke bedrag - naar de rechtbank begrijpt het bedrag genoemd in het primaire besluit II -, omdat het college vindt dat niet in alle maanden volstrekt duidelijk is dat eiser inkomsten heeft verdiend ter hoogte van de bijstandsnorm. Eisers moeten daarom een bedrag van € 94.593,44 terugbetalen.
1.4.
Eisers hebben tegen de twee bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit I is geregistreerd onder 24/4097 en het beroep tegen bestreden besluit II is geregistreerd onder 24/4096. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft de beroepen geregistreerd onder 24/4096 en 24/4097 samen met een beroep van eisers geregistreerd onder 24/4095 op 3 februari 2026 gevoegd op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eisers en de gemachtigden van het college deelgenomen.
1.6.
Het college heeft tijdens de zitting het bestreden besluit in de zaak 24/4095 ingetrokken en het primaire besluit in die zaak herroepen. Gelet daarop heeft eiser tijdens de zitting het beroep in de zaak 24/4095 ingetrokken. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt, dat is toegezonden aan partijen.
1.7.
Deze tussenuitspraak betreft de beroepen geregistreerd onder 24/4096 en 24/4097.

Overwegingen

2. Eisers ontvingen vanaf 1 september 2006 bijstand naar de norm voor gehuwden.
2.1.
In mei 2021 ontving het college een melding van de consulent van eisers dat op de bankafschriften van eisers transacties zichtbaar waren die zouden kunnen duiden op werkzaamheden en inkomsten. Deze bankafschriften hebben eisers overgelegd in het kader van een verzoek om kwijtschelding van gemeentelijke belastingen over 2021. De sociale recherche stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de aan eisers verstrekte bijstand. De feitelijke onderzoeksgegevens en de conclusies die de sociale recherche op basis daarvan heeft getrokken, zijn vastgelegd in een rapport van 27 oktober 2022.
2.2.
Aan de hand van de onderzoeksgegevens en conclusies van de sociale recherche is op 16 november 2022 een ‘Rapportage wijziging’ met werkprocesnummer: [nummer] opgemaakt (Rapportage wijziging) en is het college overgegaan tot - voor zover hier van belang - de onder het procesverloop weergegeven besluitvorming.
3. Het college stelt vast dat uit het rapport van de sociale recherche blijkt dat eiser in de jaren 2013 tot en met 2022 513 advertenties op Marktplaats heeft geplaatst. Gelet op de aard van en het aantal goederen en het aantal transacties (in 2022 opgelopen naar 90 transacties per jaar) stelt het college zich op het standpunt dat geen sprake is van de incidentele verkoop van privégoederen, maar van op geld waardeerbare activiteiten. Het had eisers duidelijk moeten zijn dat de activiteiten op Marktplaats van invloed konden zijn op het recht op bijstand. Eisers hadden de activiteiten van eiser uit zichzelf en volledig moeten melden bij het college. Door dit na te laten hebben eisers de inlichtingenverplichting geschonden. Omdat het recht niet kan worden vastgesteld, levert dat een rechtsgrond op voor intrekking en terugvordering van de bijstand. Het college is van mening daarvan op juiste gronden gebruik te hebben gemaakt. Aan het voortzetten van de bijstand na de heronderzoeken in 2013, 2015 en 2017 konden eisers niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de bijstand ongewijzigd zou worden voortgezet. Het heronderzoek is in omvang beperkt (over 1 tot maximaal 3 maanden worden bankafschriften opgevraagd), zodat de transacties op jaarbasis niet zichtbaar waren. Ook was de hoeveelheid transacties in 2015 en 2017 in verhouding tot de transacties in de andere jaren relatief beperkt. Bovendien is in de brief uit 2013 over voortzetting van de bijstand opgenomen, dat eisers verplicht zijn alles te melden wat van invloed kan zijn op hun bijstand. Als eisers niet al op de hoogte waren van deze verplichting, dan is deze passage klip en klaar. Het handelen van eiser strookt hier niet mee; 8 maanden na deze brief heeft eiser op 13 juni 2014 een bedrag van
€ 8.360 op zijn rekening ontvangen in verband met de verkoop van een horloge.
Anders dan eiser, vindt het college de overschrijding van de maximale verblijfsduur in oktober 2021 verwijtbaar. Plotselinge ziekte als corona is geen reden om de termijn van 4 weken terzijde te schuiven, gelet op de rechtspraak. Bovendien gold ten tijde van de overschrijding geen uitzondering vanwege de coronapandemie. Daar komt nog bij dat eiser vooraf ook geen toestemming voor het verblijf heeft gevraagd.
De brutering van de vordering over 2022 na afloop van het boekjaar heeft het college gehandhaafd.
Omdat het college het niet in alle maanden volstrekt duidelijk vindt dat eiser inkomsten heeft verdiend ter hoogte van de bijstandsnorm, is het college overgegaan tot matiging tot 50% van het totale terugvorderingsbedrag.
In het kader van de toetsing van gebonden besluiten en het evenredigheidsbeginsel vindt het college zijn eigen belang, om de bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) terecht te laten komen bij de inwoners van de gemeente die deze bijstand nodig hebben om te voorzien in hun levensonderhoud, zwaarder wegen dan het belang van eisers om de terugvordering ongedaan te maken. Het stelsel kan alleen stand houden als de bijstandsgerechtigden zich aan de regels houden en hun inkomsten opgeven. Ten overvloede heeft het college opgemerkt dat eisers na 10 jaar een verzoek om kwijtschelding kunnen doen.
4. Eisers betwisten in beroep dat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten. Volgens hen hield eiser zich incidenteel bezig met de verkoop van privégoederen en kan gezien de aard van de goederen en het aantal transacties en advertenties in de jaren 2013 tot en met 2022 niet worden geconcludeerd dat de transacties niet voor eigen gebruik zijn. Zij hebben de inlichtingenverplichting niet geschonden.
Eisers stellen zich verder op het standpunt dat het college niet meer mag overgaan tot intrekking en terugvordering, omdat het college de situatie van eiser vanaf 2013 in stand heeft gelaten. Door eerder niet op te treden, terwijl het college zich nu baseert op de eerder ingeleverde informatie van eiser, is sprake van rechtsverwerking. Ook is sprake van verjaring, zo stellen eisers, in ieder geval wat betreft de terugvordering over de periode van januari 2013 tot en met 3 januari 2018. Intrekking en terugvordering zijn in strijd met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat na de heronderzoeken uit 2013, 2015 en 2017, de bijstand van eisers ongewijzigd is voortgezet. De aanvraag van 20 december 2018 voor de individuele inkomenstoeslag is toegekend voor de periode van 20 december 2018 tot 20 december 2019. De aanvraag van 7 juni 2019 voor kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen 2019 is toegewezen na het in dat kader overleggen van de bankafschriften over maart 2019 tot en met mei 2019. Ook in het kader van de aanvraag kwijtschelding gemeentelijke belasting 2021 heeft eiser bankafschriften over november 2020 tot en met februari 2021 overgelegd en daarmee voldaan aan zijn informatieplicht in het kader van een aanvraag. Al die jaren is eiser in de veronderstelling geweest dat wat hij deed binnen de juridische kaders was. Hij is niet aangesproken op zijn handelen, terwijl het college daarvan al die tijd op de hoogte was, dan wel had kunnen zijn.
Verder zijn eisers van mening dat sprake is van een motiveringsgebrek, omdat het college niet heeft toegelicht waarom het bedrag van de terugvordering is gematigd met 50% en niet met een ander (hoger) percentage.
Subsidiair voeren eisers aan dat de terugvordering in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat eisers nimmer in staat zullen zijn om het teruggevorderde bedrag gedurende hun leven terug te betalen. Ook doen eisers een beroep op dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Pw.
Ten aanzien van de maand oktober 2021 voeren eisers aan dat sprake is van een niet-verwijtbare overschrijding van de maximale verblijfsduur in het buitenland. Eiser moest in verband met een covid-infectie in een ziekenhuis in Turkije verblijven.
Verkoop goederen via internet (Marktplaats)
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiser in de te beoordelen periode via Marktplaats goederen te koop heeft aangeboden en dat er bijschrijvingen hebben plaatsgevonden op zijn bankrekening en Paypalrekening. Ook niet in geschil is, dat eisers hiervan geen melding hebben gemaakt aan het college.
5.1.
De rechtbank stelt verder vast, dat het geschil tussen partijen over de verkoop van goederen via internet (Marktplaats) zich concentreert rond twee hoofdvragen:
Hebben eisers de inlichtingenverplichting geschonden? De vraag of de inlichtingenverplichting is geschonden wordt beoordeeld per maand. Indien van schending van de inlichtingenverplichting sprake is en het recht op bijstand niet (schattenderwijs) kan worden vastgesteld, kan in beginsel worden overgegaan tot intrekking van het recht op bijstand en terugvordering van het aan bijstand ontvangen bedrag.
Is in het geval van eisers sprake van een beletsel om over te gaan tot intrekking en terugvordering? Dit, vanwege de informatie waarover het college al beschikte enerzijds uit controles in 2013, 2015 en 2017 en anderzijds in verband met de aanvraag van eiser van 20 december 2018 om een individuele inkomenstoeslag over 2019 en de aanvragen van eiser in 2019 en 2021 om kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen over 2019 respectievelijk 2021.
Hoofdvraag 1) Hebben eisers de inlichtingenverplichting geschonden?
6. Bij de beantwoording van de vraag of eisers in de periode in geding de inlichtingenverplichting hebben geschonden, is relevant of sprake is van incidentele verkoop van privégoederen. Dit geldt niet voor de maand oktober 2021, omdat de grondslag waarop de schending van de inlichtingenverplichting in die maand is gebaseerd een andere is. De rechtbank komt daarop terug in overweging 21 van deze tussenuitspraak.
6.1.
Voor ontvangers van bijstand is het niet verboden om goederen via internet te verkopen, op voorwaarde dat daarvan en van de daaruit verkregen inkomsten tijdig melding wordt gemaakt aan de bijstandverlenende instantie. De opbrengst van incidentele verkoop van privégoederen, al dan niet via internet, wordt in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan in beginsel geen mededeling hoeft te worden gedaan. Dit is vaste rechtspraak. [1]
6.2.
Of sprake is van al dan niet incidentele verkoop van privégoederen wordt niet zozeer beoordeeld per maand, zoals bij de vraag of sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, maar wordt beoordeeld in samenhang met (andere) verkoopactiviteiten die in een periode hebben plaatsgevonden.
Als gezien het aantal advertenties, de periode waarin deze zijn geplaatst en de aard van de goederen het niet slechts gaat om de incidentele verkoop van privégoederen, zijn de verkoopactiviteiten aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten. Omdat daarmee inkomsten kunnen worden verkregen, zijn die activiteiten onmiskenbaar van invloed op het recht op bijstand. Dat deels sprake is van herhaalde advertenties doet volgens vaste rechtspraak aan het karakter van handel niet af. [2]
6.3.
Indien wordt aangevoerd dat goederen enkel worden verkocht uit tijdverdrijf en uit praktisch oogpunt, kan dat een betrokkene niet baten. Het onderscheid tussen bedrijfsmatige en hobbymatige activiteiten is voor de bijstand geen relevant onderscheid, indien uit die activiteiten inkomsten kunnen worden genoten. Dit is vaste rechtspraak. [3]
6.4.
Met inachtneming van dit kader zal de rechtbank beoordelen of in de periode in geding sprake is van incidentele verkoop van privégoederen of niet en of eisers de inlichtingenverplichting in de maanden waarover de periode in geding zich uitstrekt hebben geschonden. [4]
Het jaar 2013
7. Het college heeft over 2013 de bijstand ingetrokken, met uitzondering van de bijstand in de maanden februari, april en juni 2013.
7.1.
In de andere 9 maanden zijn 35 advertenties geplaatst. Dat zijn gemiddeld bijna 4 advertenties per maand. Veel van de advertenties hebben betrekking op Mercedes onderdelen. Gelet op het aantal advertenties en de aard van de aangeboden goederen is de rechtbank van oordeel, dat in bedoelde 9 maanden geen sprake is van incidentele verkoop van privégoederen. De verkoopactiviteiten waren dan ook aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten. Omdat eiser daarmee inkomsten kon verwerven, waren die activiteiten onmiskenbaar van invloed op het recht op bijstand. Dit betekent dat eisers hiervan aan het college melding hadden moeten maken en dat zij, door dit niet te doen, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
7.1.1.
In augustus 2013 zijn 2 advertenties geplaatst, voor een Mercedes carburateur (vraagprijs € 350) en een autoband (vraagprijs € 5). In december is 1 advertentie geplaatst, voor een Mercedes rembekrachtiger met hoofdremcilinder (vraagprijs € 300). Gelet op de aard van deze goederen en de aantallen advertenties en de aard van de aangeboden goederen in de omliggende maanden, is de rechtbank van oordeel dat ook in de maanden augustus en december 2013 geen sprake was van incidentele verkoop van privégoederen.
7.1.2.
Gelet op de aantallen Mercedes onderdelen die werden aangeboden en het feit dat deze volgens de omschrijving in de advertenties voor verschillende modellen zijn (genoemd worden W124, W210, G-klasse), wordt het verweer van eiser dat hij een Mercedes heeft en dat hij soms een onderdeel voor deze Mercedes kocht en dan later weer verkocht, niet gevolgd.
Het jaar 2014
8. Het college heeft de bijstand over 2014 ingetrokken, met uitzondering van de bijstand in de maand februari 2014.
8.1.
In de andere 11 maanden zijn 59 advertenties geplaatst. Dat zijn gemiddeld meer dan 5 advertenties per maand. Veel van de advertenties hebben betrekken op Mercedes onderdelen. Ook zijn er veel advertenties voor gereedschap en er is een advertentie voor een auto (Citroën Picasso, vraagprijs € 600). Gelet op het aantal advertenties en de aard van de aangeboden goederen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van incidentele verkoop van privégoederen. Omdat eiser daarmee inkomsten kon verwerven, waren die activiteiten onmiskenbaar van invloed op het recht op bijstand. Dit betekent dat eisers hiervan aan het college melding hadden moeten maken en dat zij door dit niet te doen de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
8.1.1
In augustus 2014 is 1 advertentie geplaatst, voor een Mercedes rechterstoel (geen vraagprijs). Gelet op het aantal advertenties in de omliggende maanden en de aard van de in die maanden aangeboden goederen, is de rechtbank van oordeel dat ook in de maand augustus 2014 geen sprake was van incidentele verkoop van privégoederen.
Het jaar 2015
9. Het college heeft de bijstand ingetrokken over 2015, met uitzondering van de bijstand over de maand september 2015.
9.1.
Er zijn geen advertenties geplaatst in de maanden januari, augustus, september en december 2015. Het college heeft de bijstand van september 2015 niet ingetrokken, maar wel die van de maanden januari, augustus en december 2015. In de Rapportage wijziging is vermeld dat eiser in januari 2015 via Paypal inkomsten heeft gehad, dat in januari 2015 een bedrag van € 101,60 naar een Duitse rekening is overgemaakt en dat in augustus 2015 een betaling van € 175 heeft plaatsgevonden aan café [naam café].
9.2.
Tijdens de zitting heeft het college het volgende meegedeeld. Bij de beoordeling door het college of sprake is van schending van de inlichtingenverplichting, heeft het college de volgende stappen gezet:
  • Is/zijn in een maand advertentie(s) geplaatst op Marktplaats, dan is sprake van schending van de inlichtingenverplichting.
  • Zijn in een maand geen advertenties geplaatst, dan wordt gekeken of er inkomsten uit verkoop van goederen zijn geweest. Als die inkomsten er zijn, dan is sprake van schending van de inlichtingenverplichting.
9.3.
Bij het rapport van de sociale recherche is een aantal overzichten gevoegd, waaronder een overzicht van de bedragen die eiser via zijn bankrekening heeft ontvangen van derden en betaald aan derden (verder: het bankoverzicht) en een overzicht van de bedragen die eiser via Paypal heeft ontvangen van derden en betaald aan derden (verder: het Pp-overzicht).
9.4.
Uit het Pp-overzicht blijkt dat eiser in 2015 alleen bedragen heeft betaald via Paypal; hij heeft in 2015 geen bedragen ontvangen via Paypal.
Uit het bankoverzicht blijkt, zoals in het rapport van de sociale recherche is vermeld, dat eiser in januari en augustus 2015 een betaling aan een derde heeft gedaan. Uit het bankoverzicht blijkt niet dat eiser in januari, augustus of december 2015 betalingen van derden heeft ontvangen.
9.4.1.
Uit het Pp-overzicht en het bankoverzicht blijkt derhalve niet dat eiser in januari, augustus of december 2015 bedragen van derden heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat eiser in januari, augustus of december 2015 goederen heeft verkocht of inkomsten uit de verkoop van goederen heeft gehad. Op basis van de informatie in het dossier en met inachtneming van het door het college gehanteerde stappenplan, weergegeven in 9.2, heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat eisers in januari, augustus en december 2015 de inlichtingenverplichting hebben geschonden.
9.5.
In de overige 8 maanden van 2015 heeft eiser 17 advertenties geplaatst, dat is gemiddeld 2 per maand.
Weliswaar wisselen de advertenties in deze 8 maanden sterker in aantal per maand en zijn de goederen wat gevarieerder van aard, echter naar het oordeel van de rechtbank is over de jaren in de periode in geding vanaf 2013 bezien, in 2015 geen sprake van een duidelijke breuk in het patroon van advertenties (nog steeds veel Mercedes onderdelen, ook een Citroën onderdeel, gereedschap), zodat naar het oordeel van de rechtbank ook ten aanzien van deze 8 maanden geen sprake was van incidentele verkoop van privégoederen. Omdat eiser daarmee inkomsten kon verwerven, waren die activiteiten onmiskenbaar van invloed op het recht op bijstand. Dit betekent dat eisers hiervan aan het college melding hadden moeten maken en dat zij door dit niet te doen de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
9.5.1.
Met betrekking tot de maand juni 2015 overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende.
In het verweerschrift in bezwaar (pagina 6) heeft het college vermeld dat in (juni) 2015 via de creditcard een bedrag is ontvangen van € 1.000. In (augustus) 2016 is via de creditcard een bedrag van euro € 2.500 ontvangen. Tijdens de zitting heeft het college gesteld dat hij ervan uitgaat dat deze bedragen afkomstig zijn van derden, dat eiser dit niet heeft gemeld bij het college en dat ook hierdoor sprake is van schending van de inlichtingenverplichting.
Eiser heeft tijdens de zitting gesteld dat hij geen bedragen van derden heeft ontvangen op zijn creditcard, dat hij denkt dat dat ook niet kan en dat de bedragen die naar de creditcardrekening zijn gegaan alleen maar afkomstig kunnen zijn van de eigen bankrekening van eiser.
Op de website [website] is de volgende informatie opgenomen:
“Geld overmaken naar de creditcard van iemand anders, kan dat?
Nee, geld overmaken naar een creditcard van iemand anders kan niet. Dat kunnen alleen bedrijven, bijvoorbeeld als ze geld terugbetalen voor een bestelling die je via internet hebt gedaan.
Je kunt dus geen geld overschrijven naar een creditcard die niet van jezelf is. Een creditcard is gebonden aan één persoon.”
Andere websites verschaffen vergelijkbare informatie.
De rechtbank gaat ervan uit dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat eiser in juni 2015 en augustus 2016 van derden de genoemde bedragen heeft ontvangen op zijn creditcardrekening. Gelet op de weergegeven informatie is aannemelijk dat die bedragen afkomstig zijn van de eigen bankrekening van eiser.
Het jaar 2016
10. Het college heeft de bijstand over het jaar 2016 ingetrokken. Er zijn 17 advertenties geplaatst in 6 maanden.
10.1.
In de maanden januari, maart, mei, augustus, oktober en november 2016 heeft eiser geen advertenties geplaatst op Marktplaats. Conform het stappenplan van het college, weergegeven in 9.2, is er, indien er geen advertenties zijn geplaatst, geen sprake van schending van de inlichtingenverplichting, tenzij er inkomsten zijn ontvangen uit de verkoop van goederen.
10.2.
In het rapport van de sociale recherche is vermeld dat in al deze maanden door eiser betalingen zijn ontvangen via Paypal en in een enkele maand ook via de bankrekening. De rechtbank is van oordeel dat deze vaststelling niet juist is.
Uit het Pp-overzicht blijkt dat eiser in augustus 2016 een bedrag van € 190 heeft ontvangen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit bedrag geen inkomsten betreffen. Hij had dit bedrag dus moeten melden en heeft door dat niet te doen in augustus 2016 de inlichtingenverplichting geschonden. Ten overvloede verwijst de rechtbank hier nog naar hetgeen zij heeft overwogen in 9.5.1 met betrekking tot de maand augustus 2016.
In de maanden januari, maart, mei, oktober en november 2016 heeft eiser via Paypal alleen betalingen verricht, hij heeft via Paypal geen betalingen ontvangen. Uit het bankoverzicht blijkt dat eiser ook via de bank alleen betalingen aan derden heeft gedaan en dat hij geen bedragen heeft ontvangen van derden. Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat eiser in de maanden januari, maart, mei, oktober en november 2016 goederen heeft verkocht of inkomsten uit de verkoop van goederen heeft gehad. Op basis van de informatie in het dossier en met inachtneming van het door het college gehanteerde stappenplan uit 9.2 heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat eisers in januari, maart, mei, oktober en november 2016 de inlichtingenverplichting hebben geschonden.
10.3.
In de maanden februari, april, juni, juli, september en december 2016 heeft eiser 17 advertenties geplaatst. Dat zijn gemiddeld bijna 3 advertenties per maand. Gelet op het aantal advertenties en de aard van de aangeboden goederen (veel Mercedes onderdelen en een aantal Citroën onderdelen) is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van incidentele verkoop van privégoederen. Omdat eiser daarmee inkomsten kon verwerven, waren die activiteiten onmiskenbaar van invloed op het recht op bijstand. Dit betekent dat eisers hiervan aan het college melding hadden moeten maken en dat zij, door dit niet te doen, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
Het jaar 2017
11. Het college heeft de bijstand over het jaar 2017 ingetrokken, omdat het college uitgaat van transacties in het hele jaar. Volgens de Rapportage wijziging zijn er juli en december 2017 advertenties geplaatst. En in deze rapportage is ook vermeld dat er via Paypal inkomsten zijn in januari, maart, april, mei, juni, juli, september en oktober 2017. Uit bankafschriften blijken daarnaast inkomsten in februari en augustus 2017. In november 2017 wordt een retourbetaling gedaan voor een iPhone, zo is in de Rapportage wijziging opgenomen.
11.1.
Op basis van de bij de rapportage van de sociale recherche gevoegde overzichten volgt de rechtbank het college niet in wat is opgenomen in 11.
De rechtbank stelt vast dat er in 2017 slechts 4 advertenties zijn geplaatst, te weten 2 in juli 2017 en 2 in november 2017. Uit het Pp-overzicht blijkt dat eiser in oktober 2017 een bedrag heeft ontvangen van € 100. Uit het Pp-overzicht blijkt niet dat eiser in 2017 verder nog bedragen via Paypal heeft ontvangen.
Uit het bankoverzicht blijkt dat eiser op 14 oktober 2017 een bedrag van € 26,95 heeft betaald aan [persoon A] en dat dit bedrag op 3 november 2017 door eiser retour is ontvangen van [persoon A] (van dezelfde rekening) onder vermelding van “Geld retour Iphone 5c”. De rechtbank gaat ervan uit dat eiser op 14 oktober 2017 iets heeft gekocht, dat hij dat heeft teruggestuurd en vervolgens het geld retour heeft ontvangen. Van inkomsten door een verkoop is dan geen sprake. Uit het bankoverzicht blijkt niet dat eiser in 2017 andere betalingen heeft ontvangen.
11.2.
Gelet op het zeer geringe aantal advertenties in 2017 en het feit dat eiser slechts één keer een bedrag van een derde heeft ontvangen in 2017, heeft het college onvoldoende onderbouwd dat sprake is van schending van de inlichtingenverplichting in 2017. Dat één advertentie in juli 2017 en één advertentie in november 2017 betrekking hadden op een Mercedes onderdeel maakt dat niet anders.
Het jaar 2018
12. Het college heeft de bijstand van eisers over het jaar 2018 ingetrokken. Er zijn geen advertenties geplaatst in januari, juli en augustus 2018, maar volgens het college (Rapportage wijziging) zijn er in januari 2018 en augustus 2018 wel bedragen ‘ontvangen en/of betaald’.
12.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in januari 2018 via Paypal een bedrag heeft ontvangen van € 600 en in augustus 2018 een bedrag van € 550. Eiser heeft niet uitgelegd waarop deze bedragen betrekking hebben. Gelet op de hoogte van de bedragen is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat sprake is van inkomsten uit incidentele verkoop van privégoederen.
12.2.
In juli 2018 heeft eiser geen advertenties geplaatst. Maar eiser heeft via de bank wel een bedrag ontvangen voor de verkoop van een dolk/mes. Gelet op het aantal advertenties voor messen in 2018 en de aard van deze goederen, volgt de rechtbank het college dat geen sprake is van incidentele verkoop van een privégoed.
Volgens het door het college gehanteerde stappenplan, weergegeven in 9.2, moet geconcludeerd worden dat eiser ook in de maanden januari, juli en augustus 2018, waarin hij geen advertenties heeft geplaatst, wel inkomsten uit verkopen heeft ontvangen die hij niet heeft gemeld, als gevolg waarvan eisers in die maanden de inlichtingenverplichting hebben geschonden.
In de overige 9 maanden van 2018 zijn 40 advertenties geplaatst. Dat zijn gemiddeld 4,5 advertenties per maand. Gelet op het aantal advertenties en de aard van de aangeboden goederen, waaronder auto-onderdelen, (Fjallraven) kleding en - zoals hierboven al geconstateerd - (jacht)messen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van incidentele verkoop van privégoederen. Omdat eiser daarmee inkomsten kon verwerven, waren die activiteiten onmiskenbaar van invloed op het recht op bijstand. Dit betekent dat eisers hiervan aan het college melding hadden moeten maken en dat zij door dit niet te doen de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
Het jaar 2019
13. Het college heeft de bijstand over het jaar 2019 ingetrokken. In dit jaar, met uitzondering van de maand augustus 2019, zijn 75 advertenties geplaatst. Dat zijn gemiddeld meer dan 6 advertenties per maand.
13.1.
De rechtbank stelt vast dat uit de overzichten bij het rapport van de sociale recherche niet blijkt dat in augustus 2019 advertenties zijn geplaatst en evenmin dat eisers betalingen via Paypal of de bank hebben ontvangen. Gelet daarop is de rechtbank, met inachtneming van het stappenplan van het college uit 9.2, van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat eisers in augustus 2019 de inlichtingenverplichting hebben geschonden.
13.2.
Ten aanzien van de overige maanden in 2019 is de rechtbank gelet op het aantal advertenties en de aard van de aangeboden goederen van oordeel, dat geen sprake is van incidentele verkoop van privégoederen. Omdat eiser daarmee inkomsten kon verwerven, waren die activiteiten onmiskenbaar van invloed op het recht op bijstand. Dit betekent dat eisers hiervan aan het college melding hadden moeten maken en dat zij, door dit niet te doen, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
Het jaar 2020
14. Het college heeft de bijstand over het jaar 2020 ingetrokken. In dit jaar zijn 84 advertenties op Marktplaats geplaatst. Dat zijn gemiddeld 7 advertenties per maand. Gelet op het aantal advertenties en de aard van de aangeboden goederen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van incidentele verkoop van privégoederen. Omdat eiser daarmee inkomsten kon verwerven, waren die activiteiten onmiskenbaar van invloed op het recht op bijstand. Dit betekent dat eisers hiervan aan het college melding hadden moeten maken en dat zij, door dit niet te doen, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
14.1.
In de Rapportage wijziging is vermeld dat uit het bankoverzicht blijkt dat 52 transacties hebben plaatsgevonden in 2020. De rechtbank is van oordeel dat uit het bankoverzicht blijkt dat eiser 32 bedragen heeft ontvangen in 2020, die gelet op de omschrijving bij die betalingen, kennelijk betrekking hebben op de verkoop van allerlei goederen. Gelet op de aard en de aantallen was geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen. Eisers hadden aan het college melding moeten maken van deze inkomsten. Door dat niet te doen hebben zij de inlichtingenverplichting geschonden.
Het jaar 2021
15. Het college heeft de bijstand over het jaar 2021 ingetrokken. Op de (grondslag voor) intrekking van de bijstand over de maand oktober 2021 komt de rechtbank hierna in overweging 21 terug.
15.1.
In de overige 11 maanden van 2021 zijn 86 advertenties geplaatst op Marktplaats. Dat zijn gemiddeld bijna 8 advertenties per maand. Gelet op het aantal advertenties en de aard van de aangeboden goederen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van incidentele verkoop van privégoederen. Omdat eiser daarmee inkomsten kon verwerven, waren die activiteiten onmiskenbaar van invloed op het recht op bijstand. Dit betekent dat eisers hiervan aan het college melding hadden moeten maken en dat zij, door dit niet te doen, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
15.2.
In de Rapportage wijziging is vermeld dat uit het bankoverzicht blijkt dat 54 transacties hebben plaatsgevonden in 2021. De rechtbank is van oordeel dat uit het bankoverzicht blijkt dat eiser 29 bedragen heeft ontvangen in 2021, die gelet op de omschrijving bij die betalingen, kennelijk betrekking hebben op de verkoop van allerlei goederen. Gelet op de aard en de aantallen was geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen. Eisers hadden aan het college melding moeten maken van deze inkomsten. Door dat niet te doen hebben zij de inlichtingenverplichting geschonden.
Het jaar 2022
16. Het college heeft de bijstand ingetrokken over de periode van januari 2022 tot en met september 2022.
16.1.
In de maanden januari 2022 tot en met augustus 2022 (8 maanden) heeft eiser 90 advertenties geplaatst. Dat komt neer op gemiddeld 11 advertenties per maand. De rechtbank is van oordeel dat alleen al gelet op het hoge aantal advertenties niet kan worden gesproken van incidentele verkoop van privégoederen. Omdat eiser daarmee inkomsten kon verwerven, waren die activiteiten onmiskenbaar van invloed op het recht op bijstand. Dit betekent dat eisers hiervan aan het college melding hadden moeten maken en dat zij, door dit niet te doen, de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden.
16.1.
In de Rapportage wijziging is vermeld dat uit het bankoverzicht blijkt dat 22 transacties hebben plaatsgevonden tot en met juni 2022. De rechtbank is van oordeel dat uit het bankoverzicht blijkt, dat eiser 17 bedragen heeft ontvangen in de periode tot en met juni 2022, die gelet op de omschrijving bij die betalingen, kennelijk betrekking hebben op de verkoop van allerlei goederen. Gelet op de aard en de aantallen was geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen. Eisers hadden aan het college melding moeten maken van deze inkomsten. Door dat niet te doen hebben zij de inlichtingenverplichting geschonden.
16.2.
Met betrekking tot de maand september 2022 heeft het college in het Rapport wijziging vermeld, dat uit de bankafschriften blijkt dat in het hele jaar 2022 transacties zijn geweest en dat er ook in de maand september 2022 activiteiten zijn geweest. De rechtbank kan dit volgen. Uit de bankafschriften over de periode september 2022 (aanwezig in dossier 24/4095) blijkt dat eiser op 16 september 2022 een bedrag van € 27,50 heeft ontvangen onder vermelding van ‘Gesp longines’, op 26 september 2022 een bedrag van € 123,98 onder vermelding van ‘eBay’ en op 28 september 2022 een bedrag van € 109 onder vermelding van ‘Paypal’. Eisers hadden aan het college melding moeten maken van deze inkomsten. Door dat niet te doen hebben zij in september 2022 de inlichtingenverplichting geschonden.
Tussenconclusie Hoofdvraag 1
17. Gelet op dat wat de rechtbank heeft overwogen in 9.4.1, 10.2, 11.2 en 13.1 is in het bestreden besluit II onvoldoende gemotiveerd dat eisers de inlichtingenverplichting hebben geschonden in
- januari, augustus en december 2015,
- januari, maart, mei, oktober en november 2016,
- heel 2017, en
- augustus 2019.
Dit motiveringsgebrek strekt zich ook uit tot de intrekking en terugvordering over deze maanden. Het bestreden besluit II is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Hoofdvraag 2) Moet in het geval van eisers worden afgezien van intrekking en terugvordering?
18. Eisers betogen dat wat betreft de intrekking en terugvordering sprake is van rechtsverwerking en verjaring, dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en subsidiair wat betreft de terugvordering, dat sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel, dan wel van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
19. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser tijdens de zitting de beroepsgrond dat sprake is van verjaring heeft ingetrokken. De rechtbank laat deze beroepsgrond daarom buiten bespreking.
19.1.
Aan de gronden genoemd in 18 hebben eisers het volgende ten grondslag gelegd.
In de periode waarover het college de bijstand heeft ingetrokken en teruggevorderd, hebben eisers diverse keren bankafschriften aan het college overgelegd, namelijk in verband met:
- heronderzoeken door het college in 2013, 2015, 2017;
- de aanvraag inkomenstoeslag 2019;
- de aanvragen kwijtschelding gemeentelijke belastingen 2019 en 2021.
Samengevat komt het standpunt van eisers erop neer dat het college hierdoor op de hoogte was of had kunnen zijn van de activiteiten van eiser op Marktplaats en dat het college daarom niet tot intrekking en terugvordering mocht overgaan.
19.2.
Met betrekking tot de heronderzoeken is tijdens de zitting door het college meegedeeld dat het gebruikelijk was dat daarvoor bankafschriften over één tot drie maanden werden overgelegd (meestal drie maanden). Het college vermoedt dat die bankafschriften nog aanwezig zullen zijn in het dossier van de gemeente.
19.3.
De rechtbank constateert dat uit het rapport van de sociale recherche (pagina’s 3 tot en met 5) blijkt dat de sociaal rechercheurs de aanvragen kwijtschelding gemeentelijke belastingen over 2019 en 2021 en de in dat kader door eiser overgelegde bankafschriften over de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 mei 2019 en over de periode van 1 november 2020 tot en met 28 februari 2021, hebben ontvangen van de afdeling Financiën van de gemeente Putten.
De genoemde bankafschriften zijn als bijlage bij het rapport van de sociale recherche gevoegd. Uit deze bankafschriften (en uit het bankoverzicht) blijkt dat eiser in de periode van maart 2019 tot en met mei 2019 in totaal 10 betalingen heeft ontvangen voor de verkoop van goederen en in de periode van november 2020 tot en met 28 februari 2021 in totaal 11 betalingen.
19.4.
De rechtbank is van oordeel dat niet uitgesloten kan worden dat de bankafschriften en eventuele andere informatie die eiser in verband met de heronderzoeken, de aanvragen kwijtschelding gemeentelijke belastingen en de aanvra(a)g(en) om de individuele inkomenstoeslag aan het college heeft overgelegd, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de hiervoor genoemde beroepsgronden.
19.5.
Deze beroepsgronden heeft eiser ook al in bezwaar als bezwaargronden aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat het college naar aanleiding van deze gronden in bezwaar had moeten onderzoeken welke informatie op welk moment bij het college beschikbaar was en die informatie bij de beoordeling van het bezwaar had moeten betrekken. Omdat het college dat niet heeft gedaan, is het bestreden besluit II onzorgvuldig voorbereid.
Tussenconclusie Hoofdvraag 2
20. Gelet op wat de rechtbank onder 19.5 heeft overwogen is onvoldoende onderzoek verricht voordat het bestreden besluit II werd genomen en is daarom sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. Het bestreden besluit II is in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb.
Verblijf in het buitenland
21. Eisers betwisten niet dat eiser in oktober 2021 langer dan de maximaal toegestane duur in het buitenland heeft verbleven. Volgens eisers kan hem de overschrijding van de maximale verblijfsduur echter niet worden verweten. Eiser moest in verband met een covid-infectie een maand in een ziekenhuis in Turkije verblijven en was niet in staat om te reizen. Er was sprake van overmacht.
21.1.
Deze beroepsgrond van eisers slaagt niet. Vanwege de overschrijding door eiser van de maximale termijn van vier weken aaneengesloten verblijf in het buitenland waren eisers van rechtswege uitgesloten van recht op bijstand naar de gehuwdennorm over oktober 2021. [5] De reden van het (langdurige) verblijf buiten Nederland is in dat kader niet van belang. [6] In het midden kan daarom blijven waarom eiser zich genoodzaakt zag langer dan vier weken in Turkije te blijven.
21.2.
Het beroep van eisers op zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw baat hen niet. Volgens de wetsgeschiedenis is met artikel 16, eerste lid, van de Pw niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden ten aanzien van de toepassing van uitsluitingsgronden. [7] Of sprake was van overmacht bij overschrijding van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw bedoelde termijn, is voor de toepassing van artikel 16, eerste lid, van de Pw daarom evenmin van belang. [8]
Bovendien is artikel 16 van Pro de Pw een uitzonderingsbepaling. Dat brengt mee dat het op de weg van betrokkene ligt om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van die bepaling is voldaan. Zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw doen zich voor als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie is aan de orde indien een situatie van levensbedreigende aard is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. [9]
21.3.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in oktober 2021 in een acute noodsituatie verkeerde in vorenbedoelde zin. Het gestelde verblijf in het ziekenhuis in verband met Covid, waarvan tien dagen op de Intensive Care, dwingt niet zonder meer tot de conclusie dat sprake was van een acute noodsituatie. Evenmin kan dit worden afgeleid uit de door eiser overgelegde stukken, te minder nu twee van de door eiser overgelegde stukken onvertaald in de procedure zijn gebracht en de rechtbank deze om die reden niet in de beoordeling kan betrekken. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de behoeftige omstandigheden op geen enkele andere wijze waren te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk was. [10]
21.4.
Terecht heeft het college de bijstand over de maand oktober 2021 ingetrokken en het over die maand aan bijstand verstrekte bedrag van eisers teruggevorderd.
Conclusie en mogelijkheid tot herstel van de gebreken
22. Zoals hiervoor is overwogen onder 17 en 20 is het bestreden besluit II in strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van Pro de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
22.1.
Om het motiveringsgebrek in het bestreden besluit II te herstellen, moet het college aan de hand van het stappenplan inzichtelijk maken of in de maanden januari, augustus, december 2015 (9.4.1), januari, maart, mei, oktober en november 2016 (10.2), januari tot en met december 2017 (11.2), en augustus 2019 (13.1) op geld waardeerbare verkoopactiviteiten van eiser hebben plaatsgevonden, die niet door eisers zijn gemeld aan het college.
Daarnaast moet het college om het zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit II te herstellen, de informatie die eiser heeft overgelegd in het kader van de heronderzoeken, de aanvragen kwijtschelding gemeentelijke belastingen en de aanvra(a)g(en) om de individuele inkomenstoeslag, betrekken bij de beoordeling van het beroep van eisers op rechtsverwerking, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel en bij het subsidiaire beroep van eisers op het evenredigheidsbeginsel, dan wel op dringende redenen om van terugvordering af te zien.
22.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de vordering over 2022 te bruteren. Eventuele consequenties van het bepaalde op grond van 22.1 voor de brutering van de vordering over het jaar 2022 en dus voor bestreden besluit I en bestreden besluit II dient het college mee te nemen.
Datzelfde geldt voor consequenties voor het totale terugvorderingsbedrag en voor de matiging van dit bedrag tot 50 % in bestreden besluit II.
De rechtbank begrijpt dat het college tot matiging van het bedrag van de terugvordering is gekomen vanuit coulance. Nu het college in beginsel gehouden is het gehele terugvorderingsbedrag terug te vorderen, is de ruimte van de rechtbank om in het percentage van de matiging te treden zeer beperkt. Het college heeft tijdens de zitting toegelicht hiertoe te zijn gekomen vanwege een gelijkmatige verdeling. Dit komt de rechtbank niet onredelijk voor.
22.3.
De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college de gebreken kan herstellen op 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Overige procesmatige aspecten
23. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 2 weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen 4 weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
24. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak en die de rechtbank hebben gebracht tot het doen van deze tussenuitspraak. Dit, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2013. [11]
25. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:
- draagt het college op binnen
2 wekenaan de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid de gebreken te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen
8 wekenna verzending van deze tussenuitspraak de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en
mr. I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas, leden, in aanwezigheid van mr. B. de Vries, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM9097.
2.Vergelijk de uitspraken van de CRvB van 10 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:729 en 5 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3513.
3.Vergelijk de uitspraak van de CRvB van 20 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM3466.
4.Vergelijk de uitspraken van de CRvB van 21 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1522 en 14 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1313.
5.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de Pw.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 12 mei 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1083.
7.Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 47.
8.Vergelijk CRvB 12 juli 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1599.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4808.
10.Vergelijk CRvB 1 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:620.