ECLI:NL:RBGEL:2026:4765

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
ARN 23/3607, ARN 23/3543 en 23/4010
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbArt. 6 EVRMArt. 8:68 AwbArt. 2.12 lid 1 sub a Wabo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beslissing op bezwaar omgevingsvergunning padelbanen wegens motiveringsgebrek

De rechtbank Gelderland heeft in deze bestuursrechtelijke zaak geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal een motiveringsgebrek had in de beslissing op bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor de realisatie van twee padelbanen. Dit motiveringsgebrek betrof het niet meenemen van de extra geluidbelasting door de plaatsing van een balustrade aan de kopse kanten van de padelkooi in de ruimtelijke afweging.

Na een tussenuitspraak waarin het college werd verzocht het gebrek te herstellen, heeft het college een aanvullende motivering ingediend op basis van een deskundigennotitie van Peutz. De rechtbank oordeelt dat dit motiveringsgebrek is hersteld en dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven. Eisers voerden onder meer aan dat de geluidbelasting en de kwaliteit van het aanvullende onderzoek onvoldoende waren gemotiveerd, maar deze bezwaren werden door de rechtbank verworpen.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de procedurele termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep aanzienlijk is overschreden. De tennisvereniging, als partij in de procedure, krijgt daarom een schadevergoeding van € 2.000,- toegekend, waarvan een deel voor rekening van het college en een deel voor rekening van de Staat komt. Tevens worden proceskosten aan eisers toegekend.

De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar, verklaart de beroepen gegrond, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierechten, proceskosten en een deel van de schadevergoeding, terwijl de Staat het resterende deel van de schadevergoeding betaalt.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar wegens motiveringsgebrek, laat de rechtsgevolgen in stand en kent schadevergoeding toe voor overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 23/3607, ARN 23/3543 en 23/4010

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres 1], uit [plaats], eiseres 1

(gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw),

[eiser (als onderdeel van eisers 2)] en [eiseres (als onderdeel van eisers 2)], uit [plaats], samen: eisers 2

(gemachtigde: mr. M. van Hoorne),

[villapark (eisers 3)], uit [plaats],

[recreatiepark (eisers 3)], uit [plaats]
[resort (eisers 3)], uit [plaats], samen: eisers 3
(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en J.P.H. de Bruijn),
allen gezamenlijk eisers,
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berg en Dal

(gemachtigde: mr. M.L. van Kalsbeek).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:

[derde-partij]

(gemachtigde: [gemachtigde]); en
de Staat der Nederlanden(de minister van Veiligheid en Justitie). [1]

Samenvatting

1. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat het college met de aanvullende motivering het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek heeft hersteld. De beroepen van eisers zijn gegrond omdat er een motiveringsgebrek in de beslissing op bezwaar zit. Toch maakt dit de uitkomst niet anders, omdat de rechtbank de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 in stand laat. Dat betekent dat de omgevingsvergunning in stand blijft.

Procesverloop

2. Het college heeft op 26 september 2022 een omgevingsvergunning verleend aan de derde-partij voor het realiseren van twee padelbanen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Met de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023 heeft het college de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.1.
Eisers hebben (afzonderlijk) beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een (gezamenlijk) verweerschrift. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2025.
2.2.
In de tussenuitspraak van 27 november 2025 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen twaalf weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.3.
Het college heeft op 3 februari 2026, op basis van een deskundigennotitie van Peutz van 23 januari 2026 (hierna: de aanvullende notitie van Peutz), een aanvullende motivering van het bestreden besluit ingediend.
2.4.
Eiseres 1 en eisers 3 hebben hierop op 20 februari 2026 respectievelijk 11 maart 2026 schriftelijk gereageerd (hierna: de zienswijzen). Eisers 2 hebben niet gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft het college vervolgens nog gelegenheid geboden om te reageren op de zienswijze van eisers 3. Het college heeft daarvan gebruik gemaakt; zijn reactie is op 8 april 2026 bij de rechtbank binnengekomen. Voor eisers 3 was dit aanleiding om op 4 mei 2026 nog een aanvullende reactie naar de rechtbank te sturen.
2.6.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
2.7.
De tennisvereniging heeft geklaagd over de duur van de procedure.

Overwegingen

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak.
Welk gebrek heeft de rechtbank geconstateerd?
3.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd en voor zover hier van belang, overwogen dat de padelkooi (uitsluitend) aan de kopse kanten, de bouwvoorschriften met één meter overschrijdt. Door de plaatsing van een balustrade krijgt de padelkooi daar namelijk een hoogte van vier meter. Het college heeft de extra geluidbelasting als gevolg van de balustrade ten onrechte niet meegenomen in de ruimtelijke afweging en heeft onvoldoende gemotiveerd dat het toestaan van een hogere bouwhoogte (vanwege de balustrade) uitsluitend stedenbouwkundige gevolgen heeft. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om te motiveren waarom een toename van de geluidsbelasting ten gevolge van de balustrade niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is daarom gegrond en het besluit moet daarom in zoverre worden vernietigd.
3.2.
Het college is in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen door te motiveren wat de gevolgen van de balustrade zijn voor de geluidbelasting op de omgeving. Het college heeft met de brief van 3 februari 2026 van die gelegenheid gebruik gemaakt. De rechtbank moet daarom nu alleen nog beoordelen of het gebrek met de brief is hersteld en of door de aanvullende motivering de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. De rechtbank doet dat aan de hand van de zienswijzen van eisers. In die zienswijzen voeren eisers, samengevat, de volgende twee punten aan: (1) de toegepaste voorbereidingsprocedure; en (2) de kwaliteit van het aanvullende onderzoek.
Is er aanleiding om terug te komen op de in de tussenuitspraak gegeven oordelen?
4. Eisers 3 kunnen zich niet vinden in de in de tussenuitspraak van 27 november 2025 gegeven oordelen over de strijdigheden met het bestemmingsplan en de reikwijdte van de te maken afweging. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 13 mei 2025 [2] betogen eisers 3 dat de vergunning niet met toepassing van de kruimelgevallenregeling, [3] en daarmee de reguliere voorbereidingsprocedure, vergund had kunnen worden. Volgens eiser is de zaak die voorligt namelijk vergelijkbaar met de zaak waarin de Afdeling die uitspraak heeft gedaan. Daar ging het namelijk (ook) om een verleende omgevingsvergunning voor het realiseren van padelbanen, waarbij de glazen wanden van 4 meter hoog niet in overeenstemming waren met de planregels én er een aanlegvergunning nodig was voor het aanbrengen van de verhardingen voor de padelbanen. Eisers 3 stellen dat de situatie dat de Afdeling na de zitting in een vergelijkbare zaak een andersluidende uitspraak heeft gedaan, zo uitzonderlijk is dat kan en moet worden teruggekomen van de in de tussenuitspraak gegeven oordelen. Eisers betogen daarom dat het geding zoals dat na de tussenuitspraak wordt gevoerd, in tegenstelling tot wat de rechtbank daarover in rechtsoverweging 9 van de tussenuitspraak heeft gezegd, over meer dient te gaan dan de eventuele geluidsbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college in deze.
4.1.
Het college stelt zich primair op het standpunt dat in deze zaak artikel 4, onderdeel 3, van bijlage II van het Bor en daarmee ook de reguliere voorbereidingsprocedure terecht is toegepast. Daarnaast voert het college aan dat van een uitzonderlijke situatie geen sprake is, omdat de Afdelingsuitspraak van eerdere datum is dan de tussenuitspraak en verondersteld mag worden dat de oordelen in de tussenuitspraak zijn gegeven naar de stand van de rechtspraak op dat moment. Inhoudelijk gezien brengt het college nog naar voren dat de Afdelingsuitspraak niet toepasbaar is in de voorliggende zaak.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak mag de rechtbank slechts in uitzonderlijke gevallen terugkomen van een in een tussenuitspraak gegeven oordeel. [4] Daarvan is in dit geval geen sprake.
4.3.
De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat het geding zoals dat na die tussenuitspraak kan worden gevoerd in beginsel beperkt blijft tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in die tussenuitspraak. Daarbij heeft de rechtbank aangekondigd dat zij het in beginsel in strijd met de goede procesorde acht als na de tussenuitspraak nieuwe geschilpunten worden ingebracht. Specifiek voor deze zaak heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat het geschil dus alleen nog gaat over de eventuele geluidsbelasting die de balustrade meebrengt en de aanvullende motivering van het college op dit punt, omdat op alle andere onderwerpen in de tussenuitspraak al is ingegaan.
4.4.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van dit in de tussenuitspraak geformuleerde uitgangspunt. Daarvoor is van belang dat de Afdelingsuitspraak waar eisers 3 naar verwijzen weliswaar dateert van ná de zitting in de voorliggende zaak, maar dat de tussenuitspraak van weer latere datum is. Dat betekent dat de Afdelingsuitspraak is meegenomen in de oordeelsvorming van de rechtbank, omdat als uitgangspunt geldt dat de rechtbank uitspraak doet naar de stand van de rechtspraak op het moment van de (tussen)uitspraak. Overigens hadden eisers 3 naar aanleiding van de Afdelingsuitspraak om heropening van het onderzoek kunnen verzoeken, [5] vóórdat de rechtbank uitspraak zou doen. Zij hebben daarvan afgezien, ondanks dat daar ruimschoots tijd voor was.
4.5.
Ook in de beroepsgrond die eisers 3 aanvoeren en die gaat over de onterechte toepassing van de kruimelgevallenregeling en de reguliere voorbereidingsprocedure, ziet de rechtbank geen aanleiding om terug te komen op de tussenuitspraak. Deze beroepsgrond is namelijk niet nieuw en in wezen al beoordeeld in de tussenuitspraak van 27 november 2025. Omdat de rechtbank in de tussenuitspraak tot het oordeel is gekomen dat padel op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, is zij niet toegekomen aan het betoog van eisers 3 dat vanwege strijdigheid met het bestemmingsplan het gebruik van de gronden voor padel met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure had moeten worden vergund. [6] Ook ambtshalve heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure heeft toegepast. [7]
Heeft het college het gebrek hersteld?
5. Eiseres 1 betoogt dat het college het gebrek niet heeft hersteld en dat de aanvullende notitie van Peutz de conclusie van het college dat de geluidsbijdrage van de balustrade op de totale geluidsemissie van de padelbanen akoestisch verwaarloosbaar is, niet kan dragen. Daartoe voert eiseres 1 aan dat:
  • de frequentie van het contact van de bal met de balustrade is onderschat, omdat geen rekening is gehouden met het gebrek aan balcontrole van recreanten en incidentele padelspelers;
  • de focus op het geluidniveau van het balcontact met de balustrade te beperkt is, omdat juist de tonaliteit en het impulsieve karakter van het geluid binnen de context van een camping (waarin enkel een tentdoek als scheidingswand met de omgeving dient) belastend is;
  • de balustrade een hogere spelintensiteit faciliteert; en
  • dat de gegevens waarmee het college de stellingen vergelijkt, dateren uit 2019 en daarmee verouderd zijn.
5.1.
Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd. [8]
5.2.
In de aanvullende notitie concludeert adviesbureau Peutz
“dat het aantal keer dat de bal de balustrade raakt (gecombineerd - zowel rechtstreeks als via de grond) minder dan 1% van het aantal slagen tijdens het padellen bedraagt. De geluidemissie die hierdoor wordt veroorzaakt, is bovendien lager dan de geluidemissie van het gemiddelde padelspel (alle slagen gecombineerd). Daaruit volgt dat de geluidbijdrage van de balustrade minder dan 1% bedraagt van de totale geluidemissie van de padelbaan. Dit kan als akoestisch verwaarloosbaar beschouwd worden.”Het college heeft mogen afgaan op dit advies nu er door eiseres 1 geen tegenadvies is ingediend van een deskundige met een andersluidende conclusie. De opsomming van niet nader onderbouwde tekortkomingen die eiseres 1 aan de notitie verbindt zijn daarmee niet gelijk te stellen. Daarvoor acht de rechtbank bijvoorbeeld van belang dat niet is komen vast te staan dat adviesbureau Peutz bij de berekening van de frequentie van het balcontact geen rekening heeft gehouden met de vaardigheid van de padelspelers. Hoewel gebruik is gemaakt van spelanalysegegevens van spelers uit de Italiaanse sub-elite competitie, is in het rapport wel degelijk erkend dat de contactfrequentie afhangt van het niveau van de spelers. De rechtbank verwijst daarvoor naar de volgende passages in de aanvullende notitie van Peutz:
“Hierbij is uiteraard sprake van enige mate van spreiding, die mede afhangt van het niveau van de spelers.”
“Naast het literatuuronderzoek zijn ook meerdere recreatieve padelspelers geraadpleegd, om een inschatting te vragen van het aantal keer dat de bal de balustrade raakt tijdens hun spel (op welke wijze dan ook). De consensus uit deze steekproef is dat de balustrade “enkele malen” per uur geraakt wordt.”
Daarnaast heeft eiseres 1 onvoldoende onderbouwd dat het college de aard van het geluid met de aanvullende notitie van Peutz heeft genegeerd. De stelling van eiseres 1 dat het contact van een ‘harige’ bal met een ijzeren balustrade leidt tot een schel rinkelend geluid, volgt de rechtbank niet. Dit zou voorstelbaar zijn in geval van twee metalen objecten die met elkaar in aanraking komen, maar daar is in dit geval geen sprake van. Wat eiseres 1 verder nog naar voren brengt over het impulsieve karakter van het geluid en de context van de camping waarin de geluidsbelasting wordt ervaren, merkt de rechtbank op dat dat voor het contact van de bal met de balustrade niet anders geldt dan voor het contact van de bal met de glazen wand. En dat laatste is in principe binnen de kaders van het bestemmingsplan toegestaan. In wat eiseres 1 hierover heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding om te oordelen dat de aard of de contact van het geluid onterecht onderbelicht is door het college.
De opmerking van eiseres 1 dat de balustrade een hogere spelintensiteit faciliteert is voor de rechtbank ook geen aanleiding om te twijfelen aan de aanvullende notitie van Peutz. Daarvoor is van belang dat de balustrade weliswaar ballen binnen het speelveld houdt, maar dat dat niet betekent dat het spel ongestoord en met een hoge spelintensiteit doorgang kan vinden. Dat is af te leiden uit de (relevante) spelregels die het college in zijn aanvullende motivering benoemt:
“Een bal mag namelijk niet rechtstreeks het metalen hekwerk (waartoe ook de balustrade behoort) raken. De bal is dan ‘uit’. Een bal mag ook niet teruggespeeld worden via het hekwerk. Spelers zullen een dergelijke slag in het spel daarom zo veel mogelijk proberen te voorkomen. Wel mag de bal na één keer stuiteren op de grond het hekwerk raken. Om echter in die situatie tot aan de balustrade te komen, moet de bal na één keer stuiteren op de grond nog zoveel kracht hebben dat de bal meer dan 3 meter hoog opveert. De meeste ballen halen dit niet.”
Tot slot acht de rechtbank de opmerking dat het college verouderde gegevens betrekt bij de waardering van de stellingen van adviesbureau Peutz over de ruimtelijke aanvaardbaarheid, onvoldoende om aan de aanvullende notitie van Peutz of de aanvullende motivering van het college te twijfelen. Vooral omdat eiseres 1 daar zelf geen recentere gegevens tegenover zet, en zij in haar formulering eigenlijk laat doorschemeren dat de gegevens uit 2019 ook wel zouden kunnen voldoen. Zo voert eiseres 1 aan:
“Het is onzorgvuldig om de ruimtelijke aanvaardbaarheid in 2026 te baseren op meetgegevens uit 2019, diemogelijk(onderstreping: rechtbank) niet voldoen aan de huidige stand der techniek qua meting van impuls- en tonaal geluid.”
5.3.
Gelet op wat de rechtbank onder 5.2 heeft overwogen slaagt het betoog van eiseres 1 niet.
5.4.
Daarnaast hebben eisers 3 in hun reactie op de brief van het college aangegeven geen op- of aanmerkingen te hebben over de aanvullende notitie van Peutz of de gegeven motivering van het college en hebben eisers 2 helemaal niet meer gereageerd op de brief van het college. De rechtbank oordeelt daarom dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toename van de geluidsbelasting op de directe omgeving ten gevolge van de balustrade van de padelbaan verwaarloosbaar is en dat de balustrade dus enkel stedenbouwkundige gevolgen heeft.
Schadevergoeding overschrijding redelijke termijn
6. De rechtbank ziet in de klacht van de tennisvereniging over de lange duur van de procedure een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Daarvoor is niet vereist dat iemand beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. [9] Over het verzoek om schadevergoeding van de tennisvereniging oordeelt de rechtbank als volgt.
6.1.
De redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een zaak waarbij het besluit is voorbereid met de reguliere voorbereidingsprocedure, begint de redelijke termijn op het moment dat bezwaar is gemaakt tegen het besluit. De behandeling van de zaak tot en met de uitspraak in beroep mag maximaal twee jaar duren. [10] De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond.
6.2.
Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid ten laste van het college respectievelijk de Staat worden uitgesproken. De regel die daarbij geldt is dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt, en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.
6.3.
In een geval als dit, waarin eerst na een tussenuitspraak einduitspraak wordt gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel in zijn geheel aan het college toegerekend. Indien echter in de loop van de procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat. Van een te lange behandelingsduur bij de rechter is geen sprake als de periode van het instellen van beroep bij de rechtbank tot de tussenuitspraak ten hoogste anderhalf jaar heeft geduurd en de rechtbank vervolgens binnen één jaar einduitspraak doet na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld. [11]
6.4.
In deze zaak is het eerste bezwaarschrift, dat van eisers 3, ingediend op 24 oktober 2022. Daarna volgden de twee bezwaarschriften van eiseres 1 en eisers 2 op 1 november 2022. Dat betekent dat inmiddels 43 maanden zijn verstreken en de redelijke termijn met 19 maanden is overschreden.
6.5.
De schadevergoeding bedraagt € 500,- voor ieder half jaar dat de termijn is overschreden. Van het moment van het indienen van het bezwaar tot deze uitspraak komt dat neer op een overschrijding van 19 maanden. Dat betekent dat de tennisvereniging aanspraak maakt op een schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn van € 2.000,-. Voor dit verzoek krijgt de tennisvereniging een proceskostenvergoeding van 1 punt (€ 934,- per punt) met een wegingsfactor 0,5. [12] Dat komt neer op een proceskostenvergoeding van € 467,-.
6.6.
De behandeling door de rechtbank van het beroep tegen het besluit van 22 mei 2023 heeft vanaf de ontvangst van het eerste beroepschrift op 16 juni 2023 tot de tussenuitspraak op 27 november 2025 afgerond naar boven 30 maanden geduurd. Dit is 12 maanden langer dan de redelijke termijn in de rechterlijke fase. Vervolgens heeft de rechtbank binnen één jaar einduitspraak gedaan. Hieruit volgt dat een overschrijding van 7 maanden aan het college is toe te rekenen en 12 maanden aan de rechtbank. Het bedrag van € 2.000,- zal naar evenredigheid worden toegerekend aan het college en de Staat. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van een bedrag van totaal € 908,89,- (7/19 x € 2.000,- en 7/19 x € 467,-) en de Staat tot betaling van een bedrag van totaal € 1.558,11 (12/19 x € 2.000,- en 12/19 x € 467,-).

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, zijn de beroepen van eisers gegrond. De rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023. Omdat het college in zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
7.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgen eisers een vergoeding voor hun proceskosten. Het college moet die vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert punten op voor de verschillende proceshandelingen: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus. Dat betekent dat voor eisers de volgende vergoedingen aan de orde zijn:
punten
vergoeding
eiseres 1
2,5
€ 2.335, -
eisers 2
2
€ 1.868, -
eisers 3
2,5
€ 2.335, -
De vergoeding bedraagt in totaal dus € 6.538, -.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar van 22 mei 2023;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 365,- aan eiseres 1, van € 184,- aan eisers 2 en van € 365,- aan eisers 3 te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 2.335,- , van eisers 2 tot een bedrag van € 1.868,- en eisers 3 tot een bedrag van € 2.335,- ;
  • veroordeelt het college tot het betalen van een schadevergoeding van € 908,89,- aan de tennisvereniging;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.558,11 aan de tennisvereniging.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. S.G. Hoijinck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De minister ziet af van het voeren van verweer, zie de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935,
3.Artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 2o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) samen met artikel 4, derde onderdeel, van bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).
4.Uitspraak van de Afdeling van 13 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3481.
5.Deze mogelijkheid vloeit voort uit de bevoegdheid van de rechtbank om op grond van artikel 8:68 van Pro de Awb het onderzoek te heropenen.
6.Eisers 3 verwijzen hierbij naar artikel 2.1 onder c in samenhang gelezen met artikel 2.12 lid 1 sub a onder 3 van de Wabo.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2029, ECLI:NL:RVS:2019:3031 r.o. 3.2
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1182.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4040, r.o. 10.2.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.3.
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5367, r.o. 2.3.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294.