ECLI:NL:RBGEL:2026:482

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
ARN 24_5165
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32 AwbArt. 8:57 AwbArt. 56, tweede lid, Wet WIAArt. 9 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling mate arbeidsongeschiktheid en datum in geding bij WIA-uitkering

Eiser betwist de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van 61,25% per 13 juli 2023. De rechtbank onderzoekt of het UWV de juiste datum in geding heeft gehanteerd en of de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen terecht is meegenomen in de beoordeling.

De rechtbank stelt vast dat het UWV terecht is uitgegaan van de datum van 13 juli 2023 als datum in geding, waarop de mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt. De functie van huishoudelijk medewerker gebouwen was op die datum nog actueel en mocht daarom worden betrokken bij de beoordeling. De door eiser aangevoerde argumenten over de ouderdom van de functie en de toepasselijkheid van eerdere jurisprudentie worden verworpen.

Gelet op deze overwegingen is het beroep van eiser ongegrond en wordt het besluit van het UWV bevestigd. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid door het UWV wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/5165

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser

(gemachtigde: mr. drs. E.C. Spiering),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: A. van Klaveren-Drost).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Werktalent Flex B.V. uit [plaats 2] (ex-werkgever).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid van eiser van 61,25% per 13 juli 2023. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser heeft vastgesteld op 61,25% per 13 juli 2023.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV dit terecht heeft vastgesteld. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 2 augustus 2023 heeft het UWV besloten dat de aan eiser met ingang van 23 november 2022 toegekende loongerelateerde WGA [1] -uitkering wordt beëindigd per 23 november 2024, omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.
2.1.
Bij het bestreden besluit van 26 juni 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiser tegen het besluit van 2 augustus 2023 gegrond verklaard en bepaald dat de uitkering van eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) wordt voortgezet per 23 november 2024, omdat eiser meer dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft een nadere reactie ingebracht waar het UWV op heeft gereageerd.
2.3.
Omdat eiser geen toestemming heeft gegeven om zijn medische gegevens aan ex-werkgever te verstrekken, heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat kennisneming van medische stukken is voorbehouden aan een door de derde-partij aan te wijzen gemachtigde, arts of een derde. Ex-werkgever heeft niemand aangewezen. De rechtbank zal terughoudend zijn met het opnemen van gedetailleerde inhoudelijk medische overwegingen in deze uitspraak om te voorkomen dat ex-werkgever alsnog kennisneemt van de medische situatie van eiser.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is van 7 april 2008 tot 1 mei 2019 werkzaam geweest als magazijnmedewerker voor gemiddeld 40,92 uur per week bij De Groot International B.V. Hierna is aan hem een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Op 24 november 2020 is hij gaan werken als magazijnmedewerker via ex-werkgever. Per 25 november 2020 heeft hij zich ziek gemeld vanwege gezondheidsklachten. Met ingang van 24 februari 2021 is aan hem ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Op 23 augustus 2022 heeft eiser een WIA-uitkering aangevraagd.
3.1.
Hierna heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden waarbij eiser op 13 juli 2023 is gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts. De verzekeringsarts heeft de beperkingen voor arbeid van eiser vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) per de datum einde wachttijd van 22 november 2022 en in een FML per de datum van het spreekuur, 13 juli 2023. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige vastgesteld dat eiser per 22 november 2022 62,28% arbeidsongeschikt is en per 13 juli 2023 29,98%. Als gevolg hiervan is bij besluit van 2 augustus 2023 aan eiser een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met ingang van 23 november 2022 tot en met 22 november 2024. Bij besluit van diezelfde datum is het besluit zoals vermeld onder 2 genomen. Een eerdere beëindiging tijdens de duur van de loongerelateerde WGA-uitkering kan op grond van artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA niet plaatsvinden.
3.2.
In bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) meer beperkingen voor arbeid aangenomen, vastgelegd in een FML van 8 mei 2024, die volgens de verzekeringsarts b&b geldt vanaf de datum van 22 november 2022. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige b&b vastgesteld dat de door de primaire arbeidsdeskundige geduide functies voor eiser per 22 november 2022 nog steeds geschikt zijn en eiser dus per die datum onveranderd 62,28% arbeidsongeschikt is. Voor wat betreft de datum van 13 juli 2023 heeft de arbeidsdeskundige b&b vastgesteld dat de eerder door de arbeidsdeskundige geduide functies niet geschikt zijn, waarop hij nieuwe functies heeft geduid. Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige b&b vastgesteld dat eiser per 13 juli 2023 61,25% arbeidsongeschikt is. Vervolgens is aan eiser op 5 juni 2024 een voornemen wijziging beslissing kenbaar gemaakt. Eiser heeft hierop gereageerd waarna de verzekeringsarts b&b en arbeidsdeskundige b&b een nadere reactie hebben ingebracht. Hierna is het bestreden besluit genomen zoals vermeld onder 2.1.
Is de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen terecht aan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling ten grondslag gelegd?
4. Eiser voert aan dat de functie van huishoudelijke medewerker gebouwen niet geduid had kunnen worden omdat die functie voor het laatst op 17 mei 2022 is geactualiseerd en dus op 23 november 2024 ouder is dan 24 maanden. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, laatste volzin van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit). Omdat er voor deze functie ook geen reservefuncties zijn geduid die hiervoor in de plaats kunnen komen, moet de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser worden vastgesteld op 80 tot 100%. Eiser gaat daarbij uit van de datum van 23 november 2024 omdat in het bestreden besluit staat dat eiser vanaf 23 november 2024 doorlopend recht heeft op een WIA-uitkering omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 23 november 2024 is vastgesteld op 61,25%. Dit berust er op dat eiser op die datum in staat is geacht tot het verrichten van geduide functies, waaronder de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen. De beslissing heeft het rechtsgevolg van toekenning van een WGA-vervolguitkering, berekend naar de klasse van 55 tot 65%. Steun voor eisers standpunt vindt hij in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 april 2021, waarin de CRvB in een vergelijkbare situatie stelt dat het gaat om het moment van de datum waarop de ter gelegenheid van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gegeven beschikking betrekking heeft. [3]
4.1.
In het door eiser genoemde artikel 9 van Pro het Schattingsbesluit staat, voor zover hier relevant:
“De gegevens met betrekking tot de in aanmerking genomen functies, met alle daaraan verbonden specifieke aspecten inzake belasting, beloning en opleidingseisen mogen op het moment van de datum waarop de ter gelegenheid van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling gegeven beschikking betrekking heeft, niet ouder zijn dan 24 maanden.”
4.2.
Dit betekent dat de gegevens met betrekking tot de geselecteerde functie van huishoudelijk medewerker gebouwen op het moment van de datum in geding niet ouder mogen zijn dan 24 maanden. [4]
4.3.
In geschil is wat hier de datum in geding is. Naar het oordeel van de rechtbank is het UWV terecht uitgegaan van de datum van 13 juli 2023 als zijnde de datum in geding. Het UWV heeft in dit verband terecht gewezen op de uitspraak van de CRvB van 26 februari 2021. [5] Daaruit volgt dat uitgegaan moet worden van de datum waarvan het UWV bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid is uitgegaan en waarvan door het UWV is vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid op die datum wijzigt. Dat is in dit geval de datum van 13 juli 2023. Per die datum wijzigt het percentage arbeidsongeschiktheid van eiser. Deze wijziging leidt ertoe dat de WIA-uitkering van eiser, na een eerst bij primair besluit ten onrechte beëindiging, doorloopt. Eiser wijst erop dat de beslissing tot rechtsgevolg heeft dat een WGA-vervolguitkering wordt toegekend, maar dat is niet wat in het bestreden besluit staat. Daarin staat dat eiser na de loongerelateerde uitkering per 23 november 2024 recht heeft op een loonaanvullingsuitkering of een vervolguitkering en dat over welke uitkering hij ontvangt en de hoogte daarvan, hij nog nader zal worden geïnformeerd voor afloop van de loongerelateerde uitkering. Dat betekent ook dat het eiser tegen die tijd vrij staat om tegen dat besluit bezwaar te maken als hij het daar niet mee eens is. Dan is in die procedure 23 november 2024 de datum in geding. In deze procedure is dat niet het geval.
4.4.
Het UWV wijst er verder terecht op dat de uitspraak van de CRvB van 16 april 2021, waar eiser naar heeft verwezen, geen vergelijkbare situatie betreft, omdat het in die zaak ging om de beëindiging van een WIA-uitkering, hetgeen hier niet het geval is.
4.5.
Of nu moet worden uitgegaan van de datum van actualisatie van de functie (17 mei 2022) of de datum van heronderzoek van de functie door de arbeidsdeskundig analist (22 februari 2022), waar het UWV volgens het verweerschrift van uitgaat, in beide gevallen was de functie op de datum in geding nog voldoende actueel.
4.6.
Het voorgaande betekent dat de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen terecht aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag is gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser heeft vastgesteld op 61,25% per 13 juli 2023. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.Artikel 8:57 van Pro de Awb maakt dat mogelijk.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3711.