ECLI:NL:RBGEL:2026:4853

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
AWB - 24/2880
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen toekenning WGA-uitkering met 42,96% arbeidsongeschiktheid

Eiser maakte bezwaar tegen het UWV-besluit van 24 maart 2023 waarin hem een WGA-uitkering werd toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 42,96%. Hij betwistte de juistheid van het medisch onderzoek en de vastgestelde beperkingen, en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig is uitgevoerd, waarbij verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen de beperkingen adequaat hebben vastgesteld. De door eiser aangevoerde klachten en beperkingen zijn in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) verwerkt, en het aanvullende rapport van januari 2026 bevestigt dat geen extra beperkingen noodzakelijk zijn.

Eisers verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige wordt afgewezen, omdat geen aanwijzingen bestaan voor onzorgvuldigheid of onvolledigheid in het medisch onderzoek. Ook de door eiser aangevochten geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies wordt verworpen, mede op basis van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep.

Hoewel het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, passeert de rechtbank dit met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro, omdat eiser hierdoor niet is benadeeld. Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit tot toekenning van een WGA-uitkering met 42,96% arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2880

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. E. Yilmaz),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: J.M. Marquenie).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van een WGA [1] -uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aan eiser per 24 april 2023 (de datum in geding), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 42,96%. Eiser is het niet eens met het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toekenning van de WGA-uitkering aan eiser.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV een juiste beslissing heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 24 maart 2023 heeft het UWV aan eiser een WIA-uitkering toegekend per 24 april 2023, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 42,96%. Met het bestreden besluit van 26 maart 2024 is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
2.3.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
2.4.
Naar aanleiding van de schorsing van het onderzoek heeft het UWV bij brief van
7 januari 2026 een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) toegestuurd.
2.5.
Bij brief van 10 maart 2026 heeft eiser hierop gereageerd.
2.6.
Geen van de partijen heeft, nadat zij zijn gewezen op hun recht nogmaals ter zitting te worden gehoord, binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van dit recht. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten. [2]

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser was tot 1 november 2020 werkzaam als procesoperator/magazijnmedeweker bij [naam bedrijf] B.V. voor gemiddeld 37,47 uur per week. Aansluitend ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 26 april 2021 heeft eiser zich vanuit de WW ziekgemeld vanwege belemmerende gezondheidsklachten (voetklachten en psychische klachten). Op 24 april 2023 bereikte eiser het einde van de wachttijd in het kader van de Wet WIA.
3.1.
Op 8 januari 2023 heeft eiser een WIA-aanvraag ingediend. Vervolgens heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het UWV. Met het besluit van 24 maart 2023 heeft het UWV aan eiser een WIA-uitkering toegekend per 24 april 2023, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 42,96%. Op 11 april 2023 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.2.
Vervolgens heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts b&b en een arbeidsdeskundige b&b ten grondslag. De verzekeringsarts b&b heeft aanleiding gezien om de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op bepaalde punten te wijzigen. De gewijzigde FML gaf de arbeidsdeskundige b&b geen aanleiding om het – door de (primaire) arbeidsdeskundige vastgestelde – arbeidsongeschiktheidspercentage van 42,96% aan te passen.
Is het medisch onderzoek door het UWV zorgvuldig geweest?
4. Eiser voert aan dat het medisch onderzoek door het UWV niet zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts b&b heeft nagelaten om gerichte(re) vragen te stellen aan de huisarts over de dag- en nachtrust van eiser, de ernst van zijn aandoeningen en de toegenomen behoefte tot herstel, ondanks dat aan de verzekeringsarts b&b een machtiging is verstrekt om juist (ook) hierover informatie te winnen.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het UWV zijn besluiten omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. [3]
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek door het UWV voldoende zorgvuldig geweest. Daarbij is het volgende van belang. Uit het rapport van de primaire verzekeringsarts volgt dat het dossier en de beschikbare (medische) informatie is bestudeerd. Eiser bezocht het spreekuur op 14 februari 2023, waar een psychisch en lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Ook is een (uitgebreide) anamnese afgenomen. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat in bezwaar dossierstudie is verricht en dat de in bezwaar overgelegde informatie van de behandelend sector (reumatoloog en psychiater) is bestudeerd. Ook is informatie opgevraagd bij de huisarts. Deze informatie is kenbaar bij de beoordeling in bezwaar betrokken. De verzekeringsarts b&b was ook aanwezig tijdens de hoorzitting (op 14 februari 2024). De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist. Verder is de rechtbank van oordeel dat de rapporten van de verzekeringsartsen geen tegenstrijdigheden bevatten en dat de conclusies van de rapporten logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen. Het standpunt van eiser dat de verzekeringsarts b&b gerichte(re) vragen aan de huisarts had moeten stellen over zijn dag- en nachtrust, de ernst van zijn aandoeningen en de toegenomen behoefte tot herstel, volgt de rechtbank niet. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) behoort het namelijk tot de specifieke taak en deskundigheid van de verzekeringsarts om, op grond van de beschikbare medische gegevens, de beperkingen tot het verrichten van arbeid vast te stellen. [4] Daarbij mag een verzekeringsarts in beginsel afgaan op zijn eigen medisch oordeel wat betreft de aan te nemen beperkingen. Bovendien had het op de weg van eiser gelegen om in beroep alsnog medische informatie te overleggen als hij vindt dat die informatie van belang is. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn eisers beperkingen juist vastgesteld?
5. Eiser voert aan dat het UWV onvoldoende rekening heeft gehouden met al zijn gezondheidsklachten. De verzekeringsarts b&b heeft een onvoldoende dan wel onjuiste vertaalslag gemaakt van zijn klachten naar de beperkingen in de FML. Vanwege eisers agressieproblemen en woedeaanvallen is hij niet in staat om samen te werken. Ten onrechte is hier geen beperking voor aangenomen in de FML. Ook had een beperking aangenomen moeten worden voor vervoer en beroepsmatig vervoer. Uit medische informatie (de (huisartsen)journaalregel die ziet op de datum van 5 juli 2023) blijkt immers dat eiser niet kan fietsen. Ook kan hij vanwege zijn gezwollen handen, polsen en voeten in combinatie met zijn pijnklachten niet autorijden. Eiser kan vanwege zijn angstklachten ook niet deelnemen aan het openbaar vervoer. Daarnaast is hij niet in staat om circa vier uur per dag te werken met een toetsenbord en/of muis. Ook is hij beperkt in het maken van schroefbewegingen en kan hij niet schrijven vanwege zijn opgezwollen handen en vingers door jicht. Eiser voert daarnaast aan dat de motivering van de verzekeringsarts b&b, dat er geen reden is om (verdergaande) urenbeperking aan te nemen, te kort door de bocht is. Eiser heeft immers gedurende de hoorzitting, maar ook eerder naar voren gebracht dat hij rustmomenten ingelast gedurende de ochtend, middag en avond. Eiser slaapt ’s nachts drie à vier uur, waardoor hij een verstoorde energiehuishouding heeft. Dit volgt ook uit medische informatie van Haoma GGZ. De verstoorde energiehuishouding is ontstaan door een combinatie van meerdere geobjectiveerde ziektebeelden. Dit is een reden om een verdergaande urenbeperking aan te nemen op grond van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’. Er had een urenbeperking aangenomen moeten worden tot maximaal vier uur per dag en twintig uur per week.
6. In de schorsingsbeslissing heeft de rechtbank het UWV in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting door de verzekeringsarts b&b te laten geven, waarom in de FML geen beperking is aangenomen ten aanzien van hand- en vingergebruik (rubriek 4.3), mede gelet op de informatie van de reumatoloog (de brieven van 12 juni 2023, 1 februari 2024 en 24 maart 2025). Uit de brief van 12 juni 2023 blijkt dat bij eiser polyartralgieën zijn geconstateerd aan zijn handen/polsen (en knie), wat mogelijk deels te verklaren is door beginnende artrose. In de brieven van 1 februari 2024 en 24 maart 2025 wordt dit bevestigd.
6.1.
Naar aanleiding van de schorsingsbeslissing heeft het UWV een aanvullend rapport ingebracht van de verzekeringsarts b&b van 7 januari 2026. De verzekeringsarts b&b stelt – samengevat – het volgende. Uit de brief van de reumatoloog van 12 juni 2023 blijkt dat in september 2022 de diagnose jicht is vastgesteld. Eiser wordt hiervoor adequaat en met goed resultaat behandeld door middel van medicatie (allopurinol). In de brief van de reumatoloog van 6 februari 2024 is immers opgenomen dat eiser onder de huidige behandeling met allopurinol geen jichtaanvallen meer ervaart en dat de streefwaarde urinezuur al langere tijd is bereikt. Daarnaast is er beeldvormend onderzoek van de rechterhand gedaan, wat hooguit geringe degeneratie in de DIP-gewrichten (gewricht tussen het laatste en middelste (vinger)kootje) laat zien. Verder worden er geen afwijkingen geconstateerd. Uit de brieven van de reumatoloog volgt verder niet dat lichamelijk onderzoek van de polsen en handen (vingers) is verricht.
De verzekeringsarts b&b heeft toegelicht dat door de (primaire) verzekeringsarts kort voor de datum in geding uitgebreid lichamelijk onderzoek is verricht. Tijdens dit lichamelijk onderzoek is gebleken dat sprake is van een duidelijke hallux valgus rechts en links minder. Er worden geen roodheid, oedeem of ontstoken gewrichten in de voet geconstateerd. Ook is geen sprake van een bewegingsbeperking bij eisers enkels. De kracht in zijn handen is submaximaal en wordt beter bij aansporing. De vingerproeven zijn daarnaast ongestoord. Eiser geeft weliswaar pijn aan bij de buitenkant van het olecranon, maar er worden geen bewegingsbeperkingen geconstateerd aan de ellebogen en polsen.
De verzekeringsarts b&b concludeert vervolgens dat – gelet op de informatie van de reumatoloog en de bevindingen van het lichamelijk onderzoek kort voor de datum in geding – er geen medische reden is om verdergaande beperkingen aan te nemen voor hand- en vingergebruik. Met de aangenomen beperkingen wordt (onveranderd) in voldoende mate rekening gehouden met de door eiser ervaren hand-, pols- en vingerklachten.
6.2.
Bij brief van 10 maart 2026 heeft eiser op dit aanvullend rapport van de verzekeringsarts b&b gereageerd. Eiser stelt dat hij bij de primaire verzekeringsarts heeft aangegeven dat zijn handen pijn doen en dat hij last heeft van zijn polsen, zijn vingers en dat hij last heeft van bewegingen waarbij knijp- en grijpkracht is vereist, maar ook fijne motorische en repetitieve hand- en vingerbewegingen. Het standpunt van de primaire verzekeringsarts dat eiser submaximaal kracht heeft, kan dan ook niet worden gevolgd. Dit is onvoldoende medisch onderbouwd en staat haaks op de informatie van de reumatoloog. Het is daarnaast onmogelijk dat eiser geen pijn had tijdens de vingerproeven en die ongestoord heeft kunnen verrichten. De reumatoloog heeft middels beeldvorming kort na de datum in geding vastgesteld dat eiser progressieve polyartralgieën heeft ontwikkeld, welke worden veroorzaakt door artrose.
Het oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts b&b bekend is met de psychische en lichamelijke klachten van eiser. De verzekeringsarts b&b heeft toegelicht dat de belastbaarheid, zoals deze werd opgesteld door de (primaire) verzekeringsarts, grotendeels in stand kan blijven. Echter, in bezwaar heeft eiser informatie overgelegd, waaruit volgt dat bij eiser onder meer de diagnosen PTSS, een depressieve stoornis en een ongespecificeerde disruptieve, impulsbeheersing- of andere gedragsstoornis zijn vastgesteld. De verzekeringsarts b&b heeft om die reden meer en verdergaande beperkingen aangenomen in de rubriek sociaal functioneren (rubriek 2 van de FML). Er zijn beperkingen aangenomen ten aanzien van het uiten van eigen gevoelens en het hanteren van emotionele problemen van anderen. Daarnaast is eiser verdergaand beperkt geacht ten aanzien van het omgaan met conflicten. Ook heeft eiser in bezwaar informatie overgelegd van de reumatoloog, wat voor de verzekeringsarts b&b aanleiding is geweest om in de FML meer en verdergaande beperkingen aan te nemen. In de rubriek fysieke omgevingseisen (rubriek 3) is een extra beperking aangenomen ten aanzien van trillingsbelasting (grove schokken, stoten of trillingen op de armen (handen en polsen) en benen (knieën en voeten)). In de rubriek dynamische handelingen (rubriek 4) zijn bijkomende beperkingen aangenomen ten aanzien van lokalisatie beperkingen tweezijdig, werken met een toetsenbord en/of muis, schroefbewegingen met hand en arm, torderen, duwen en trekken, traplopen en knielen of hurken. De dominantie is op rechts vastgesteld. Daarnaast zijn verdergaande beperkingen aangenomen ten aanzien van het dragen tijdens werk en het lopen. In de rubriek statische houdingen (rubriek 5) zijn extra beperkingen aangenomen ten aanzien van zitten (tijdens werk) en het geknield of gehurkt actief zijn. Ten aanzien van het staan is een verdergaande beperking aangenomen. In de rubriek werktijden (rubriek 6) is eiser beperkt geacht voor het werken in de nacht. Daarnaast is eiser aangewezen op regelmatige werktijden.
De verzekeringsarts b&b heeft toegelicht geen aanleiding te zien om een urenbeperking aan te nemen vanwege medische redenen. Er is geen sprake van een ernstige psychiatrische of lichamelijke aandoening op grond waarvan de energetische belastbaarheid zodanig verminderd is dat een verdergaande urenbeperking aan de orde is. Ook is er geen verminderde beschikbaarheid vanwege behandeling en er is geen reden om preventief een urenbeperking aan te nemen op basis van eisers dagverhaal. Eiser wordt daarom in staat geacht om acht uur per dag en 40 uur per week te werken.
7.1.
De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de conclusies van de verzekeringsarts b&b te twijfelen. In de FML is rekening gehouden met zowel de psychische, als de lichamelijke klachten van eiser. Het dossier biedt dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsartsen niet volledig op de hoogte waren van de medische problematiek van eiser op de datum in geding. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b met het aanvullend rapport van 7 januari 2026 voldoende gemotiveerd dat er geen extra beperking aangenomen hoeft te worden ten aanzien van het hand- en vingergebruik. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn standpunt dat de vertaalslag in de FML onvolledig of onjuist is geweest. Eiser moet op de datum in geding in staat worden geacht arbeid te verrichten die past bij de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 7 maart 2023. De beroepsgrond slaagt niet.
Het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke deskundige
8. Eiser verzoekt de rechtbank tot het benoemen van een onafhankelijke deskundige (een verzekeringsarts en/of een psychiater), onder verwijzing naar het
Korošec-arrest. [5] Eiser verkeert in een ongelijke positie en heeft geen financiële mogelijkheden om deskundigen in te schakelen.
8.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige in te schakelen. Uit wat hierboven is overwogen volgt immers dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest of twijfel bestaat aan de juistheid van de medische beoordeling. Dat eiser belemmeringen heeft ondervonden bij de onderbouwing van zijn standpunt, zodat sprake zou zijn van een oneerlijk proces is evenmin gebleken, nu hij zich heeft laten bijstaan door een professionele gemachtigde die medische informatie heeft overgelegd. Op basis hiervan zijn er geen aanwijzingen dat medische informatie ontbreekt. Daar komt bij dat de stelling van eiser dat hij onvoldoende financiële middelen heeft om zelf een medisch onderzoek te laten verrichten, volgens vaste rechtspraak van de CRvB onvoldoende is om een onafhankelijk deskundige te benoemen. [6] De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passend?
9. Eiser voert aan dat hij niet in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies uit te voeren. In de functie productiemedewerker (SBC-code 111180) dient eiser geconcentreerd te werken en zijn aandacht goed vast te houden. Gelet op eisers beperkingen in het sociaal en persoonlijk functioneren is hij hiertoe niet in staat. Daarnaast heeft hij een verstoorde energiehuishouding. Ook kan hij zijn handen en voeten slechts beperkt gebruiken, terwijl in deze functie alles handmatig wordt samengesteld (zoals een pincetgreep, pengreep, cilindergreep en fijne motoriek). Eiser is niet in staat om deze handelingen repetitief te verrichten. Deze functie is ook niet geschikt, nu eiser beperkt is in het samenwerken. Eiser beheerst de Nederlandse taal ook onvoldoende om adequaat te functioneren in deze functie. Hij is niet in staat om de Nederlandse taal onder de knie te krijgen vanwege zijn gezondheidsproblematiek. In deze functie moet eiser Nederlands spreken en moet hij volgens procedures en richtlijnen werken. Het spreken en begrijpen van de Nederlandse taal is cruciaal om de geduide functies te kunnen uitoefenen. Eisers beheersing en begrip van de Nederlandse taal is daartoe onvoldoende. Eiser voert aan dat bovenstaande ook geldt voor de functies wikkelaar (SBC-code 267053) en assemblagemedewerker besturingskasten en panelen (SBC-code 267071).
9.1.
Het standpunt van eiser dat de geduide functies niet passend zijn, omdat hij geconcentreerd dient te werken en zijn aandacht goed vast dient te houden, kan de rechtbank niet volgen. Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt namelijk dat in het geval het CBBS [7] ten aanzien van een functie geen signalering heeft gegeven op een bepaald punt, dit betekent dat er ten aanzien van die functie geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid op dat punt. [8] Een nadere motivering hoeft in dat geval niet gegeven te worden. Vaststaat dat het CBBS ten aanzien van de geduide functies geen signalering heeft gegeven ten aanzien van vasthouden van de aandacht (rubriek 1.1). De rechtbank merkt op dat het CBBS ook geen signalering heeft gegeven ten aanzien van hand- en vingergebruik (rubriek 4.3) en samenwerken (rubriek 2.9). Daaruit volgt dan ook dat de belastbaarheid van eiser op deze punten niet wordt overschreden.
Het standpunt van eiser dat de geduide functies niet passend zijn, omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, volgt de rechtbank evenmin. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB veronderstelt opleidingsniveau 2 dat een betrokkene basisonderwijs heeft voltooid, dan wel daarmee op een lijn te stellen werkervaring heeft opgebouwd, waarbij het niet relevant is of het onderwijs in Nederland of in het buitenland is gevolgd. [9] Niet in geschil is dat eiser het basisonderwijs in Turkije heeft afgerond. Hiermee voldoet hij aan opleidingsniveau 2. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Uit hetgeen onder 7.1 is overwogen volgt dat het bestreden besluit een gebrek bevat. De rechtbank zal dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat aannemelijk is dat eiser door dit gebrek niet is benadeeld. Ook zonder dit gebrek zou het UWV het bestreden besluit hebben genomen.
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
12. In de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht en de door eiser gemaakte proceskosten moet vergoeden. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van
€ 934. De rechtbank stelt de vergoeding voor de proceskosten vast op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting, en 0,5 punt voor de reactie na schorsing ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.335 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 29 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2114.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2315.
5.EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212 (Korošec).
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:45.
7.Claim Beoordelings- en Borgingssysteem.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 15 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:957.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:630.