ECLI:NL:RBGEL:2026:5328

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
12160826 \ HA VERZ 26-20
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 2 BWArt. 7:671b lid 6 BWArt. 7:658a BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ziekte en ontbreken voldragen ontslaggrond

De werknemer is sinds 1 januari 2021 in dienst bij de werkgever en meldde zich op 11 juni 2025 ziek. De werkgever verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van bedrijfseconomische omstandigheden, een verstoorde arbeidsverhouding en andere omstandigheden (h- en g-grond). De werknemer betwistte dit en stelde dat het opzegverbod tijdens ziekte aan ontbinding in de weg staat.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer arbeidsongeschikt was en dat het opzegverbod tijdens ziekte geldt. De aangevoerde omstandigheden van de werkgever voldeden niet aan de criteria voor ontbinding, omdat geen voldragen ontslaggrond was vastgesteld en de werkgever onvoldoende had geprobeerd de arbeidsrelatie te herstellen. De vermeende valse ziekmelding werd niet bewezen.

De tegenverzoeken van de werknemer om achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente en dwangsommen werden afgewezen. Wel werden toegewezen het verstrekken van een deugdelijke verlofadministratie, het inschakelen van een arbeidsdeskundige voor onderzoek en het toelaten tot re-integratiewerkzaamheden, met dwangsommen bij niet-naleving. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen vanwege het opzegverbod tijdens ziekte en het ontbreken van een voldragen ontslaggrond.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 12160826 \ HA VERZ 26-20
Beschikking van 1 juli 2026
in de zaak van
[naam verzoeker] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij, tevens verwerende partij ten aanzien van de tegenverzoeken,
hierna te noemen: [de verzoeker] ,
gemachtigde: mr. M.G. Spijker,
tegen
[naam verweerder],
te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij, tevens verzoekende partij ten aanzien van de tegenverzoeken,
hierna te noemen: [de verweerder] ,
gemachtigde: mr. M. Voogt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 t/m 18;
- het verweerschrift met producties 1 t/m 47;
- de producties 19 en 20 van [de verzoeker] .
1.2.
De zaak is mondeling behandeld op 27 mei 2026. Namens [de verzoeker] is verschenen de heer [vertegenwoordiger verzoeker] (hierna: [vertegenwoordiger verzoeker] ) met mr. Spijker. Daarnaast is [de verweerder] verschenen tezamen met zijn partner, bijgestaan door mr. Voogt. Namens [de verzoeker] zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen en partijen hebben hun standpunten nog verder toegelicht. Van hetgeen op de zitting is besproken is door de griffier aantekening gemaakt.
1.3.
De beschikking is bepaald op 23 juni 2026 en nadien aangehouden tot vandaag.

2.De feiten

2.1.
[de verweerder] , geboren [geboortedatum] , is sinds 1 januari 2021 als assistent montagemedewerker bij [de verzoeker] in dienst op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
2.2.
[de verzoeker] houdt zich (onder meer) bezig met de installatie van verwarmings- en luchtbehandelingsapparatuur. [de verzoeker] heeft enkel [de verweerder] als werknemer in dienst en naast [de verweerder] verricht uitsluitend [vertegenwoordiger verzoeker] werkzaamheden in het bedrijf.
2.3.
[de verweerder] heeft zich op 11 juni 2025 ziek gemeld.
2.4.
Nadien is door de bedrijfsarts in zijn adviezen van respectievelijk 8 juli en 21 augustus 2025 vermeld dat [de verweerder] arbeidsongeschikt is wegens medische beperkingen.
2.5.
Bij brief van 1 augustus 2025 heeft [de verzoeker] aan [de verweerder] een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband doen toekomen. Daarbij heeft [de verzoeker] erop gewezen dat volgens haar de situatie rondom het dienstverband van [de verweerder] onhoudbaar is geworden vanwege bedrijfseconomische omstandigheden, de houding en het gedrag van [de verweerder] en de strategische en valse ziekmelding.
2.6.
Via zijn (voormalig) gemachtigde heeft [de verweerder] laten weten zich niet te herkennen in de aan zijn adres gemaakte verwijten en niet in te stemmen met een beëindiging van het dienstverband.
2.7.
Op 24 augustus 2025 is [de verweerder] betrokken geraakt bij een verkeersongeval, waarbij hij op de fiets is aangereden door een auto.
2.8.
Over de periode van november 2025 tot en met januari 2026 heeft [de verzoeker] het loon niet aan [de verweerder] uitbetaald, zich daarbij op het standpunt stellende dat partijen zijn overeengekomen dat [de verweerder] gedurende deze periode onbetaald verlof zou opnemen om in Portugal te overwinteren.
2.9.
Bij dagvaarding van 21 januari 2026 is [de verweerder] een kort geding procedure gestart waarbij hij (onder meer) aanspraak heeft gemaakt op loondoorbetaling vanaf 1 november 2025.
2.10.
Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 februari 2026 is het gevorderde loon over de periode november 2025 tot en met februari 2026 afgewezen. Wel is [de verzoeker] veroordeeld tot betaling van het loon vanaf 1 februari 2026 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Ook is [de verzoeker] veroordeeld om [de verweerder] toe te laten tot re-integratiewerkzaamheden, voor zover een bedrijfsarts [de verweerder] hiertoe in staat acht, op de gebruikelijke wijze en zonder beperkingen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of deel daarvan, met een maximum van
€ 5.000,-.
2.11.
Uit de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts d.d. 8 mei 2026 volgt dat de belastbaarheid van [de verweerder] voor arbeid onveranderd is. Daarnaast volgt uit het ‘richtinggevend’ advies dat conform de wet verbetering poortwachter een deskundige onderzoek dient te doen naar de mogelijkheden van eigen werk en/of aangepaste werkzaamheden met verwoording van het doel van re-integratie. Daarbij is vermeld dat als dit het tweede spoor betreft, [de verzoeker] krachtens de wet verbetering poortwachter een reintegratiebureau moet inschakelen om aan het tweede spoor invulling te geven.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[de verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, om de arbeidsovereenkomst met [de verweerder] te ontbinden op de kortst mogelijke termijn, rekening houdend met de opzegtermijn, zonder toekenning van een transitievergoeding en met compensatie van proceskosten.
3.2.
[de verzoeker] stelt daartoe dat sprake is van een redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:671b lid 1 sub a BW juncto artikel 7:669 lid 1 en Pro 3 BW en dat herplaatsing van [de verweerder] in een andere passende functie niet mogelijk is/niet in de rede ligt. Daarbij baseert [de verzoeker] haar verzoek primair op andere omstandigheden (h-grond), subsidiair op een verstoorde arbeidsverhouding
(g-grond) en meer subsidiair op een combinatie van omstandigheden (i-grond).
3.3.
Ter onderbouwing daarvan wijst [de verzoeker] er allereerst op dat zich na indiensttreding van [de verweerder] diverse incidenten hebben voorgedaan waardoor de arbeidsverhoudingen in toenemende mate ernstig verstoord zijn geraakt. Daar bovenop komt dat de werkzaamheden bij [de verzoeker] in de loop der jaren gewijzigd zijn, waardoor de functie van [de verweerder] niet meer invulbaar is gebleken.
3.4.
Door diverse omstandigheden is [de verzoeker] daarnaast in financieel zwaar weer komen te verkeren. Zo zijn een tweetal grote projecten ten onrechte onbetaald gebleven. Daarnaast geldt dat ondanks dat [de verweerder] bekend was met deze financiële nood, hij zich heeft ziek gemeld op dezelfde dag dat [de verzoeker] een bedrijfseconomische beëindiging van de arbeidsovereenkomst met zijn accountant ging voorbereiden, hetgeen op zijn minst te denken geeft. Vervolgens is [de verweerder] tijdens zijn ziekte betrokken geraakt bij een verkeersongeval waardoor hij nadien helemaal geen werk meer kon verrichten. Bovendien heeft [de verweerder] een kostbare procedure gestart tegen [de verzoeker] waarbij met haar grootste debiteur is samengespannen om faillissement te bewerkstelligen.
3.5.
Feitelijk is thans alleen nog [vertegenwoordiger verzoeker] werkzaam in de onderneming. Hij wordt zwaar overvraagd en de vrees bestaat dan ook dat hij spoedig zal uitvallen en het voortbestaan van de onderneming niet meer kan worden gerealiseerd. In de gegeven omstandigheden kan van [de verzoeker] niet gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
3.6.
Het opzegverbod bij ziekte staat volgens [de verzoeker] aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet in de weg omdat het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [de verweerder] en de arbeidsovereenkomst daarnaast ook in het belang van [de verweerder] behoort te eindigen.
3.7.
[de verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt primair dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Daartoe voert [de verweerder] – samengevat – aan dat het opzegverbod bij ziekte aan toewijzing van het verzoek in de weg staat en dat daarnaast ook geen redelijke grond in de zin van artikel 7:669 lid 3 BW Pro aanwezig is voor ontbinding.
3.8.
In geval de arbeidsovereenkomst wel wordt ontbonden, meent [de verweerder] dat dit het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen/nalaten van [de verzoeker] , en verzoekt hij subsidiair om de geldende opzegtermijn in acht te nemen en aan hem een transitievergoeding, een eventuele cumulatievergoeding en een billijke vergoeding toe te kennen.
3.9.
Primair en subsidiair maakt [de verweerder] voorts aanspraak op betaling van achterstallig loon over de maand augustus 2025 en de periode november 2025 tot en met januari 2026 vermeerderd met wettelijke verhoging en om betaling van dwangsommen die [de verzoeker] uit hoofde van het kort geding vonnis d.d. 20 februari 2026 heeft verbeurd. Daarnaast verzoekt [de verweerder] om [de verzoeker] te veroordelen te voldoen aan haar wettelijke re-integratieverplichtingen en om aan [de verweerder] een deugdelijke verlofadministratie te verstrekken over de jaren 2023 tot en met 2026. Tot slot verzoekt [de verweerder] om verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie op straffe van verbeurte van een dwangsom, om betaling van de wettelijke rente over alle hiervoor genoemde bedragen en om [de verzoeker] te veroordelen in de proceskosten.
3.10.
Op de (overige) stellingen en standpunten van partijen wordt, voor zover van belang, hierna in de beoordeling ingegaan.

4.De beoordeling

Kernvraag en uitkomst
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Daarnaast is aan de orde of diverse door [de verweerder] ingestelde tegenverzoeken toewijsbaar zijn.
4.2.
De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek van [de verzoeker] af, omdat geen sprake is van een voldragen ontbindingsgrond en het opzegverbod tijdens ziekte daarnaast aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat. Dit oordeel leidt er tevens toe dat de door [de verweerder] primair verzochte afwijzing van het ontbindingsverzoek wordt toegewezen en aan de beoordeling van de subsidiair ingestelde tegenverzoeken niet wordt toegekomen.
4.3.
De door [de verweerder] zowel primair als subsidiair ingestelde tegenverzoeken zijn ten dele toewijsbaar. Zo worden de verzoeken tot betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging, rente en verbeurde dwangsommen afgewezen, hetgeen ook geldt voor wat betreft de verzoeken tot verstrekking van een deugdelijke bruto/netto-specificatie en om zich te onthouden van gedragingen die de re-integratie van [de verweerder] belemmeren. De verzoeken van [de verweerder] om een deugdelijke verlofadministratie te verstrekken, om een arbeidsdeskundige in te schakelen om een arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten en om [de verweerder] toe te laten tot re-integratiewerkzaamheden, voor zover de bedrijfsarts [de verweerder] daartoe in staat acht, een en ander op straffe van een verbeurte van een dwangsom, worden wel toegewezen. Tot slot ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren.
Toetsingskader
4.4.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2]
Het opzegverbod bij ziekte
4.5.
De kantonrechter stelt vast dat [de verweerder] arbeidsongeschikt was wegens medische beperkingen toen het ontbindingsverzoek door [de verzoeker] werd ingediend. [de verweerder] heeft zich op 11 juni 2025 namelijk ziek gemeld en kort nadien is door de bedrijfsarts geoordeeld dat hij arbeidsongeschikt was wegens medische beperkingen. Daarbij komt dat [de verweerder] vervolgens betrokken is geraakt bij een verkeersongeval als gevolg waarvan hij lichamelijk letsel heeft opgelopen. [de verweerder] is vanaf 11 juni 2025 onafgebroken arbeidsongeschikt gebleven en heeft tot op heden geen werkzaamheden meer voor [de verzoeker] verricht. Ook uit de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts d.d. 8 mei 2026 volgt voorts dat de belastbaarheid van [de verweerder] voor arbeid onveranderd is gebleven. Door [de verzoeker] zijn bovendien ook geen stukken overgelegd waaruit volgt dat [de verweerder] niet arbeidsongeschikt is.
4.6.
Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt dat de kantonrechter een arbeidsovereenkomst met een zieke werknemer waarvoor een opzegverbod van toepassing is, niet kan ontbinden, tenzij sprake is van een van de situaties zoals genoemd in artikel 7:671b lid 6 BW. Hierin is bepaald dat de kantonrechter ondanks het bestaan van een opzegverbod de arbeidsovereenkomst toch kan ontbinden op de b tot en met h grond van artikel 7:669 lid 3 BW Pro, indien: a) het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop die opzegverboden betrekking hebben of b) indien sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.
4.7.
Een redelijke uitleg van artikel 7:671b lid 6 onder a BW brengt mee dat alleen als de omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek ten grondslag zijn gelegd zich laten abstraheren van de omstandigheden waarop het opzegverbod tijdens ziekte betrekking heeft en die omstandigheden op zichzelf voldoende zijn voor een voldragen ontslaggrond, voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat er ‘geen verband’ is. In dat geval kan tot ontbinding worden overgegaan. Uitgaande van deze maatstaf moet worden beoordeeld of, als de ziekte van [de verweerder] wordt weggedacht, er zodanige omstandigheden zijn die als voldragen ontslaggrond kunnen leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
De h-grond
4.8.
[de verzoeker] heeft haar ontbindingsverzoek primair gegrond op de h-grond. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door [de verzoeker] aangevoerde omstandigheden geen h-grond op en is het ontbindingsverzoek op deze grond dan ook niet toewijsbaar.
4.9.
Sub h, ook wel de ‘vangnetbepaling’ genoemd, is opgenomen voor omstandigheden die niet vallen onder de gronden a tot en met g maar die van dien aard zijn dat van de werkgever niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Voorbeelden hiervan zijn detentie en illegaliteit van de werknemer en het niet beschikken over een tewerkstellingsvergunning door de werkgever.
4.10.
Een beroep op artikel 7:669 lid 3 onderdeel Pro h BW is nadrukkelijk niet mogelijk in situaties die wel vallen onder de in artikel 7:669 lid 3 BW Pro genoemde gronden, maar waarin niet aan de daarvoor gestelde voorwaarden wordt voldaan. Deze grond kan dus niet worden aangewend voor het repareren van een ontoereikende onderbouwing voor een ontslag op een van de andere gronden van artikel 7:669 lid 3 BW Pro. Uitsluitend feiten en omstandigheden die niet onder een van de sub a tot en met g genoemde gronden kunnen worden geschaard, kunnen op grond van artikel 7:669 lid 3 onderdeel Pro h BW tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst leiden. [3]
4.11.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval de door [de verzoeker] aangevoerde omstandigheden in de kern neerkomen op omstandigheden die vallen onder de gronden a tot en met g, namelijk de a-grond en de g-grond. De h-grond mist hier dan ook toepassing.
4.12.
Daarbij komt dat naar het oordeel van de kantonrechter de onderhavige zaak ook niet vergelijkbaar is met de door [de verzoeker] aangehaalde uitspraak van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland [4] , waarin ondanks ziekte van de werknemer de arbeidsovereenkomst toch werd ontbonden op de h-grond. Anders dan in de door [de verzoeker] aangehaalde uitspraak is hier namelijk geen sprake van een (gedeeltelijke) bedrijfssluiting en staat ook (nog) niet vaststaat dat [de verzoeker] voldoende inspanningen heeft verricht om [de verweerder] te laten re-integreren in het tweede spoor.
De g-grond
4.13.
[de verzoeker] heeft haar ontbindingsverzoek subsidiair gegrond op de g-grond.
Daarvan is sprake in geval van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontbindingsverzoek ook op deze grond niet toewijsbaar. Hoewel voldoende is gebleken dat de arbeidsverhouding inmiddels ernstig verstoord is geraakt, is naar het oordeel van de kantonrechter niet gebleken dat [de verzoeker] zich voldoende heeft ingespannen om de arbeidsrelatie te herstellen. Daarnaast staat ook het opzegverbod bij ziekte aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de
g-grond in de weg.
4.14.
Op basis van de door partijen overgelegde stukken en hetgeen door hen ter zitting naar voren is gebracht, is voldoende gebleken dat de arbeidsrelatie tussen partijen op enig moment verstoord is geraakt en dat er sindsdien geen verbetering is opgetreden. In plaats daarvan zijn de verhoudingen tussen partijen in de loop der tijd alleen maar (verder) verslechterd. Uit de tussen partijen (en hun gemachtigden) gevoerde correspondentie volgt dat partijen inmiddels op vrijwel alle punten lijnrecht tegenover elkaar staan, dat er over en weer veel wantrouwen heerst en dat een normaal gesprek, zonder tussenkomst van de gemachtigden van partijen, niet meer mogelijk is. Uit het standpunt van [de verzoeker] volgt duidelijk dat er wat haar betreft geen draagvlak meer is voor continuering van het dienstverband en ook door [de verweerder] is bij verweerschrift en ter zitting erkend dat de verhoudingen (in ieder geval) verstoord zijn geraakt. Van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie is naar het oordeel van de kantonrechter inmiddels dan ook wel sprake.
4.15.
Dat de ernstig verstoorde arbeidsverhouding reeds vóór de ziekmelding van [de verweerder] bestond, is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet komen vast te staan. [de verzoeker] heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat voor de ziekmelding van [de verweerder] al sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding als gevolg van diverse incidenten die zich zouden hebben voorgedaan, maar dit is door [de verweerder] gemotiveerd betwist en door [de verzoeker] in deze procedure onvoldoende aangetoond.
4.16.
In dit verband wordt er allereerst op gewezen dat [de verweerder] het plaatsvinden en de ernst van de door [de verzoeker] beschreven incidenten (grotendeels) heeft betwist, althans ten aanzien daarvan een andere lezing van de feiten heeft gegeven. Dat de incidenten zoals deze door [de verzoeker] zijn beschreven zich hebben voorgedaan, is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet komen vast te staan.
4.17.
Daarbij komt dat voor zover de door [de verzoeker] beschreven incidenten zich wel hebben voorgedaan, ook niet is gebleken dat [de verzoeker] [de verweerder] op enig moment heeft geconfronteerd met de inhoud van de incidentenrapporten en op de impact die dit volgens [de verzoeker] op haar en de arbeidsverhouding had. Het voorgaande had in redelijkheid wel van haar als werkgever verwacht mogen worden indien vóór 11 juni 2025 daadwerkelijk al sprake was van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Een werkgever dient zich namelijk in te spannen om de verhoudingen tussen partijen te normaliseren of dat op zijn minst te onderzoeken. De omstandigheid dat [de verzoeker] dit niet heeft gedaan, vormt dan ook een aanwijzing dat van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding nog geen sprake was.
4.18.
Verder volgt naar het oordeel van de kantonrechter ook uit de tussen partijen gevoerde correspondentie (waaronder de WhatsApp-correspondentie overgelegd als productie 14 bij verweerschrift) dat pas na de ziekmelding van [de verweerder] een belangrijk omslagpunt in de communicatie tussen partijen heeft plaatsgevonden. Zo verloopt de communicatie tot medio juli 2025 op ogenschijnlijk normale wijze en stelt [de verzoeker] zich vanaf eind juli 2025 ineens op het standpunt dat sprake zou zijn van een ‘
valse ziekmelding’ en van ‘
liegen, bedriegen en bedreigen’. Vanaf dat moment veranderd de toonsetting en wordt door [de verzoeker] aan [de verweerder] onder meer een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband aangeboden, waarbij er in de begeleidende brief d.d. 1 augustus 2025 (productie 5 bij verweerschrift) voor het eerst melding van wordt gemaakt dat er ook problemen zouden zijn met de houding en het gedrag van [de verweerder] en dat volgens [de verzoeker] sprake was van een valse en strategische ziekmelding. Vervolgens verhardt de communicatie steeds meer, wordt door een ieder van partijen een gemachtigde ingeschakeld en escaleert de situatie nog verder. Dat er vóór 11 juni 2025 nog geen sprake was van een verstoring in de arbeidsrelatie, lijkt [de verzoeker] bovendien ook zelf met zoveel woorden te bevestigen in haar brief van 25 augustus 2025, waarin zij (onder meer) schrijft: “
ik benadruk dat er géén sprake is van een relationeel conflict dat via mediation kan worden opgelost. Het probleem is van structureel bedrijfseconomische aard”.
4.19.
Van belang is daarnaast dat een enkele verstoorde arbeidsverhouding nog geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. De wet stelt daaraan namelijk nog meer eisen: de verstoring moet duurzaam én van dien aard zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij geldt dat de werkgever zich in voldoende mate moet hebben ingespannen om de arbeidsrelatie te herstellen. Dat betekent (bijvoorbeeld) dat een werknemer wiens gedrag in de ogen van zijn werkgever onacceptabel is, daarop aangesproken moet worden en, als dat niet voldoende helpt, de mogelijkheid moet krijgen om dat gedrag aan te passen.
4.20.
Onvoldoende is gebleken dat door [de verzoeker] daadwerkelijk pogingen zijn ondernomen om de arbeidsrelatie te normaliseren. Voor zover er voorafgaand aan de ziekmelding van [de verweerder] al incidenten hebben plaatsgevonden die tot een verslechtering van de arbeidsrelatie hebben geleid, is niet gebleken dat [de verzoeker] [de verweerder] daarop heeft aangesproken en gelegenheid heeft geboden om zijn houding en gedrag te verbeteren. Daarnaast is ook niet gebleken dat [de verzoeker] zich na de ziekmelding van [de verweerder] heeft ingespannen om de arbeidsverhouding te herstellen. In plaats van toenadering te zoeken heeft [de verzoeker] de verhoudingen juist alleen maar verder op scherp gezet door zich herhaaldelijk en in niet mis te verstane bewoordingen uit te laten richting [de verweerder] (en zijn gemachtigde), waarbij onder meer ernstige beledigingen zijn geuit. Daarnaast is door [de verzoeker] tot op heden ook geen gevolg gegeven aan de adviezen van de bedrijfsarts van 8 juli 2025 (productie 16 bij verzoekschrift) en 19 december 2025 (productie 20 van [de verzoeker] ) om mediation te beproeven. Uit productie 19 van [de verzoeker] volgt weliswaar dat in oktober 2025 contact is gezocht met een mediator, maar niet dat [de verzoeker] een en ander door heeft gezet nadat de betreffende mediator de opdracht heeft geweigerd.
4.21.
Ook het opzegverbod bij ziekte staat aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg. Niet gesteld kan namelijk worden dat het ontbindingsverzoek met de ziekte van [de verweerder] geen (enkel) verband houdt. Duidelijk is immers dat de verhoudingen tussen partijen pas na de ziekmelding van [de verweerder] zijn verslechterd en dat deze verslechtering haar oorzaak (mede) vindt in de overtuiging van [de verzoeker] dat sprake is geweest van een valse en tactische ziekmelding van [de verweerder] .
4.22.
Dat sprake is geweest van een valse en strategische ziekmelding is door [de verweerder] betwist en naar het oordeel van de kantonrechter overigens ook niet komen vast te staan. Hoewel als zodanig niet in geschil is dat [de verweerder] wel bekend was met de financiële nood van [de verzoeker] , heeft hij betwist dat hij er van op de hoogte was dat er op 11 juni 2025 een ontslagaanvraag op grond van bedrijfseconomische omstandigheden zou worden voorbereid. Dat dit anders was, is door [de verzoeker] ook niet, althans onvoldoende, aangetoond. Daarbij komt dat op basis van hetgeen hiervoor onder 4.5 al is overwogen naar het oordeel van de kantonrechter voldoende vaststaat dat [de verweerder] sinds 11 juni 2025 daadwerkelijk arbeidsongeschikt is en ook niet is gebleken van enig verband tussen de ziekmelding en bij [de verweerder] aanwezige kennis over de voorbereiding van een eventuele ontslagaanvraag.
4.23.
Tot slot is ook niet gebleken van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van [de verweerder] behoort te eindigen. Door [de verweerder] is uitdrukkelijk bestreden dat het in zijn belang is dat de arbeidsovereenkomst eindigt en van dergelijke omstandigheden is de kantonrechter hier ook niet gebleken. Ook in geval juist is dat er geen passend werk binnen [de verzoeker] voorhanden is, heeft [de verweerder] er als arbeidsongeschikte werknemer onder meer belang bij dat de re-integratiemogelijkheden in het tweede spoor worden onderzocht.
De i-grond
4.24.
Meer subsidiair heeft [de verzoeker] zijn ontbindingsverzoek gebaseerd op de
i-grond. Daarvan is sprake in geval van een combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer van de gronden bedoeld in de onderdelen c tot en met e, g en h van artikel 7:669 lid 3 aanhef Pro en onder i BW, die zodanig is dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter is van oordeel dat het ontbindingsverzoek van [de verzoeker] op deze grond evenmin toewijsbaar is en overweegt daartoe het volgende.
4.25.
Hiervoor onder 4.11 al is geoordeeld dat de h-grond zich in het onderhavige geval niet voordoet en dat de door [de verzoeker] aan zijn ontbindingsverzoek ten grondslag gelegde omstandigheden in feite neerkomen op omstandigheden die onder de a en g grond kunnen worden geschaard. De a-grond doet bij de cumulatie echter niet ter zake, zodat enkel nog de g-grond resteert. Van een cumulatie van ten minste twee ontslaggronden genoemd onder i is hier dan ook geen sprake. Daarnaast geldt dat ten aanzien van de g-grond reeds is overwogen dat de verstoorde arbeidsverhouding verband houdt met de ziekte van [de verweerder] en het opzegverbod bij ziekte aan ontbinding in de weg staat.
Conclusie
4.26.
De slotsom van het voorgaande is dat er geen grond bestaat voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zodat het ontbindingsverzoek van [de verzoeker] wordt afgewezen en het primaire verzoek van [de verweerder] tot afwijzing van het ontbindingsverzoek wordt toegewezen.
4.27.
Omdat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen, wordt aan de beoordeling van hetgeen door [de verweerder] subsidiair, te weten bij wijze van tegenverzoeken in geval de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, is verzocht, voorts niet toegekomen.
Achterstallig loon augustus 2025
4.28.
[de verweerder] heeft verzocht om betaling van een bedrag van € 624,30 netto ter zake van achterstallig loon over de maand augustus 2025, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging en rente. Volgens [de verweerder] is dit bedrag aan reiskosten namelijk ten onrechte ingehouden op het loon over augustus 2025.
4.29.
[de verzoeker] heeft zich ten aanzien van dit verzoek op het standpunt gesteld dat het bedrag van € 624,30 netto volgens haar terecht is ingehouden en betrekking heeft op door [de verzoeker] betaalde reiskosten in de periode december 2024 tot en met februari 2025. Omdat [de verweerder] in die periode winterverlof genoot, mocht [de verzoeker] deze onverschuldigd betaalde reiskosten nadien verrekenen, aldus [de verzoeker] .
4.30.
De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek van [de verweerder] tot uitbetaling van achterstallig loon over de maand augustus 2025 wordt afgewezen en overweegt daartoe het volgende.
4.31.
Vooropgesteld wordt dat [de verweerder] , anders dan in het kort geding vonnis d.d. 20 februari 2026 staat vermeld, heeft betwist in de periode van december 2024 tot en met februari 2025 onbetaald verlof te hebben genoten. Wel heeft [de verweerder] erkend in deze periode betaalde vakantiedagen te hebben opgenomen. Voldoende vast staat dan ook dat [de verweerder] in de hiervoor genoemde periode in ieder geval voor een langere periode verlof heeft genoten.
4.32.
Uit de arbeidsovereenkomst tussen partijen volgt dat [de verweerder] recht heeft op reiskostenvergoeding. Dat [de verweerder] ook recht heeft op reiskostenvergoeding in geval van (vakantie)verlof volgt echter niet uit de arbeidsovereenkomst en evenmin uit de toepasselijke CAO (CAO Technisch Installatiebedrijf). Een verplichting voor [de verzoeker] om de reiskosten in de periode van december 2024 tot en met februari 2025 aan [de verweerder] door te betalen, bestond naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet. De door [de verzoeker] over deze periode betaalde reiskosten zijn derhalve aan te merken als een onverschuldigd betaald loonbestanddeel en [de verzoeker] was dus gerechtigd om deze reiskosten met het loon van [de verweerder] van de maand augustus 2025 te verrekenen (artikel 7:632 lid 1 sub d BW Pro).
Achterstallig loon over de periode van 1 november 2025 tot en met januari 2026
4.33.
[de verweerder] heeft bij wijze van tegenverzoek onder meer aanspraak gemaakt op achterstallig loon over de periode van 1 november 2025 tot en met januari 2026, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging en rente. Daartoe heeft [de verweerder] – kort gezegd – aangevoerd dat hoewel juist is dat hij aanvankelijk de wens had om in de voornoemde periode onbetaald verlof op te nemen en hij daartoe bij [de verzoeker] ook een verzoek heeft ingediend, daarover tussen partijen nooit definitieve overeenstemming is bereikt. Daarnaast heeft [de verweerder] vanwege zijn ziekte in de voornoemde periode ook geen onbetaald verlof kunnen genieten. [de verweerder] stelt dan ook aanspraak te hebben over het loon over deze periode.
4.34.
Volgens [de verzoeker] heeft [de verweerder] voor de periode van 1 november 2025 tot en met januari 2026 onbetaald verlof aangevraagd en toegekend gekregen, zodat over deze periode geen loon verschuldigd is. In dit verband wijst [de verzoeker] erop dat tot dan toe het aanvragen van verlof nooit op hele formele wijze plaatsvond.
4.35.
De kantonrechter is op basis van hetgeen door partijen naar voren is gebracht van oordeel dat [de verweerder] geen recht heeft op loon over de periode van 1 november 2025 tot en met januari 2026.
4.36.
In dit verband wordt er allereerst op gewezen dat de arbeidsovereenkomst noch de toepasselijke CAO specifieke bepalingen bevatten omtrent het opnemen van onbetaald verlof. Onbetaald verlof is daarnaast ook geen in de wet geregeld verlof waarop een werknemer aanspraak kan maken. Gekeken dient dan ook te worden naar de afspraken die partijen daarover onderling met elkaar hebben gemaakt. Daarbij is onder meer ook van belang de wijze waarop aanvragen voor verlof in de praktijk tot dan toe plaatsvonden.
4.37.
Niet in geschil is dat [de verweerder] in de winterperiode 2024/2025 voor langere periode verlof heeft opgenomen om te kunnen verblijven in Portugal en evenmin dat hij de wens had om dat ook voor de periode van 1 november 2025 tot en met januari 2026 te doen. Daartoe is door [de verweerder] bij WhatsApp-bericht bovendien ook een concreet verzoek tot het mogen opnemen van onbetaald verlof bij [de verzoeker] gedaan.
4.38.
De kantonrechter is van oordeel dat het WhatsApp-bericht van [de verzoeker] van 26 mei 2025, bekeken in het licht van hoe de verlofaanvragen tussen partijen tot dan toe in de praktijk plaatsvonden, kan worden aangemerkt als een akkoord op het door [de verweerder] gedane verzoek. Weliswaar dienen de woorden van [de verzoeker] “
Dat is allemaal te regelen” in de context van het gehele WhatsApp-gesprek te worden geplaatst, maar uit alle tussen partijen gevoerde correspondentie volgt ook niet dat [de verzoeker] niet akkoord was met het verzoek van [de verweerder] tot onbetaald verlof. Daarbij komt dat nergens uit volgt dat [de verweerder] in de periode van mei tot november 2025 zelf nog aan [de verzoeker] heeft bericht dat hij het verlof, dat hij eerder had aangevraagd, niet meer wenste op te nemen. Ook niet nadat [de verzoeker] [de verweerder] er bij WhatsApp-bericht van 20 oktober 2025 nog expliciet op attendeerde dat [de verweerder] in de periode november 2025 tot en met januari 2026 onbetaald verlof zou opnemen. Er vanuit gegaan mag dan ook worden dat er tussen partijen al definitieve overeenstemming over het opnemen van onbetaald verlof was bereikt. De omstandigheid dat [de verweerder] ziek is geworden voordat het onbetaald verlof in ging maakt op zichzelf daarnaast nog niet dat het onbetaalde verlof dus geen doorgang hoefde te vinden. Immers ook tijdens ziekte bestaat recht op (onbetaald) verlof en kan daartoe een wens bestaan.
4.39.
Tijdens onbetaald verlof bestaat geen recht op loon bij ziekte. Dat [de verweerder] ziek is geworden en uiteindelijk mogelijk geen gebruik heeft kunnen maken van het onbetaalde verlof, in die zin dat hij niet heeft kunnen overwinteren in Portugal, maakt dit naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Het verzoek van [de verweerder] tot uitbetaling van achterstallig loon over de periode van 1 november 2025 tot en met januari 2026 wordt dan ook afgewezen.
Dwangsommen
4.40.
[de verweerder] heeft voorts aanspraak gemaakt op een bedrag van € 5.000,- aan dwangsommen die volgens hem uit hoofde van het kort gedingvonnis van 20 februari 2026, meer specifiek 5.3. van de beslissing, zouden zijn verbeurd. [de verzoeker] heeft op zijn beurt betwist dat er dwangsommen zijn verbeurd.
4.41.
De kantonrechter is met [de verzoeker] van oordeel dat er geen dwangsommen uit hoofde van het kort gedingvonnis van 20 februari 2026 zijn verbeurd en motiveert dit oordeel als volgt.
4.42.
Bij kort gedingvonnis van 20 februari 2026 heeft de kantonrechter [de verzoeker] onder 5.3. van de beslissing veroordeeld om [de verweerder] vanaf 48 uur na betekening van dat vonnis toe te laten tot re-integratiewerkzaamheden, voor zover een bedrijfsarts [de verweerder] daartoe in staat acht, op de gebruikelijke wijze en zonder beperkingen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of per deel van een dag dat [de verzoeker] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, met een maximum van € 5.000,-. Gesteld noch gebleken is echter dat de bedrijfsarts [de verweerder] al in staat heeft geacht om
re-integratiewerkzaamheden (bij [de verzoeker] ) te verrichten, zodat er naar het oordeel van de kantonrechter ook (nog) geen dwangsommen zijn verbeurd.
4.43.
De kantonrechter volgt [de verweerder] bovendien niet in zijn stelling dat 5.3. van de beslissing ruimer dient te worden uitgelegd, in die zin dat onder ‘
toe te laten tot re-integratiewerkzaamheden’ ook dient te worden verstaan dat [de verzoeker] ‘dient mee te werken aan re-integratie c.q. te voldoen aan haar wettelijke re-integratieverplichtingen’. De beslissing van het kort gedingvonnis sluit immers exact aan bij de vordering zoals deze door [de verweerder] zelf onder I is ingesteld. Indien [de verweerder] deze vordering ruimer heeft bedoeld, had hij deze vordering zelf als zodanig dienen in te stellen. Uit de beoordeling en beslissing van de kantonrechter volgt, anders dan door [de verweerder] is gesteld, daarnaast ook niet dat de veroordeling onder 5.3. ruimer is bedoeld.
Re-integratieverplichtingen
4.44.
[de verweerder] heeft verzocht om [de verzoeker] te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van de in deze te wijzen beschikking te voldoen aan haar wettelijke re-integratieverplichtingen door (i) een arbeidsdeskundige in te schakelen om een arbeidsdeskundig onderzoek te laten verrichten, (ii) zich te onthouden van gedraging(en) die de re-integratie van [de verweerder] belemmeren, waaronder (maar niet beperkt tot) het beledigen, intimideren en/of pesten van [de verweerder] en (iii) [de verweerder] toe te laten tot re-integratiewerkzaamheden, voor zover de bedrijfsarts [de verweerder] daartoe in staat acht, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of per deel van een dag dat [de verzoeker] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen.
4.45.
Vooropgesteld wordt dat zolang de arbeidsovereenkomst tussen partijen voortduurt en [de verweerder] (deels) arbeidsongeschikt is, [de verzoeker] in beginsel gehouden is om als werkgever aan zijn re-integratieverplichtingen te voldoen. De kantonrechter stelt vast dat [de verweerder] zijn verzoek in feite baseert op het bepaalde in artikel 7:658a BW. Uit dit artikel volgt onder meer dat de werkgever tijdens de gehele duur van het dienstverband verantwoordelijk is voor de re-integratie van de zieke werknemer. Daarbij is de werkgever verplicht zodanige maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn, opdat de werknemer in staat wordt gesteld de eigen of andere passende arbeid te verrichten (artikel 7:658a lid 2 BW). De werkgever dient in de eerste plaats de terugkeer van de werknemer in de eigen arbeid te bevorderen. Wanneer vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht, wordt gezocht naar andere passende arbeid binnen het bedrijf van de werkgever. Is die niet voorhanden, dan bevordert de werkgever de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.
4.46.
Het verzoek van [de verweerder] onder (i) wordt toegewezen. Uit onder meer de door [de verweerder] als producties 4a en b overgelegde eerstejaarsevaluatie en periodieke evaluatie van de bedrijfsarts volgt dat er een onderzoek door een (arbeids)deskundige is geadviseerd ten einde te laten onderzoeken of eigen werk passend is, passend te maken is of dat er ander passend werk binnen de organisatie is. Daarnaast is geadviseerd dat voor zover dat er niet is, conform de wet verbetering poortwachter een reïntegratiebedrijf in de arm moet worden genomen om andere werk bij een andere werkgever te zoeken. Het advies van de bedrijfsarts is weliswaar een ‘richtinggevend’ advies, maar dit advies is naar het oordeel van de kantonrechter wel in lijn met het bepaalde in artikel 7:658a BW. De kantonrechter acht het in de gegeven omstandigheden dan ook redelijk dat dit advies wordt opgevolgd. Dit geldt te meer nu duidelijk is dat partijen met elkaar in een impasse terecht zijn gekomen en het van belang is dat zij hieruit geraken, aangezien het dienstverband nog altijd voort duurt. Daarbij komt dat door [de verzoeker] weliswaar is gesteld dat er geen passende werkzaamheden binnen haar organisatie voorhanden zijn, maar dat dit tot op heden door een (onafhankelijke) derde niet is onderzocht en vastgesteld. Inmiddels is bovendien sprake van één jaar ziekte, zodat ook de mogelijkheden in het tweede spoor dienen te worden onderzocht.
4.47.
Het verzoek onder (ii) wordt afgewezen omdat dit verzoek te onbepaald is om te worden toegewezen en de kantonrechter voorziet dat toewijzing daarvan zal kunnen leiden tot tal van executieproblemen. Het voorgaande laat evenwel onverlet dat [de verzoeker] zich (vanzelfsprekend) als goed werkgever behoort te gedragen. Beledigen, pesten en intimideren hoort daar uitdrukkelijk niet bij.
4.48.
Het verzoek onder (iii) wordt toegewezen. Weliswaar is juist dat dit verzoek bij kort gedingvonnis van 20 februari 2026 reeds is toegewezen en dat in de onderhavige procedure dus in wezen hetzelfde verzoek nogmaals ter beoordeling wordt voorgelegd, maar dit maakt niet dat [de verweerder] dus geen belang heeft bij dit verzoek. Een veroordeling in kort geding betreft immers slechts een voorlopige voorziening en in casu wordt verzocht om een veroordeling in een bodemprocedure. Daarnaast geldt dat hoewel er thans nog niet van is gebleken dat de bedrijfsarts [de verweerder] in staat heeft geacht om re-integratiewerkzaamheden bij [de verzoeker] te verrichten, [de verweerder] wel een voldoende belang heeft bij toewijzing van het door hem onder (iii) verzochte. Immers zodra [de verweerder] wel in staat is om re-integratiewerkzaamheden bij [de verzoeker] te verrichten, dient hij daartoe door [de verzoeker] in de gelegenheid te worden gesteld.
4.49.
De door [de verweerder] verzochte dwangsom van € 250,- per dag of deel van een dag dat [de verzoeker] in gebreke blijft aan de veroordelingen onder (i) en (iii) te voldoen wordt toegewezen, zij het dat deze wordt gemaximeerd op een bedrag van € 5.000,-.
Verlofadministratie
4.50.
[de verweerder] heeft ook nog verzocht om [de verzoeker] te veroordelen aan hem een deugdelijke verlofadministratie te verstrekken over de jaren 2023, 2024, 2025 en 2026, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of deel van een dag dat [de verzoeker] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen. Daartoe heeft [de verweerder] gesteld dat er tussen partijen discussie bestaat over de omvang van het verlofsaldo van [de verweerder] . [de verzoeker] heeft aangevoerd dat het lastig is de administratie te reconstrueren aangezien partijen jarenlang op vriendschappelijke wijze hebben samengewerkt, maar dat zij zich zal inspannen om een zo deugdelijk mogelijke verlofadministratie te verstrekken. Volgens [de verzoeker] is oplegging van een dwangsom daarom niet nodig.
4.51.
Het verzoek van [de verweerder] wordt toegewezen, zij het dat de kantonrechter aanleiding ziet om de verzochte dwangsom vast te stellen op een bedrag van € 100,- per dag of deel van een dag dat [de verzoeker] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 2.500,-. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.52.
De werkgever is gezien het bepaalde in onder meer artikel 7:641 lid 2 BW Pro verplicht de administratie van de genoten en openstaande vakantiedagen bij de houden en de werknemer desgewenst inzage in deze administratie en zo nodig bewijs te verschaffen. De omstandigheid dat partijen jarenlang op vriendschappelijke basis hebben samengewerkt maakt dit niet anders en ontslaat [de verzoeker] als werkgever niet van deze verplichting. Omdat daarnaast niet in geschil is dat partijen twisten over de omvang van het nog openstaande saldo aan verlofuren, heeft [de verweerder] bovendien een voldoende belang bij inzage in de verlofadministratie.
4.53.
De enkele toezegging van [de verzoeker] om zich te zullen inspannen om de verlofadministratie te verstrekken, vormt in dit geval, gelet op al hetgeen tussen partijen tot nu toe is voorgevallen, geen reden om geen dwangsom op te leggen. Immers ook in het onderhavige verzoek heeft [de verzoeker] kennelijk geen reden gezien om alvast tot overlegging van de verlofadministratie over te gaan. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om de verzochte dwangsom te matigen en maximeren tot de hiervoor genoemde bedragen.
Bruto/netto-specificatie
4.54.
[de verweerder] heeft tot slot ook nog verzocht om [de verzoeker] te veroordelen om gelijktijdig met en ten aanzien van de uit te keren bruto bedragen een deugdelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van
€ 250,- per dag of per deel van een dag dat [de verzoeker] in gebreke blijft aan die veroordeling te voldoen.
4.55.
Nu uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [de verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter geen (bruto) bedragen meer aan [de verweerder] verschuldigd is, bestaat voor toewijzing van de ten aanzien daarvan te verstrekken bruto/netto-specificaties ook geen aanleiding. Dit verzoek van [de verweerder] wordt dan ook afgewezen.
Proceskosten
4.56.
De kantonrechter bepaalt dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
5.2.
veroordeelt [de verzoeker] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [de verweerder] een deugdelijke verlofadministratie te verstrekken over de kalenderjaren 2023, 2024, 2025 en 2026, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of deel van een dag dat [de verzoeker] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen,
5.3.
veroordeelt [de verzoeker] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking te voldoen aan haar re-integratieverplichtingen door:
  • een arbeidsdeskundige in te schakelen om een arbeidsdeskundig onderzoek te verrichten,
  • [de verweerder] toe te laten tot re-integratiewerkzaamheden, voor zover de bedrijfsarts [de verweerder] daartoe in staat acht,
zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of deel van een dag dat [de verzoeker] in gebreke blijft aan deze veroordelingen te voldoen,
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt,
5.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J.M. van Breevoort en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
2108

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
4.Rechtbank Gelderland 28 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1076