ECLI:NL:RBGEL:2026:5652

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
K/5004/12195428
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 7.1 Cao HorecaArt. 7.2 Cao HorecaArt. 7.3 Cao Horeca
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkgever ernstig verwijtbaar voor niet betalen loon, ontslag op staande voet gerechtvaardigd

De werknemer was van januari tot maart 2026 in dienst als zelfstandig werkend kok bij de werkgever. Ondanks herhaalde verzoeken betaalde de werkgever het loon niet, wat leidde tot ziekmelding en uiteindelijk ontslag op staande voet door de werknemer. De arbeidsovereenkomst viel onder de Cao Horeca.

De werkgever verscheen niet in de procedure en gaf geen verweer. De kantonrechter stelde vast dat de werkgever ernstig verwijtbaar handelde door het loon niet te betalen, wat een dringende reden vormde voor het ontslag op staande voet. De loonvorderingen, inclusief achterstallig salaris, wettelijke verhoging, vakantiebijslag, niet-genoten vakantie-uren, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding, werden toegewezen.

De kantonrechter wees ook de billijke vergoeding af vanwege het korte dienstverband en het feit dat de werknemer elders werk vond. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de gevorderde bedragen minus een reeds gedane betaling, plus wettelijke rente en proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, vakantiebijslag, schadevergoeding, transitievergoeding en proceskosten wegens ernstig verwijtbaar handelen en rechtvaardigt ontslag op staande voet.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 12195428 \ HA VERZ 26-24
Beschikking van 25 juni 2026
in de zaak van
[naam verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [de verzoeker] ,
gemachtigde: mr. W.P. Ganzeboom,
toevoegingsnummer: 2HD4104
tegen
[naam verweerder] , H.O.D.N. [naam verwerend bedrijf],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [de verweerder] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties
- het exploot van betekening
- de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- het emailbericht van 3 juni 2026 van de zijde van [de verzoeker] met de mededeling dat [de verweerder] op 1 juni 2026 een bedrag van € 5.306,39 netto op de bankrekening van [de verzoeker] heeft overgemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[de verzoeker] , geboren op [geboortedatum] , is van 5 januari 2026 tot 30 maart 2026 in dienst geweest bij [de verweerder] in de functie van zelfstandig werkend kok tegen een loon van € 17,57 bruto per uur.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst is de Cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf Khn (Cao Horeca) van toepassing.
2.3.
In de arbeidsovereenkomst zijn de volgende bepalingen opgenomen met betrekking tot arbeidstijd en salaris, die relevant zijn voor deze zaak:
  • artikel 2 lid Pro 4:
  • artikel 3 lid Pro 1:
  • artikel 3 lid Pro 3:
Jaarlijks wordt in de maand juni een vakantietoeslag uitgekeerd gelijk aan 8% van het bruto jaarsalaris. Indien jouw Arbeidsovereenkomst in de loop van het jaar aanvangt en/of eindigt dan wel de arbeidsduur per week is gewijzigd, vindt pro rata uitbetaling van de vakantietoeslag plaats.
- Artikel 4 lid Pro 1:
Jij hebt recht op opbouw van vakantie-uren als bepaald in de Cao voor het horeca- en aanverwante bedrijf van Khn (Cao Horeca).
2.4.
Bij brief van 6 februari 2026 is [de verzoeker] zijdens [de verweerder] op de hoogte gesteld van de volgende wijzigingen per 1 februari 2026:
  • loon per maand: € 2.436,37
  • vast aantal uur op contract: 32.
2.5.
[de verzoeker] heeft zich op 7 maart 2026 ziek gemeld.
2.6.
Productie 5 bij het verzoek betreft appberichten van [de verzoeker] aan [de verweerder] met verzoeken aan haar om zijn salaris te betalen.
2.7.
De gemachtigde van [de verzoeker] heeft bij brief van 18 maart 2026 [de verweerder] verzocht het achterstallig loon over januari en februari 2026 vermeerderd met emolumenten, wettelijke verhoging en wettelijke rente te voldoen.
2.8.
[de verzoeker] heeft op 30 maart 2026 [de verweerder] het volgende gemaild:
“(…)
Naar aanleiding van het niet betalen van het loon vanaf 05-01-26 en geen reactie op zowel de loonvorderingsbrief die op 05-03-2026 is verstuurd en sommatie van de advocaat die op 19-03-206 is verstuurd, die ik mijn ontslag op staande voet in.
Er is voldoende tijd geweest en er zijn genoeg mogelijkheden geweest om mij te contacteren om deze kwestie op te lossen en in plaats hiervan is de keuze gemaakt om de betalingsverplichting die in het Artikel 3: Salaris Pro en overige emolumenten van het arbeidscontract staat volledig te negeren.
(…)”
2.9.
[de verweerder] heeft op 30 maart 2026 aan [de verzoeker] medegedeeld dat gezien zijn opzegging de arbeidsovereenkomst eindigt op 31 maart 2026 en dat de eindafrekening uiterlijk binnen 30 kalenderdagen na einde dienstverband zal worden opgesteld.

3.Het verzoek

3.1.
[de verzoeker] verzoekt de kantonrechter:
te verklaren voor recht dat het handelen van [de verweerder] door vanaf de aanvang geen salaris te betalen een dringende reden heeft gegeven om het dienstverband met onmiddellijke ingang op te zeggen en dat [de verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld;
[de verweerder] te veroordelen tot betaling van:
a. € 8.512,32 bruto aan achterstallig salaris over januari t/m maart 2026;
b. € 4.256,16 bruto aan wettelijke verhoging;
c. € 2.890,51 aan gefixeerde schadevergoeding;
d. € 229,22 bruto aan transitievergoeding;
e. € 3.515,- netto aan billijke vergoeding;
f. de wettelijke rente over alle verschuldigde bedragen vanaf datum indiening van onderhavig verzoek tot aan de dag van de volledige betaling;
g. de proces- en nakosten met bepaling dat alle kosten die [de verzoeker] moet maken om betaling van toegewezen vorderingen te verkrijgen voor rekening van [de verweerder] zijn.
3.2.
[de verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat [de verweerder] zijn salaris ondanks herhaalde verzoeken daartoe niet heeft betaald. Een situatie die voor hem dermate ziekmakend was dat hij zich op 7 maart 2025 ziek heeft moeten melden en zich vervolgens om die reden ook genoodzaakt zag om op 30 maart 2026 ontslag op staande voet te nemen.
3.3.
[de verweerder] heeft niet gereageerd op het verzoek en is ook niet op de zitting verschenen.

4.De beoordeling

[de verweerder] is niet verschenen
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat [de verweerder] , ondanks behoorlijke oproeping, geen verweerschrift heeft ingediend en ook niet is verschenen op de mondelinge behandeling. Er zal dan ook tegen haar verstek worden verleend.
Verklaring voor recht
4.2.
[de verweerder] heeft gedurende het dienstverband ondanks herhaalde verzoeken het salaris aan [de verzoeker] niet voldaan. Daarmee staat vast dat [de verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Ook heeft zij daarmee [de verzoeker] een dringende reden gegeven het dienstverband op 30 maart 2026 met onmiddellijke ingang op te zeggen.
De verzochte verklaring voor recht wordt dan ook toegewezen.
De betalingsverzoeken van [de verzoeker]
4.3.
De verzoeken van [de verzoeker] zijn, gelet op het feit dat [de verweerder] niet verschenen is in deze procedure, niet weersproken. Dat betekent dat de verzoeken in beginsel kunnen worden toegewezen, tenzij deze de kantonrechter ongegrond of onrechtmatig voorkomen. De diverse betalingsverzoeken worden hierna besproken.
Achterstallig loon
4.4.
[de verzoeker] verzoekt uitbetaling van een bedrag van € 8.512,31 bruto vermeerderd met een bedrag van € 4.256,16 bruto aan wettelijke verhoging, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente. Het gaat daarbij om uitbetaling van salaris over de maanden januari, februari en maart 2026.
4.4.1.
Met betrekking tot de maand januari 2026 stelt [de verzoeker] dat hij 138,10 uur heeft gewerkt in plaats van het aantal van 126,42 uur dat de loonstrook vermeld. Gelet daarop wordt bij gebreke van een weerwoord uitgegaan van het door [de verzoeker] genoemde aantal van 138,10 uur.
4.4.2.
Voor de maand februari 2026 gaat [de verzoeker] uit van 138,67 uur, terwijl op de loonstrook van februari een aantal van 125,87 wordt vermeld. Het verschil zit in aftrek van twee keer 6,40 ter zake van ‘wachtdag’ en van ‘ziekte jaar 1’. [de verweerder] heeft dus in de maand februari 2026 een wachtdag ingehouden. Artikel 7.1 van de CAO schrijft dat ook voor. Nu [de verzoeker] niet heeft aangevoerd dat hij geen enkele dag ziek is geweest in februari moet worden aangenomen dat daar wel sprake van is geweest en dat er dus één wachtdag geldt. De aftrek van 6,40 uur wordt dan ook toegepast. Geen acht wordt geslagen op de tweede aftrek van 6,40 uur, nu niet duidelijk is waar die betrekking op heeft. Voor de maand februari 2026 geldt dus een urenaantal van 132,27.
4.4.3.
In de maand maart 2026 heeft [de verzoeker] zich per 7 maart 2026 ziekgemeld. Bij gebreke van nadere informatie daaromtrent wordt er van uitgegaan dat deze ziekmelding gelegen is binnen 4 weken van de ziekmelding in februari 2026 en dus geen extra wachtdag ingehouden kan worden. [de verzoeker] gaat uit van 131,6 uren in deze maand. Dat aantal wordt overgenomen. In de berekening is evenwel geen correctie van 95% loondoorbetaling bij ziekte vanaf datum ziekmelding toegepast. Een dergelijk percentage is wel bepaald in de artikelen 7.2 en 7.3 van de cao en wordt dan ook conform toegewezen.
4.4.4.
Gelet op het vorenstaande bedraagt het aantal uren waarvan uitgegaan wordt in totaal 401,97 uur. Deze dienen te worden uitbetaald met dien verstande dat vanaf 7 maart 2026 tot en met 30 maart 2026 een loondoorbetalingsverplichting van 95% van het salaris geldt. Het toe te wijzen bedrag wordt verder vermeerderd met de wettelijke verhoging.
Vakantiebijslag en vakantie-uren
4.5.
[de verzoeker] heeft percentages voor vakantiebijslag en niet genoten vakantie-uren bij het salaris over de maanden januari tot en met maart 2026 opgeteld. Het dienstverband is per 31 maart 2026 geëindigd, waarbij [de verweerder] , zoals zij ook in haar brief van
30 maart 2026 aan [de verzoeker] had toegezegd, binnen een maand de eindrekening, bestaande uit vakantiebijslag en niet-genoten vakantie-uren had dienen op te maken en uit te keren.
4.5.1.
Uitgaande van 401,97 uur is [de verweerder] een bedrag van (401,97 uur x € 17,57 x 0,08% =) € 565,- bruto aan vakantiebijslag verschuldigd. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke verhoging.
4.5.2.
Artikel 3.17 lid 5 van de CAO bepaalt dat een werknemer over elk arbeidsuur waarover je recht hebt op loon 0,096 uur wettelijke- en bovenwettelijke vakantie opbouwt. De kantonrechter rekent dan ook met dit percentage. Het verlofpercentage dat [de verzoeker] noemt van 10,64% kan zonder nadere toelichting die ontbreekt niet worden begrepen. Er dient dus ter zake van uitbetaling niet genoten vakantie-uren nog een bedrag te worden betaald van in totaal (401,97 uren over het dienstverband x 0,096 x
€ 18,98 – dat is € 17,57 uurloon vermeerderd met vakantiebijslag =) € 732,42 bruto te vermeerderen met de wettelijke verhoging.
Gefixeerde schadevergoeding
4.6.
[de verzoeker] heeft op 30 maart 2026 op staande voet ontslag genomen op grond van een dringende reden. Dat maakt dat [de verweerder] aan [de verzoeker] een vergoeding verschuldigd is gelijk aan het loon over de opzegtermijn te vermeerderen met vakantietoeslag. Uitgegaan wordt daarbij, conform het de methode gehanteerd door verzoeker, van een loon van (138,67 uur x € 18,98 =) € 2.631,96 bruto. Het door [de verzoeker] aangehaalde verlofpercentage wordt niet meegerekend in deze vergoeding en blijft dus buiten beschouwing.
Transitievergoeding
4.7.
De hoogte van de transitievergoeding, gebaseerd op het bruto maandsalaris vermeerderd met vakantiebijslag, komt op een iets lager bedrag uit dan door [de verzoeker] berekend en bedraagt € 210,06. Dat bedrag wordt toegewezen.
Billijke vergoeding
4.8.
De kantonrechter ziet geen aanleiding een billijke vergoeding toe te kennen, nu sprake is van een kort dienstverband en de inkomensschade van [de verzoeker] nihil is gelet onder meer op de toe te kennen gefixeerde schadevergoeding alsmede het feit dat hij aansluitend na beëindiging van het dienstverband elders in dienst is getreden. Verder geldt dat voor toekenning van immateriële vergoeding sprake kan zijn in geval van aantasting in de persoon, bijvoorbeeld eer en goede naam. Daarvan is echter niet gebleken. Met betrekking tot advocaatkosten geldt dat deze volgens vaste jurisprudentie niet betrokken worden bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding. Bovendien wordt ook al afzonderlijk verzocht om veroordeling in de proceskosten.
Wettelijke rente
4.9.
De wettelijke rente over alle verschuldigde bedragen is verzocht vanaf de dag van indiening van dit verzoek. Het verzoek is op 13 april 2026 ingekomen. De wettelijke rente met betrekking tot achterstallig loon en gefixeerde schadevergoeding wordt vanaf die datum toegewezen. Met betrekking tot de eindafrekening en de transitievergoeding geldt dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 1 mei 2026 en wordt dienovereenkomstig toegewezen.
Betaling op 1 juni 2026
4.10.
De gemachtigde van [de verzoeker] heeft op 3 juni 2026 bij emailbericht aan de rechtbank medegedeeld dat [de verzoeker] hem op 2 juni 2026 heeft laten weten dat [de verweerder] op 1 juni 2026 een bedrag van € 5.306,39 netto op zijn bankrekening heeft overgemaakt. Dit bedrag strekt in mindering op de uitkomst van de bedragen waartoe [de verweerder] veroordeeld wordt.
Proceskosten
4.11.
De proceskosten komen voor rekening van [de verweerder] , omdat [de verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [de verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat [de verweerder] door vanaf de aanvang geen salaris te betalen aan [de verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en daarmee aan [de verzoeker] een dringende reden heeft gegeven om het dienstverband op 30 maart 2026 met onmiddellijke ingang op te zeggen;
5.2.
veroordeelt [de verweerder] om aan [de verzoeker] te betalen:
  • het bruto-equivalent van een bedrag gelijk aan 401,97 uren maal het geldende bruto-uurloon van € 17,57 bruto, met dien verstande dat vanaf 7 maart 2026 tot aan de einddatum een loondoorbetalingsverplichting van 95% geldt, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2026 tot aan de dag van de volledige betaling;
  • € 565,- aan vakantiebijslag te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de volledige betaling;
  • € € 732,42 bruto aan niet genoten verlofdagen te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag van de volledige betaling;
  • € 2.631,96 bruto aan gefixeerde schadevergoeding alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 april 2026 tot aan de dag van de volledige betaling;
  • € 210,06 aan transitievergoeding;
  • een en ander te verminderen met de reeds door [de verweerder] verrichte betaling van € 5.306,39 netto;
5.3.
veroordeelt [de verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [1] ,
5.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.
548

Voetnoten

1.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.