ECLI:NL:RBGEL:2026:5808

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
K/5001/12195756
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671b lid 9 onder a BWArt. 7:671b lid 9 onder c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens onrechtmatig titelgebruik door arts zonder registratie

Arbovitale B.V. verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een arts die jarenlang de titel bedrijfsarts gebruikte zonder de formele registratie te hebben behaald. Na een duidelijke instructie van zijn supervisor om het titelgebruik aan te passen, bleef de arts bewust de titel '(bedrijfs)arts' voeren en verwijderde hij verplichte supervisieteksten uit rapportages.

De kantonrechter oordeelt dat Arbovitale al geruime tijd op de hoogte was van het ontbreken van de registratie en dat zij het onjuiste titelgebruik jarenlang heeft gefaciliteerd. Dit ontneemt de arts echter niet zijn verantwoordelijkheid vanaf het moment dat de duidelijke instructie werd gegeven in november 2025. Het handelen daarna vormt een grove misdraging die het professionele vertrouwen fundamenteel beschadigt.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden op de e-grond wegens verwijtbaar handelen. De arts behoudt recht op transitievergoeding vanwege het falen van Arbovitale in haar controleplicht, maar een billijke vergoeding wordt afgewezen omdat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

De arbeidsovereenkomst eindigt per 1 september 2026, met toekenning van een bruto transitievergoeding van € 92.109,88 plus wettelijke rente vanaf 1 oktober 2026. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden wegens onrechtmatig titelgebruik met toekenning van transitievergoeding en afwijzing van billijke vergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer / rekestnummer: 12195756 \ HA VERZ 26-27
Beschikking van 20 juli 2026
in de zaak van
ARBOVITALE B.V.,
te Houten,
verzoekende partij,
hierna te noemen: Arbovitale,
gemachtigde: mr. I.J. de Laat,
tegen
[verweerder],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. M. Butter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- het aanvullende stuk van Arbovitale van 25 juni 2026
- het aanvullende stuk van [verweerder] van 26 juni 2026
- de aanvullende stukken van Arbovitale van 30 juni 2026
- de mondelinge behandeling van 2 juli 2026, waar de gemachtigden van partijen het woord hebben gevoerd aan de hand van de door hen overgelegde spreekaantekeningen en waar van het overige aantekening is gehouden door de griffier.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Arbovitale exploiteert, volgens haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een onderneming die zich richt op het verlenen van arbozorg.
2.2.
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] 1965, is in 1998 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Arbovitale in de functie van arts voor arbeid en gezondheid. Bij brief van 8 november 1999 is dit dienstverband omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij werd vastgelegd dat [verweerder] stond ingepland om per januari 2000 te starten met de specialistenopleiding tot sociaal geneeskundige (hierna te noemen: opleiding tot bedrijfsarts).
2.3.
[verweerder] is in januari 2000 met de opleiding tot bedrijfsarts gestart. In 2004 heeft hij deze opleiding wegens privéomstandigheden voortijdig gestaakt, waardoor hij de formele registratie als bedrijfsarts nooit heeft verkregen.
2.4.
In 2009 heeft er tussen [verweerder] en (de rechtsvoorganger van) Arbovitale overleg plaatsgevonden over het alsnog afronden van de opleiding tot bedrijfsarts.
2.5.
In het kader van een overgang van onderneming is [verweerder] met ingang van
1 juli 2012 bij Arbovitale in dienst getreden. In de destijds gesloten arbeidsovereenkomst is vastgelegd dat [verweerder] de functie van bedrijfsarts bekleedt.
2.6.
Het actuele salaris van [verweerder] bedraagt € 9.447,17 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.
2.7.
[verweerder] is door Arbovitale gedurende het dienstverband bij haar opdrachtgevers ingezet onder de functiebenaming van bedrijfsarts. In het kader van deze inzet heeft Arbovitale, althans haar rechtsvoorganger, aan [verweerder] , onder meer tijdens een detachering bij supermarktketen Dirk van den Broek, fysieke stempels verstrekt waarop zijn naam en de functietitel “bedrijfsarts” stonden vermeld.
2.8.
Bij e-mail van 26 maart 2025 heeft regiomanager [regiomanager] (hierna: [regiomanager] ) aan [verweerder] , voor zover van belang, het volgende geschreven:
“(…) Allereerst dank voor het open gesprek op 25 maart jl over je wens en verzoek om de opleiding tot bedrijfsarts weer op te mogen pakken. (...) Bovenstaande voorwaarden wijken af van het huidig vigerend opleidingsreglement, echter gezien het feit dat het verzoek om de opleiding te gaan doen op jouw initiatief is ontstaan en het opleidingstraject toentertijd door omstandigheden in de privésfeer vroegtijdig gestopt is, acht de werkgever het gerechtvaardigd de hierboven vermelde voorwaarden te mogen verbinden aan jouw verzoek. (…)”
2.9.
Bij e-mail van 13 oktober 2025 heeft [regiomanager] aan [verweerder] meegedeeld dat [verweerder] op dat moment als ANIOS (arts niet in opleiding tot specialist) zonder supervisor werkzaam was. [regiomanager] heeft [verweerder] in deze e-mail verzocht om voor 1 november 2025 zelf een supervisor te regelen, aangezien eerdere inspanningen van Arbovitale daartoe zonder resultaat waren gebleven.
2.10.
Arbovitale heeft vervolgens [supervisor] (hierna: [supervisor] ) aangesteld als supervisor voor [verweerder] . [supervisor] was destijds als coördinerend bedrijfsarts werkzaam bij de Gemeente Amsterdam, een van de opdrachtgevers van Arbovitale.
2.11.
Op 19 november 2025 is [verweerder] door zijn supervisor [supervisor] meegedeeld dat het voeren van de titel “(bedrijfs)arts” niet was toegestaan omdat deze titel tot verwarring zou kunnen leiden.
2.12.
[verweerder] heeft de instructie van 19 november 2025 uitsluitend opgevolgd bij zijn werkzaamheden voor de Gemeente Amsterdam. Bij andere opdrachtgevers van Arbovitale is [verweerder] de titel “(bedrijfs)arts” handmatig blijven invoeren in plaats van de door het systeem gegenereerde standaardaanduiding (toevoeging ktr: kennelijk “arts”). Daarbij heeft [verweerder] de automatisch gegenereerde tekst –
“Tot slot. Als arts werk ik onder supervisie van een geregistreerde bedrijfsarts. Als de medewerker informatie wenst zoals de naam van of een consult met de supervisor, hoor ik dat graag.”– handmatig uit zijn rapportages verwijderd.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Arbovitale verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege disfunctioneren, meer subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding en uiterst subsidiair vanwege de cumulatiegrond, zijnde een combinatie van de e-, d- en g-grond.
3.2.
Arbovitale heeft primair aan het verzoek ten grondslag gelegd dat sprake is van verwijtbaar handelen van [verweerder] , zodanig dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (de e-grond). Zij stelt dat [verweerder] zich onterecht en stelselmatig heeft gepresenteerd met de titel “(bedrijfs)arts” en dat hij, ook na een uitdrukkelijke instructie en waarschuwing van zijn supervisor in november 2025, rapportages handmatig is blijven manipuleren om de verplichte vermelding van supervisie te verwijderen. Volgens Arbovitale heeft [verweerder] hiermee bewust de indruk gewekt dat hij een zelfstandig bevoegd bedrijfsarts was, terwijl hij wist dat hij die kwalificatie niet bezat. Dit handelen vormt volgens Arbovitale een ethisch en professioneel grove misdraging die het noodzakelijke professionele vertrouwen heeft beschadigd.
3.3.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding. Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.3.
Arbovitale baseert haar ontbindingsverzoek primair op de e-grond. De kantonrechter overweegt dat voor een succesvol beroep op deze grond geen sprake hoeft te zijn van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Waar het in de kern om gaat is of de gedraging van dien aard is dat voortzetting van het dienstverband in redelijkheid niet meer van de werkgever kan worden verlangd. Dit kan worden bepaald door de ernst van het verwijt, maar evengoed door de aard van het gedrag, bijvoorbeeld wanneer het noodzakelijke professionele vertrouwen hierdoor fundamenteel is beschadigd.
4.4.
De beoordeling of dit vertrouwen onherstelbaar is beschadigd is te allen tijde situatie-afhankelijk en vereist een weging van alle concrete omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de werkzaamheden, de functie en de mate van moedwilligheid van de werknemer, zoals het welbewust handelen tegenover onvoorzichtig handelen. Bij een ontbinding op de e-grond geldt niet de zware eis dat het ontslag een ultimum remedium moet zijn. Er is in de basis dan ook geen voorafgaande schriftelijke waarschuwing of disciplinaire maatregel vereist. Wel ligt in de e-grond besloten dat het voor de werknemer vooraf kenbaar moet zijn geweest dat het betreffende gedrag door de werkgever als ontoelaatbaar wordt gezien. Deze kenbaarheid kan blijken uit de evidente ontoelaatbaarheid van het gedrag, uit kenbaar gemaakt bedrijfsbeleid, of bijvoorbeeld uit het feit dat een werknemer door de werkgever expliciet is aangesproken of gewaarschuwd, hetgeen eventuele onduidelijkheid of een situatie waarin de werkgever de wijze van werken in het verleden ongemoeid heeft gelaten, per direct opheft.
4.5.
Bij de weging of de gedragingen van [verweerder] een ontbinding op de e-grond rechtvaardigen, is de specifieke feitelijke context waarin deze hebben plaatsgevonden van doorslaggevend belang.
4.6.
In dat verband staat vast dat [verweerder] in 2004 de opleiding tot bedrijfsarts voortijdig heeft gestaakt en nimmer de formele registratie als bedrijfsarts heeft verkregen. Omdat hij geen geregistreerd bedrijfsarts was, was hij wettelijk verplicht om zijn bedrijfsgeneeskundige handelingen te allen tijde onder supervisie van een wel geregistreerde bedrijfsarts te verrichten. Daarbij moeten de supervisor en [verweerder] de werknemer te informeren over de taakdelegatie.
4.7.
Verder is voor de feitelijke context van belang vanaf welk moment Arbovitale ervan op de hoogte was dat [verweerder] de opleiding tot bedrijfsarts niet had voltooid. Dit is immers relevant voor de beoordeling van de mate waarin de gedragingen hem kunnen worden verweten. In dat verband heeft Arbovitale in haar verzoekschrift gesteld dat zij er tot aan deze procedure vanuit ging dat [verweerder] de opleiding destijds wel succesvol had afgerond en dat zijn registratie als bedrijfsarts per 31 januari 2016 was verlopen. [verweerder] heeft dit gemotiveerd betwist. Hij heeft uitgelegd dat hij de opleiding grotendeels heeft gevolgd, maar niet heeft afgerond. Verder heeft hij ter zitting onweersproken gesteld dat hij in 2009 met de rechtsvoorganger van Arbovitale had gesproken over het alsnog afronden van de opleiding tot bedrijfsarts. Dit moest destijds in eigen tijd gebeuren en om die reden heeft [verweerder] dat toen niet doorgezet.
4.8.
De kantonrechter overweegt dat de stelling van Arbovitale, dat zij pas door het verweerschrift in deze procedure ontdekte dat [verweerder] de opleiding nooit had afgerond, gelet op de e-mail van [regiomanager] van 26 maart 2025, niet houdbaar is. In deze e-mail staat expliciet geschreven dat het opleidingstraject destijds wegens “omstandigheden in de privésfeer vroegtijdig was gestopt”. Nu door partijen niet is gesteld en ook anderszins niet is gebleken dat [verweerder] op enig moment na 2004 opnieuw aan de opleiding tot bedrijfsarts is begonnen en dat tussentijds heeft gestaakt, kan deze verwijzing naar de privésfeer in de e-mail van [regiomanager] op niets anders slaan dan op de omstandigheden die zich in 2004 voordeden. De kantonrechter stelt op grond hiervan vast dat het Arbovitale uiterlijk op
26 maart 2025 volstrekt helder was dat [verweerder] de opleiding tot bedrijfsarts nooit had voltooid en hij derhalve de status van basisarts bezat.
4.9.
De wetenschap van Arbovitale gaat juridisch echter nog verder terug. Op een professionele arbodienst rust immers een strikte wettelijke plicht om bij het aangaan van een dienstverband de diploma’s en registers van haar artsen te controleren. Nu partijen per
1 juli 2012 een nieuwe arbeidsovereenkomst zijn aangegaan waarin Arbovitale [verweerder] zelf expliciet heeft aangesteld in de functie van “bedrijfsarts”, mag worden aangenomen dat zij destijds zijn kwalificaties heeft geverifieerd. Had zij dat nagelaten, dan komt dat als professionele organisatie volledig voor haar eigen risico. Arbovitale wist daarom reeds vanaf het tekenen van de arbeidsovereenkomst in 2012 dat [verweerder] de opleiding niet had afgerond, althans zij had dit op dat moment zeker kunnen en moeten weten.
4.10.
De kantonrechter overweegt dat op grond van de hiervoor vastgestelde feiten moet worden aangenomen dat Arbovitale er al geruime tijd van op de hoogte was dat [verweerder] de opleiding tot bedrijfsarts nooit had afgerond. Juist in het licht van die wetenschap weegt de daaropvolgende handelwijze van Arbovitale zwaar. Er is in de loop van de jaren een langdurige praktijk ontstaan waarin [verweerder] door Arbovitale als bedrijfsarts tewerk is gesteld. Arbovitale, althans haar rechtsvoorganger, heeft dit gedrag in het verleden niet alleen getolereerd, maar zelfs actief gefaciliteerd door aan [verweerder] fysieke stempels te verstrekken waarop zijn eigen naam in combinatie met de functietitel “bedrijfsarts” stonden vermeld.
4.11.
Nu Arbovitale dit gedrag in het verleden zelf actief heeft gefaciliteerd, ontbreekt voor die eerdere periode de voor een e-grond vereiste “kenbaarheid vooraf”. Weliswaar droeg [verweerder] als medisch professional een eigen verantwoordelijkheid voor een correcte titelvoering, maar hij hoefde er gelet op de opstelling van Arbovitale niet op te rekenen dat zij zijn wijze van presenteren als ontoelaatbaar beschouwde.
4.12.
De door Arbovitale zelf gecreëerde jarenlange gang van zaken ontslaat [verweerder] als medisch professional echter niet van zijn eigen verantwoordelijkheid voor zijn handelen vanaf het moment dat hier duidelijke grenzen aan werden gesteld. Het stond Arbovitale volledig vrij om, mede gelet op haar eigen wettelijke verplichtingen, te besluiten dat er aan deze onjuiste situatie onmiddellijk een einde moest komen. Volgens vaste rechtspraak kan de vereiste kenbaarheid vooraf immers alsnog worden gevestigd door een bijkomende omstandigheid, zoals een duidelijke en ondubbelzinnige instructie van de werkgever waarmee aan een situatie die eerder werd toegelaten een einde wordt gemaakt.
4.13.
Naar het oordeel van de kantonrechter is zo’n duidelijke instructie gegeven op
19 november 2025. Op die datum is [verweerder] door zijn supervisor [supervisor] expliciet en ondubbelzinnig gewezen op het feit dat het voeren van de titel met haakjes, “(bedrijfs)arts”, wegens het verwarrende karakter ervan niet (langer) was toegestaan. [verweerder] had na deze uitdrukkelijke instructie moeten begrijpen dat de jarenlange gang van zaken was beëindigd en dat hij zijn presentatiewijze per direct diende aan te passen aan zijn feitelijke status van basisarts werkzaam onder supervisie.
4.14.
Het verweer van [verweerder] dat hij zich mocht blijven baseren op de jarenlange gang van zaken of op een vermeende afspraak uit 2019 met zijn toenmalige manager [naam] om de titel met haakjes te voeren, faalt derhalve. Nog daargelaten dat het bestaan van de gestelde afspraak door Arbovitale is betwist, overweegt de kantonrechter dat een medisch professional zich na een duidelijke instructie van zijn supervisor in november 2025 niet kan verschuilen achter het feit dat de werkgever in het verleden niet strikt handhaafde. Het stond Arbovitale volledig vrij om het voeren van de onjuiste titel met haakjes te verbieden. [verweerder] diende die instructie onvoorwaardelijk op te volgen. Met deze directe instructie is een duidelijke grens getrokken, waarmee de vereiste kenbaarheid vooraf vanaf dat moment onmiskenbaar vaststaat.
4.15.
[verweerder] heeft ter zitting desgevraagd erkend dat hij de duidelijke instructie van [supervisor] slechts gedeeltelijk heeft opgevolgd, namelijk uitsluitend bij de Gemeente Amsterdam. Bij andere opdrachtgevers is hij de titel met haakjes bewust blijven gebruiken.
Omdat de norm hem door [supervisor] volstrekt helder was gemaakt, faalt zijn verweer dat er eerst nog een formele schriftelijke waarschuwing had moeten volgen voordat er consequenties aan zijn handelen konden worden verbonden.
4.16.
De grond voor ontbinding wordt naar het oordeel van de kantonrechter definitief gegeven door de concrete en actieve wijze waarop [verweerder] vervolgens heeft gehandeld om de instructie van zijn supervisor te omzeilen. [verweerder] is bij andere opdrachtgevers de titel “(bedrijfs)arts” handmatig blijven invoeren in plaats van de door het systeem gegenereerde standaardaanduiding (toevoeging ktr: kennelijk “arts”). Daarbij heeft [verweerder] de automatisch door het systeem gegenereerde tekst over het werken onder supervisie handmatig uit zijn rapportages verwijderd.
4.17.
De ernst van de gedragingen van [verweerder] is dan ook niet gelegen in de historische praktijk van vóór 19 november 2025, maar in dit welbewuste handelen daarna. Door deze actieve, herhaalde ingrepen heeft hij de feitelijke en wettelijk vereiste supervisiestructuur willens en wetens voor patiënten en cliënten verhuld, nota bene direct nadat hij door zijn supervisor op de ontoelaatbaarheid daarvan was gewezen. Dit actieve handelen vormt een ethische en professionele grove misdraging die de kern aantast van de integriteit en betrouwbaarheid die van een medisch professional mag worden verlangd. Het noodzakelijke professionele vertrouwen tussen partijen is hierdoor fundamenteel en onherstelbaar beschadigd. De ernst van dit gedrag is van een zodanige omvang dat van Arbovitale in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Nu sprake is van een voldragen e-grond, ligt herplaatsing niet in de rede. [2] Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt daarom toegewezen.
4.18.
Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 september 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [3]
4.19.
[verweerder] heeft verzocht om toekenning van de wettelijke transitievergoeding. Arbovitale heeft zich hiertegen verweerd met de stelling dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [verweerder] .
4.20.
De kantonrechter stelt voorop dat de drempel voor ernstige verwijtbaarheid erg hoog ligt en terughoudend moet worden toegepast. Een werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het handelen of nalaten niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt. Bij de beoordeling hiervan moeten de omstandigheden van het geval worden betrokken voor zover deze van invloed zijn op de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemer. Bij de omstandigheden die van invloed zijn op de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemer in diens verhouding tot de werkgever moet in voorkomend geval ook het handelen of nalaten van de werkgever worden betrokken. Specifiek moet dus worden gekeken naar de mate waarin de werkgever zelf steken heeft laten vallen.
4.21.
In dat verband staat vast dat het gedrag van [verweerder] na 19 november 2025 verwijtbaar is. Hij heeft immers handmatig rapporten gecorrigeerd om de verplichte transparantie omtrent de supervisie te wissen en om de schijn te wekken dat hij zelfstandig bevoegd bedrijfsarts was. Bij de vraag of dit gedrag als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt weegt de rol van Arbovitale echter zeer zwaar.
4.22.
Op een professionele arbodienst rust een eigen, zware wettelijke verantwoordelijkheid om de BIG-registraties en kwalificaties van haar artsen actief te controleren en te bewaken. Arbovitale, althans haar rechtsvoorganger, heeft op dit punt ernstig gefaald. Zij heeft [verweerder] in 2012 nota bene zelf een arbeidsovereenkomst verstrekt voor de functie van bedrijfsarts, terwijl zij wist, althans behoorde te weten dat hij de vereiste papieren niet bezat. In plaats van de situatie te corrigeren, heeft Arbovitale deze onjuiste titelvoering vervolgens jarenlang formeel in stand gehouden, [verweerder] als zodanig ingezet bij haar opdrachtgevers en hem zelfs voorzien van gepersonaliseerde stempels met de titel “bedrijfsarts”.
4.23.
Hoewel de plotselinge, strenge instructie van november 2025 voor [verweerder] direct duidelijk had moeten zijn, is de situatie waarin hij dacht op deze wijze te kunnen handelen mede gecreëerd door het jarenlange, totale gebrek aan controle en de actieve facilitering door Arbovitale zelf. Dit weegt in de onderlinge verhouding zo zwaar, dat de hoge drempel voor ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verweerder] niet wordt gehaald. [verweerder] behoudt daarom zijn recht op de transitievergoeding. Deze vergoeding ter hoogte van € 92.109,88 bruto wordt toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 oktober 2026.
4.24.
[verweerder] heeft tot slot nog om een billijke vergoeding verzocht. De kantonrechter ziet evenwel geen aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [4] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [5]
4.25.
In dit geval is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van Arbovitale dat tot de ontbinding heeft geleid. Weliswaar heeft de kantonrechter hiervoor geoordeeld dat Arbovitale grote steken heeft laten vallen door [verweerder] als bedrijfsarts aan te stellen, stempels op zijn naam te regelen en nooit zijn registratie te controleren, maar dat jarenlange nalaten is niet de oorzaak van de ontbinding. De directe aanleiding voor de ontbinding ligt immers in de eigen gedragingen van [verweerder] na 19 november 2025. Vanaf die datum wist [verweerder] immers dat hij de titel “(bedrijfs)arts” niet meer mocht gebruiken. Dat hij er vervolgens herhaaldelijk en bewust voor heeft gekozen om rapportages handmatig te manipuleren om de verplichte supervisietekst te wissen en zijn benaming te wijzigen naar “(bedrijfs)arts”, is een omstandigheid die volledig in zijn eigen risicosfeer ligt. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dan ook niet het gevolg van het eerdere nalaten van Arbovitale, maar is het rechtstreekse gevolg van het eigen gedrag van [verweerder] nadat hij door [supervisor] expliciet op de regels omtrent het titelgebruik was gewezen. Omdat er dus geen direct causaal verband bestaat tussen het nalaten van Arbovitale en het uiteindelijke einde van de arbeidsovereenkomst, is niet voldaan aan de wettelijke eisen voor de toekenning van een billijke vergoeding. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
4.26.
Nu aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden, behoeft Arbovitale geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken.
4.27.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog dat er geen acht is geslagen op de door Arbovitale op 25 juni 2026 ingediende nadere producties, waarvan [verweerder] heeft gesteld dat hij deze niet heeft ontvangen. Tijdens de mondelinge behandeling is afgesproken dat [verweerder] alsnog de gelegenheid zou krijgen om op deze producties te reageren indien de kantonrechter deze stukken zou betrekken bij de beoordeling van het geschil. Nu de kantonrechter deze nadere producties niet bij de beslissing heeft betrokken, behoeft [verweerder] niet meer in de gelegenheid te worden gesteld om hierop te reageren. De kantonrechter heeft de feiten immers uitsluitend vastgesteld op basis van de over en weer door partijen ontvangen stukken en de eigen verklaringen van [verweerder] ter zitting, waarin hij heeft erkend dat hij na november 2025 de titel “(bedrijfs)arts” is blijven voeren en de geautomatiseerde supervisietekst heeft verwijderd.
4.28.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat beide partijen op punten ongelijk krijgen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2026,
5.2.
veroordeelt Arbovitale om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 92.109,88 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 oktober 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
verklaart deze beschikking ten aanzien van de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,
5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op
20 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
26396 / 68707

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW Pro.
3.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
4.Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.
5.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (