ECLI:NL:RBGEL:2026:5985

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
AWB-24_2769
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:34 AwbArt. 5:35 AwbArt. 5:37 AwbArt. 5:39 AwbArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke uitspraak over handhaving illegale bouwwerken en gebruik perceel

Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn over handhaving van illegale bouwwerken en gebruik van een perceel van een derde-partij. Na eerdere vernietiging van besluiten door de rechtbank, nam het college nieuwe besluiten en legde last onder dwangsom op.

De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte niet heeft beslist op het gebruik van gebouw G door anderen dan de derde-partij en het hobbymatig houden van vee, wat strijdig is met het bestemmingsplan. Ook is het onterecht dat dwangsommen voor gebouwen A en G op nihil zijn gesteld en dat het college concludeerde dat de overtreding met betrekking tot mestopslag was beëindigd terwijl de vloer nog aanwezig is.

Verder zijn bezwaarschriften tegen besluiten over last onder dwangsom en invordering van dwangsommen onjuist behandeld. De rechtbank vernietigt delen van de besluiten en beveelt het college om opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt delen van de besluiten en beveelt het college om opnieuw te beslissen op het handhavingsverzoek en de invordering van dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/2769

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. L. Bolier),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn

(gemachtigde: mr. R.S. Boersma).

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij] uit [woonplaats]

(gemachtigde: mr. A. van Lohuizen).

Samenvatting

1. Na de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 augustus 2023 [1] heeft het college op 15 april 2024 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en op 27 mei 2024 een daarbij behorende last onder dwangsom aan de derde-partij opgelegd [2] . Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers daartegen hebben ingesteld.
De uitspraak gaat ook over:
  • het besluit van 11 februari 2025 (met kenmerk: 44799, 43776, 4001585) waarin de beslissing op bezwaar van 15 april 2024 (44799, 43776, 4001585) is gewijzigd;
  • het besluit van 2 juli 2025 (5603673) waarin het college aan de derde-partij een nieuwe last onder dwangsom heeft opgelegd;
  • het besluit van 10 juli 2025 (5603673) waarin het college heeft beslist op het handhavingsverzoek van 6 februari 2025;
  • het besluit van 30 september 2025 (5603673/5824394) waarin de last onder dwangsom van 2 juli 2025 is ingetrokken;
  • het besluit van 2 juli 2025 (5772421-1) aan de derde-partij waarin de verbeurde dwangsommen met betrekking tot schuur B zijn ingevorderd;
  • het besluit van 12 juni 2025 (5772421) waarin het verzoek van eisers van 6 februari 2025 om invordering van verbeurde dwangsommen gedeeltelijk is afgewezen;
  • het besluit aan de derde-partij van 12 juni 2025 (5772421-2) naar aanleiding van het verzoek van de derde-partij van 11 november 2024 om uitstel van sloop en opschorting van dwangsommen. In het besluit is besloten om de verbeurde dwangsommen die zien op schuur A en G op nihil te zetten.
1.1.
Het beroep is gegrond. Eisers krijgen gedeeltelijk gelijk. Het college heeft ten onrechte niet beslist op het handhavingsverzoek van eisers met betrekking tot het in strijd met het bestemmingsplan gestelde gebruik van gebouw G door anderen dan de derde-partij en het in strijd met het bestemmingsplan gestelde hobbymatig houden van vee op het perceel van de derde-partij. Dit was ook al geoordeeld door de rechtbank in de uitspraak van 8 augustus 2023. Daarnaast heeft het college de verbeurde dwangsommen ten aanzien van gebouw A en gebouw G niet op nihil kunnen stellen. Ook is het college ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de overtreding met betrekking tot de mestopslag is beëindigd en dat daarom geen dwangsommen zijn verbeurd. De bezwaarschriften tegen de besluiten van 2 juli 2025 en 10 juli 2025 (5603673) zijn ten onrechte naar de rechtbank doorgezonden ter behandeling als beroepschrift. Het college zal deze beroepschriften tegen deze besluiten in behandeling moeten nemen als bezwaarschrift en hierop met in achtneming van de uitspraak moeten beslissen.

Procesverloop

2. In de beslissing op bezwaar van 15 april 2024 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaarschrift van eisers nadat de rechtbank de eerdere beslissing op bezwaar heeft vernietigd. Het college heeft het handhavingsverzoek van eisers toegewezen.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 15 april 2024.
2.2.
Op 27 mei 2024 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan de derde-partij. De besluiten van 15 april 2024 en 27 mei 2024 moeten worden beschouwd als samenstellende bestanddelen van de in heroverweging gegeven beslissing op bezwaar.
2.3.
Op 11 februari 2025 heeft het college de beslissing op bezwaar van 15 april 2024 gewijzigd. Het beroep heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op dit wijzigingsbesluit.
2.4.
Op 12 juni 2025 en 2 juli 2025 heeft het college invorderingsbesluiten genomen en besloten tot nihil stelling van verbeurde dwangsommen. Het beroep heeft op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb van rechtswege mede betrekking op deze besluiten.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college. Tijdens de zitting is het onderzoek geschorst omdat op de zitting is gebleken dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest. De bezwaarschriften tegen de last onder dwangsom en de invorderingsbesluiten waren niet aan de rechtbank doorgestuurd, terwijl dat wel had gemoeten. Daarom heeft de rechtbank het onderzoek tijdens de zitting geschorst om partijen de gelegenheid te geven om de ontbrekende stukken alsnog aan de rechtbank toe te zenden.
2.6.
Het college heeft op 17 december 2025 de ontbrekende stukken alsnog doorgezonden naar de rechtbank. Partijen hebben daarna hun standpunten ten aanzien van de verschillende procedures naar voren gebracht.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
3. Eisers wonen op het perceel [adres 1] in [woonplaats] . De derde-partij woont op het naastgelegen perceel [adres 2] . Eisers hebben op 19 oktober 2020 een handhavingsverzoek ingediend bij het college. Dit hebben eisers gedaan omdat zij overlast ondervinden door het gebruik dat de derde-partij maakt van zijn perceel. Eisers ervaren geluids- en geuroverlast en stellen dat er sprake is van een rattenplaag. Eisers hebben het college ook verzocht om handhavend op te treden tegen volgens hen illegale bebouwing op het perceel van de derde-partij en stellen dat het gebruik van het perceel voor agrarische doeleinden en opslag in strijd is met de agrarische- en woonbestemming uit het bestemmingsplan “ [woonplaats] en buitengebied”.
Wat is er gebeurd na de uitspraak van deze rechtbank van 8 augustus 2023?
4. Deze uitspraak gaat over het vervolg op de uitspraak van deze rechtbank van 8 augustus 2023 [3] . De voorgeschiedenis van deze procedure is in die uitspraak opgenomen. De rechtbank heeft in die uitspraak de beslissingen op bezwaar van 7 oktober 2021 [4] en 27 juni 2022 [5] vernietigd.
4.1.
Het college heeft op 15 april 2024 naar aanleiding van de uitspaak van de rechtbank een nieuwe beslissing op bezwaar genomen en een last onder dwangsom aan de derde-partij aangekondigd. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard voor zover dat ziet op het handhavingsverzoek met betrekking tot het bedrijfsmatig houden van dieren, de rattenoverlast en de geuroverlast. Het college heeft ook vastgesteld dat gebouwen C, D, E vergunningvrij zijn en voor gebouw F in 1940 een omgevingsvergunning is verleend. Daarom is er volgens het college geen grond om tegen deze gebouwen op te treden. Het college heeft daarnaast beslist om handhavend op te treden tegen gebouwen A, B, G, de houtopslag, de mestopslag, en de hekwerken.
4.2.
In het besluit van 27 mei 2024 [6] heeft het college vervolgens aan de derde-partij een last onder dwangsom opgelegd. De last onder dwangsom is gebaseerd op een nieuwe controle. Daarbij is gebleken dat de overtredingen van het bouwen en het gebruik van gebouwen A en B, de aanbouw aan gebouw G, de houtopslag, de mestopslag en de hekwerken in het gebied op de agrarische bestemming niet kunnen worden gelegaliseerd.
4.3.
In het besluit van 11 februari 2025 [7] heeft het college de op 15 april 2024 genomen beslissing op bezwaar gewijzigd en de motivering daarvan aangepast omdat uit het beroepschrift van eisers blijkt dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze kenbaar te maken tegen het nieuwe onderzoek over de overlast van ratten dat heeft plaatsgevonden op de [adres 2] . Er is gebleken dat de e-mail op grond waarvan eisers hun zienswijze kenbaar konden maken eisers niet heeft bereikt. De gronden van beroep, voor zover deze gericht waren tegen het rattenonderzoek, zijn vervolgens voorgelegd aan een deskundige op het gebied van plaagdieren. Dit heeft geleid tot een nieuw onderzoek ter plaatse. Dit onderzoek is uitgevoerd door het Kennis en Adviescentrum Dierplagen (KAD). Eisers hebben hierop gereageerd. Het college heeft vastgesteld dat er geen grondslag is om handhavend op te treden omdat er gelet op de uitkomst van het onderzoek van KAD op dit moment geen overlast van ratten aanwezig is.
4.4.
In de brief van 6 februari 2025 hebben eisers een nieuw verzoek om handhaving gedaan omdat naar mening van eisers niet binnen de begunstigingstermijn is voldaan aan de opgelegde lasten van 27 mei 2024. Daarom hebben eisers verzocht om een nieuwe last onder dwangsom op te leggen. In de brief van 6 februari 2025 hebben eisers het college ook gevraagd de inmiddels verbeurde dwangsommen in te vorderen.
4.5.
Naar aanleiding van het verzoek van eisers is er op 2 juli 2025 (5603673) een nieuwe last onder dwangsom opgelegd voor gebouw G omdat er nog steeds sprake is van een overtreding vanwege het afwijken van een eerder verleende omgevingsvergunning. Voor de overige punten van het handhavingsverzoek is volgens het college aan de lasten voldaan.
4.6.
In het besluit van 12 juni 2025 (5772421) heeft het college het verzoek van eisers van 6 februari 2025 om invordering van verbeurde dwangsommen gedeeltelijk afgewezen [8] .
In het besluit aan de derde-partij van 12 juni 2025 (5772421-1) naar aanleiding van het verzoek van de derde-partij van 12 november 2024 om uitstel van sloop en opschorting van dwangsommen heeft het college besloten om de verbeurde dwangsommen die zien op gebouw A en gebouw G niet in te vorderen.
4.7.
In het proces-verbaal van bevindingen van 2 september 2025 staat dat de toezichthouder van het college heeft geconstateerd dat de overtreding met betrekking tot gebouw G is beëindigd. Daarom heeft het college de last onder dwangsom van 2 juli 2025 in het besluit van 30 september 2025 ingetrokken.
4.8.
Volgens het college is op het moment van de zitting sprake van de situatie dat aan de opgelegde lasten onder dwangsom van 27 mei 2024 en 2 juli 2025 is voldaan omdat de schuren A, B, G, de houtopslag en de mestopslag zijn verwijderd. De verbeurde dwangsommen ten aanzien van schuur B zijn ingevorderd tot een bedrag van € 2.500,-. Voor de schuren A en G is weliswaar niet binnen de begunstigingstermijn voldaan aan de last onder dwangsom maar zijn de dwangsommen gematigd tot € 0,- (op nihil gesteld). Dit naar aanleiding van het verzoek van de derde-partij van 11 november 2024 om uitstel van sloop en opschorting van dwangsommen omdat in de schuren zwaluwnesten zijn aangetroffen.
Beroep voor zover gericht tegen de beslissing op bezwaar van 15 april 2024
5. De rechtbank stelt vast dat het wijzigingsbesluit van 11 februari 2025 in de plaats is getreden van de beslissing op bezwaar van 15 april 2024. Dat betekent dat eisers geen procesbelang meer hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 15 april 2024. Het beroep van eisers gericht tegen de beslissing op bezwaar van 15 april 2024 is daarom niet-ontvankelijk. De rechtbank komt niet toe aan de beroepsgrond dat het aan de beslissing op bezwaar van 15 april 2024 ten grondslag gelegde onderzoek naar overlast van ratten niet ziet op de situatie ten tijde van het nemen van dat besluit. Er is voor de gewijzigde beslissing op bezwaar een nieuw onderzoek uitgevoerd.
Beroep voor zover gericht tegen de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 februari 2025
Rattenoverlast
6. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte, zonder dat te motiveren, de in het deskundigenrapport van het Kennis en Adviescentrum Dierplagen (KAD) van 15 augustus 2024 gegeven aanbevelingen om rattenoverlast te beperken niet heeft opgevolgd.
6.1.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 8 augustus 2023 in rechtsoverweging 32 over de rattenoverlast het volgende overwogen:
“Voor wat betreft de rattenoverlast merkt de rechtbank met betrekking tot de vraag wanneer er sprake is van een overtreding van artikel 7:21 en Pro 7:22 van het Bouwbesluit 2012 nog op dat daarvoor op grond van jurisprudentie van de Afdeling sprake dient te zijn van overmatige hinder. [9] Het college dient op basis van de bevindingen van de deskundige een oordeel te geven over de vraag of er sprake is van een zodanig ernstig geval van overlast dat er sprake is van overmatige hinder. Daarbij dient het uit te gaan van de situatie zoals deze is ten tijde van de nieuwe beslissing op bezwaar. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eisers en de derde-partij voor het nemen van het nieuwe besluit in de gelegenheid moeten worden gesteld om te kunnen reageren op het nieuwe deskundigenadvies.”
6.2.
Na de uitspraak van de rechtbank heeft op 13 november 2023 een controle plaatsgevonden uitgevoerd op het perceel [adres 2] om te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van overlast van ratten. De heer [persoon 1] , medewerker beheersing plaagdieren bij van Circulus-Berkel heeft op basis van de overlegde gegevens geconcludeerd dat geen sprake is van een rattenplaag of overlast door andere plaagdieren. Er zijn oude gangen gevonden, maar er is niet gebleken van recent gebruikte gangen of looppaden.
6.3.
In de beslissing op bezwaar van 15 april 2024 is opgenomen dat eisers op 15 maart 2024 in de gelegenheid zijn gesteld om op het deskundige advies te reageren en hier geen gebruik van heeft gemaakt. Uit het beroepschrift blijkt dat de brief van 15 maart 2024 niet is ontvangen door eisers. Omdat het college niet met zekerheid kon vaststellen of de stukken daadwerkelijk verstuurd zijn aan eisers heeft het college er voor gekozen een nieuwe controle ter plaatse te laten uitvoeren en eisers de gelegenheid te geven daarop te reageren.
Het KAD heeft de percelen [adres 2] en 18 op 15 augustus 2024 onderzocht en daarover een rapport uitgebracht. Uit het rapport blijkt dat voor wat betreft perceel [adres 2] sprake is van een reëel probleem. Er is volgens KAD sprake van ongewenst veel aanbod van onnodig voedsel en overbodige schuil- en nestelgelegenheden en in de huidige situatie kan de opslag van goederen, het onderhoud van het perceel en de leegstaande bouwvallige bijgebouwen op het perceel [adres 2] , een verhoogd risico geven op aanwezigheid van bruine ratten. Het KAD heeft in paragraaf 5 een aantal aanbevelingen gegeven om het risico te verkleinen:
  • het perceel [adres 2] ontdoen van onnodige en onjuiste opslag van goederen in en om schuren en bijgebouwen;
  • valvruchten structureel verwijderen;
  • bijgebouwen zonder onderhoud en functie laten verwijderen op het perceel [adres 2] ;
  • plaagdierbeheer en -beheersing op basis van Integrated Pest Management laten borgen in gemeentelijk beleid en in de uitvoeragenda's van (interne) stakeholders om herhaling van dergelijke situaties met risico op blijvende, herhalende of terugkerende rattenplaagdruk te voorkomen.
Eisers zijn het eens met de conclusies van het KAD maar vinden dat het college de aanbevelingen had moeten opvolgen. Het college heeft het rapport van het KAD aan de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 februari 2025 ten grondslag gelegd.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat het college terecht stelt dat het niet handhavend kon optreden omdat uit het onderzoek van het KAD blijkt dat er op dat moment geen sprake was van een rattenplaag. In de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 februari 2025 heeft het college de aanbevelingen van het KAD opgenomen en zo kenbaar gemaakt aan de derde-partij, maar omdat geen sprake was van een overtreding was er geen grondslag om de aanbevelingen als voorwaarde te verbinden aan een last onder dwangsom. Eisers hebben de bevindingen in het rapport van het KAD niet bestreden. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college niet van dit rapport uit heeft mogen gaan. Overigens heeft het college gevolg gegeven aan de aanbeveling om perceel [adres 2] te ontdoen van onnodige en onjuiste opslag van goederen in en om schuren en bijgebouwen. Het college heeft de derde-partij in de last onder dwangsom van 27 mei 2024 namelijk gelast om de opslag van mest en hout te verwijderen. Ook is opgetreden tegen de bijgebouwen A, B en G. Het laten liggen van valvruchten is op zichzelf geen overtreding waartegen kan worden opgetreden indien geen sprake is van rattenoverlast. De aanbeveling om plaagdierbeheer en -beheersing op basis van Integrated Pest Management laten borgen in gemeentelijk beleid is een aanbeveling aan het bevoegd gezag en valt buiten de voorliggende procedure.
6.5.
Tijdens de zitting hebben eisers aangegeven dat er nog steeds of opnieuw rattenoverlast bestaat die is gerelateerd aan de pony’s die op het perceel van de derde-partij worden gehouden. Volgens eisers worden de pony’s verzorgd door anderen dan de derde-partij. Daarnaast hebben eisers aangegeven dat er door de kleinzoon van de derde-partij oud brood wordt gehaald bij een bakker en dit brood wordt rondgestrooid op het perceel. Dat trekt volgens eisers ratten aan en heeft tot gevolg dat zij wekelijks ratten vangen op hun perceel. De rechtbank stelt vast dat dit betoog gaat over de situatie na het uitvoeren van het onderzoek van het KAD en het besluit van 11 februari 2025. Indien eisers menen dat op dit moment sprake is van overlast van ratten, kunnen zij opnieuw een verzoek om handhaving doen bij het college.
Gebruik gebouw G door anderen dan de derde-partij
6.6.
Eisers voeren aan dat het college in de gewijzigde beslissing op bezwaar van 11 februari 2025 ten onrechte niet heeft meegenomen wat de rechtbank in de uitspraak van 8 augustus 2023 heeft geoordeeld over het gebruik van het perceel door derden. Eisers wijzen erop dat het college in de uitspraak van de rechtbank is opgedragen hierop in de nieuwe beslissing op bezwaar te beslissen.
6.7.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 8 augustus 2023 in rechtsoverweging 32 overwogen dat:
“In de nieuwe beslissing op bezwaar dient ook wat eisers hebben aangevoerd over het gebruik van gebouw G door anderen dan de derde-partij te worden meegenomen, omdat dit in het handhavingsverzoek is genoemd en daarop in de bestreden besluiten niet is ingegaan.”
De rechtbank stelt vast dat het college in de beslissing op bezwaar van 15 april 2024 en de wijziging daarop van 11 februari 2025 niet is ingegaan op dit onderdeel van het handhavingsverzoek. De beroepsgrond slaagt. Het college zal hier alsnog op moeten beslissen.
Hobbymatig houden van vee
6.8.
Eisers voeren aan dat er geen (correct) gevolg is gegeven aan wat er in de rechtsoverwegingen 12.4 tot en met 12.7 van de uitspraak van de rechtbank van 8 augustus 2023 staat over het hobbymatig houden van pony’s op het perceel van de derde-partij. Het gebruik van bebouwing en terrein met een agrarische bestemming is niet voor hobbymatig gehouden dieren.
6.9.
In de uitspraak van de rechtbank van 8 augustus 2023 staat in de rechtsoverwegingen 12.4 tot en met 12.7, kort samengevat, dat het hobbymatig houden van dieren in strijd is met de bestemming “Agrarisch” omdat daar alleen bedrijfsmatig agrarisch gebruik is toegestaan. Het hobbymatig stallen van pony’s in gebouw A en het hobbymatig houden van kippen in gebouw B is daarom ook niet toegestaan. Daarnaast is niet gebleken dat het gebruik van de gebouwen A en B onder het gebruiksovergangsrecht valt.
6.10.
De rechtbank stelt vast dat eisers in hun verzoek om handhaving van 19 oktober 2020 hebben aangeven dat er dieren worden gehouden in strijd met het bestemmingsplan. Uit de beslissing op bezwaar van 14 april 2024 en het gewijzigde besluit van 11 februari 2025 volgt niet dat het college hier op heeft gehandhaafd naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank. Weliswaar blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van de toezichthouder van 17 juni 2025 dat de gebouwen A en B inmiddels zijn verwijderd, maar dit laat onverlet dat de agrarische gronden niet gebruikt mogen worden voor het hobbymatig houden van dieren. De beroepsgrond slaagt. Het college zal hier alsnog op moeten beslissen.
Tussenconclusie
6.11.
Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 11 februari 2025 is gegrond. De rechtbank zal de beslissing op bezwaar van 11 februari 2025 vernietigen voor zover daarin niet is beslist op het gebruik van gebouw G door anderen dan de derde-partij en het hobbymatig houden van vee, en het college opdragen om met in achtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift van eisers te beslissen.
Beroep voor zover gericht tegen de besluiten van 12 juni 2025 en het besluit van 2 juli 2025 naar aanleiding van het verzoek om invordering van verbeurde dwangsommen
7. Eisers hebben in de brief van 6 februari 2025 verzocht om de dwangsommen in te vorderen die zijn verbeurd door het niet voldoen aan de last onder dwangsom van 27 mei 2024. De derde-partij heeft in de brief van 12 november 2024 om uitstel gevraagd van sloop en opschorting van dwangsommen in verband met de aanwezigheid van zwaluwnesten in de schuren die hij moet verwijderen dan wel aanpassen.
7.1.
Het college heeft in het besluit van 12 juni 2025 (5772421) besloten om het verzoek tot invordering gedeeltelijk af te wijzen voor wat betreft de houtopslag en de mestopslag. De dwangsom voor wat betreft de gebouwen A en G matigt het college naar € 0,-. Het college is daarnaast voornemens om de dwangsom voor wat betreft gebouw B in te vorderen.
7.2.
Eveneens bij besluit van 12 juni 2025 (5772421-2), gericht aan de derde-partij, en in reactie op diens brief van 12 november 2024, heeft het college beslist om de verbeurde dwangsommen met betrekking tot de gebouwen A en G op nihil te stellen.
7.3.
Het college heeft op 2 juli 2025 (kenmerk: 5772421-1) een invorderingsbesluit genomen ten aanzien van gebouw B [10] . In het besluit van 10 juli 2025 (5772421) is aan eisers medegedeeld dat het college een invorderingsbesluit heeft genomen ten aanzien van gebouw B.
Ontvankelijkheid eisers ten aanzien van het besluit van 12 juni 2025 (5772421-2)
7.4.
Eisers hebben op 11 augustus 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 juni 2025 (5772421-2) aan de derde-partij. Volgens het college is het bezwaarschrift niet verschoonbaar te laat ingediend. Het college wijst erop dat eisers in hun bezwaarschrift van 26 juni 2025 al zijn opgekomen tegen de nihil stelling van de dwangsommen A en G en daarom op dat moment ook op de hoogte waren van het besluit van 12 juni 2025 aan de derde-partij.
7.5.
Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat het beroep van eisers tegen het besluit van 12 juni 2025 (5772421-2) niet-ontvankelijk moet worden verklaard volgt de rechtbank dit niet. Artikel 5:39 van Pro de Awb bepaalt dat beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Dit betekent dat de rechtbank van rechtswege moet oordelen over de door eisers ingediende bezwaren tegen het invorderingsbesluit (zie ook onder 2.5) dat door het college aan de rechtbank is doorgestuurd.
Procesbelang eisers ten aanzien van de besluiten van 12 juni 2025 (5772421 en 5772421-2)
7.6.
Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat eisers geen procesbelang meer zouden hebben bij de beoordeling van de invorderingsbesluiten volgt de rechtbank dat niet. Het college voert aan dat de overtredingen zijn beëindigd, maar eisers voeren argumenten aan waarom dat niet zo zou zijn en waarom dus moet worden ingevorderd. Eisers willen dat de door hen gestelde overtredingen worden beëindigd. Daarom hebben eisers belang bij de beoordeling van hun beroepsgronden. De rechtsvordering tot betaling van de gestelde verbeurde dwangsom is ook nog niet verjaard, omdat er tegen de last onder dwangsom van 27 mei 2024 nog beroep aanhangig is. Dit volgt uit artikel 5:35, tweede lid van de Awb. [11] In zoverre is het procesbelang ook niet komen te vervallen.
Heeft het college de verbeurde dwangsommen met betrekking tot de gebouwen A en G met toepassing van artikel 5:34 van Pro de Awb op nihil kunnen stellen?
7.7.
Eisers voeren aan dat het college ten onrechte de verbeurde dwangsommen met betrekking tot gebouw A en G op nihil heeft gezet en niet is overgegaan tot invordering van de volgens hen verbeurde dwangsommen. Het college stelt zich verder ten onrechte op het standpunt dat aan de last onder dwangsom ten aanzien van de mestopslag voldaan, omdat de mestopslag niet (geheel) is verwijderd. Daarnaast voeren eisers aan dat het college geen toepassing heeft kunnen geven aan het verzoek van de derde-partij om op grond van artikel 5:34 van Pro Awb en vanwege het broedseizoen de sloop uit te mogen stellen en de invordering van dwangsommen op te schorten omdat dit verzoek niet binnen de bezwaartermijn dan wel begunstigingstermijn is gedaan. Ook voeren eisers aan dat de derde-partij de mogelijkheid heeft gehad om aan de begunstigingstermijn te voldoen zonder in het broedseizoen te komen.
7.8.
Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [12]
Gebouwen A en G
7.9.
In de last onder dwangsom van 27 mei 2024 is de derde-partij gelast om voor 28 augustus 2024 de gebouwen A en G te verwijderen dan wel aan te passen. Vast staat dat de derde-partij niet binnen de begunstigingstermijn heeft voldaan aan deze lasten. Dit volgt uit het rapport van de toezichthouder van het college van 14 mei 2025 waaruit blijkt dat de bouwwerken op dat moment nog ongewijzigd aanwezig waren. Op 12 november 2024 heeft de derde-partij verzocht om uitstel van sloop en opschorting van dwangsommen omdat in de gebouwen zwaluwnesten aanwezig zouden zijn. Het college heeft dit verzoek opgevat als verzoek om toepassing van artikel 5:34 van Pro de Awb. De rechtbank oordeelt dat het college dit verzoek ten onrechte heeft ingewilligd. Toepassing van artikel 5:34 van Pro de Awb is niet bedoeld voor een situatie waarin het maximum aan te verbeuren dwangsommen reeds is bereikt [13] . Reeds daarom slaagt de beroepsgrond. Het voorgaande betekent dat het college over had moeten gaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen omdat de overtredingen met betrekking tot gebouw A en G niet voor het einde van de begunstigingstermijn zijn verwijderd.
Mestopslag
7.10.
In de last onder dwangsom van 27 mei 2024 is aangegeven dat op het perceel van de derde-partij een constructie aanwezig is ten behoeve van mestopslag. Deze constructie bestaat uit een vloer met schotten en wordt aangemerkt als bouwwerk. Het college heeft de derde-partij gelast het bouwwerk te verwijderen, omdat het niet kan worden toegestaan omdat het op gronden met een agrarische bestemming staat.
7.11.
In de besluiten van 12 juni 2025 (5772421 en 5772421-2) staat dat tijdens een controle op 5 december 2024 de toezichthouder heeft geconstateerd dat de mestopslag is verwijderd. Het is volgens het college niet bekend wanneer de mestopslag is verwijderd maar gelet op deze constatering wordt geen dwangsom ingevorderd.
7.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vloer van de mestopslag nog aanwezig is. Dit betekent dat de derde-partij niet aan de last heeft voldaan, omdat volgens de last het bouwwerk diende te worden verwijderd en de vloer daar onderdeel van uitmaakte. De vloer had dus ook moeten worden verwijderd. Als de derde-partij (uitsluitend) de vloer had willen laten liggen, dan had hij tegen de last moeten aanvoeren dat die te verstrekkend was en dat heeft hij niet gedaan. Het betoog van het college dat de aanwezige vloer zonder omgevingsvergunning aanwezig mag zijn maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt.
Heeft het beroep ook mede betrekking op het besluit van 2 juli 2025 (5772421-1)?
8. De rechtbank stelt vast dat het beroep tegen de last onder dwangsom niet mede betrekking heeft op het invorderingsbesluit van 2 juli 2025, omdat dit besluit door eisers niet is betwist.
Tussenconclusie
9. Het beroep voor zover gericht tegen de invorderingsbesluiten van 12 juni 2025 (5772421 en 5772421-2) is gegrond. De rechtbank zal deze besluiten vernietigen en het college opdragen met in achtneming van deze uitspraak opnieuw op het verzoek van eisers van 6 februari 2025 te beslissen.
Bezwaarschriften tegen de last onder dwangsom van 2 juli 2025 en de intrekking daarvan op 30 september 2025
10. Eisers hebben in de brief van 6 februari 2025 onder andere een nieuw verzoek om handhaving ingediend dat ziet op dezelfde overtredingen als die zijn opgenomen in de last onder dwangsom van 27 mei 2024. Het college heeft in het besluit van 2 juli 2025 (5603673) aan de derde-partij een nieuwe last onder dwangsom opgelegd die ziet op de zonder omgevingsvergunning gerealiseerde uitbreiding van gebouw G. In het besluit van 10 juli 2025 (5603673) heeft het college beslist op het verzoek van eisers en aangegeven dat op 2 juli 2025 aan de derde-partij een nieuwe last onder dwangsom is opgelegd ten aanzien van gebouw G. Daarnaast heeft het college aangegeven dat de overtredingen met betrekking tot gebouw A en B zijn beëindigd en dat de mestopslag en de houtopslag zijn verwijderd zodat daar niet tegen kan worden opgetreden. Het college heeft de last onder dwangsom van 2 juli 2025 in het besluit van 30 september 2025 ingetrokken nadat door de toezichthouder is geconstateerd dat de overtreding met betrekking tot gebouw G is beëindigd.
10.1.
De rechtbank stelt vast dat eisers op 6 februari 2025 een nieuw verzoek om handhaving hebben ingediend. De op 2 juli 2025 aan de derde-partij opgelegde last onder dwangsom is daarom een nieuw besluit. Dat betekent dat de besluiten van 2 juli 2025, 10 juli 2025 en 30 september 2025 geen besluiten zijn die op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb betrokken kunnen worden in de onderhavige procedure. Daarom zal de rechtbank de bezwaarschriften terugsturen aan het college.
Finale geschilbeslechting?
11. De rechtbank ziet in geen van de procedures mogelijkheden om over te gaan tot finale geschilbeslechting.
Wat moet het college doen naar aanleiding van deze uitspraak?
12. Het college dient opnieuw op het bezwaarschrift van eisers van 16 januari 2021 te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Het college zal daarbij op de volgende punten moeten beslissen:
  • het gestelde in strijd met het bestemmingsplan gebruik van gebouw G door anderen dan de derde-partij;
  • het gestelde in strijd met het bestemmingsplan hobbymatig houden van vee;
Het college zal opnieuw moeten beslissen op het verzoek van eisers om over te gaan tot invordering van verbeurde dwangsommen met betrekking tot gebouw A, G en de mestopslag met in achtneming van deze uitspraak.
12.1.
En het college zal de door de rechtbank naar het college teruggestuurde bezwaarschriften tegen de besluiten van 2 juli 2025 en 10 juli 2025 (5603673) in behandeling moeten nemen en hierop moeten beslissen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.736,- (1 punt voor het beroepschrift tegen de last onder dwangsom, 1 punt voor het beroepschrift tegen de invordering, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 4 december 2025, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 12 mei 2026 en 0,5 punt voor de reacties op de nadere stukken die door het college zijn ingediend, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1).
Eisers hebben verzocht om vergoeding van hun reiskosten. De rechtbank is van oordeel dat de reiskosten die eisers hebben gemaakt voor het bijwonen van de zittingen voor vergoeding in aanmerking komen. Deze kosten worden vergoed op basis van het openbaar vervoer, tweede klas. Daarom stelt de rechtbank de voor vergoeding in aanmerking komende reiskosten vast op € 76,88 (dat is acht keer een enkele reis van € 9,61 voor het bijwonen van de twee zittingen). Het verzoek van eisers om vergoeding van verletkosten wijst de rechtbank af omdat dit niet is onderbouwd. De gemachtigde van eisers heeft tijdens de zitting van 12 mei 2026 weliswaar opgemerkt dat bij de zitting van 4 december 2026 een proceskostenformulier zou zijn ingediend maar daarvan is de rechtbank niet gebleken.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht van € 187,- aan eisers vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen de beslissing op bezwaar van 15 april 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen de beslissing op bezwaar van 11 februari 2025 gegrond voor zover dat besluit ziet op het gestelde in strijd met het bestemmingsplan gebruik van gebouw G door anderen dan de derde-partij en het gestelde in strijd met het bestemmingsplan hobbymatig houden van vee;
  • vernietigt de beslissing op bezwaar van 11 februari 2025 in zoverre;
  • laat het beslissing op bezwaar van 11 februari 2025 voor het overige in stand;
  • bepaalt dat het college een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met in achtneming van deze uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen de last onder dwangsom van 2 juli 2025, het besluit van 10 juli 2025 en het intrekkingsbesluit van 30 september 2025 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen de invorderingsbesluiten van 12 juni 2025 (5772421 en 5772421-2) gegrond;
  • vernietigt de invorderingsbesluiten van 12 juni 2025 (5772421 en 5772421-2) voor zover het college niet is overgegaan tot invordering van verbeurde dwangsommen met betrekking tot gebouw A en G en de mestopslag;
  • bepaalt dat het college in zoverre opnieuw beslist op het verzoek tot invordering van 6 februari 2025 met in achtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eisers voor een bedrag van
€ 3.812,88;
- bepaalt dat het college het door eisers betaalde griffierecht van € 187,- aan hen vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid
van mr. M.H. Dijkman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
De rechter is niet in de gelegenheid
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.In de procedure met zaaknummers 21/5019, 21/5024 en 22/3114. De uitspraak heeft ECLI-nummer ECLI:NL:RBGEL:2023:4468 en is te raadplegen op www.rechtspraak.nl.
2.Deze procedure komt voort uit het verzoek om handhaving van eisers van 19 oktober 2020.
4.De ene beslissing op bezwaar van 7 oktober 2021 ziet op het gebruik van het perceel van de derde-partij, de andere beslissing op bezwaar ziet op de op het perceel van de derde-partij aanwezige bouwwerken.
5.Op 30 juli 2021 is een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van de uitbreiding van bijgebouw G. In de beslissing op bezwaar van 27 juni 2022 is het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. In de nieuwe beslissing op bezwaar van 21 maart 2024 heeft het college de omgevingsvergunning in heroverweging geweigerd. De derde-partij heeft het daartegen ingediende beroep (met procedurenummer 24/2811) ingetrokken.
6.De derde-partij heeft geen rechtsmiddelen ingediend tegen de last onder dwangsom.
7.De derde-partij heeft het tegen dit besluit ingediende beroepschrift op 7 mei 2025 ingetrokken.
8.Op grond van artikel 5:37, tweede lid van de Awb. In artikel 5:39, eerste lid van de Awb staat dat het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking heeft op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. Daarom ziet het beroep van eisers ook op dit besluit.
9.Zie ter vergelijking de uitspraak van 28 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:934 voor wat betreft artikel 7:21 Bouwbesluit Pro 2012 (overweging 3.1) en de uitspraak van 5 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2917 voor wat betreft artikel 7:22 Bouwbesluit Pro 2012 (overweging 3.2)
10.De derde-partij heeft geen bezwaar ingediend tegen de opgelegde last onder dwangsom van 2 juli 2025 (kenmerk: 5772421-1).
11.Zie ook bijvoorbeeld de uitspraak van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:789.
12.Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:887.
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1963.