ECLI:NL:RBGEL:2026:979

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AWB-25_2592
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 ParticipatiewetArt. 19 ParticipatiewetArt. 34 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens overschrijding vermogensgrens zonder zeer dringende redenen

Eiser heeft een aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet ingediend, welke door het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn is afgewezen vanwege overschrijding van de vermogensgrens van €7.770. Eiser voerde aan dat er zeer dringende redenen zijn die bijstand toch rechtvaardigen, vanwege zijn medische situatie en gebrek aan vast verblijfadres.

De rechtbank stelt vast dat eiser op het moment van het besluit over €88.503,39 aan vermogen beschikte, ruim boven de wettelijke grens. De rechtbank toetst of er sprake is van een acute noodsituatie die het verlenen van bijstand onvermijdelijk maakt. Uit medische stukken en de zitting blijkt dat eiser niet in een acute noodsituatie verkeert, maar hooguit een mogelijke toekomstige verslechtering van zijn gezondheid verwacht.

Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij niet op andere wijze in zijn levensonderhoud kan voorzien, bijvoorbeeld door werk op lager niveau. De rechtbank volgt de vaste rechtspraak dat de vermogensgrens een harde grens is zonder ruimte voor belangenafweging. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege overschrijding van de vermogensgrens en het ontbreken van zeer dringende redenen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2592

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, het college
(gemachtigde: M.W.A. Gerritsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van eisers aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een juiste beslissing heeft genomen. Eiser heeft namelijk meer vermogen dan de voor hem geldende vermogensgrens. Er is geen sprake van zeer dringende redenen, die noodzaken dat aan hem toch bijstand moet worden verleend. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft eisers aanvraag om bijstand met het besluit van 23 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 5 augustus 2025 eisers verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. [1]
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

De totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 22 oktober 2024 een verzoekschrift ingediend bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 6 december 2024 [2] heeft deze rechtbank zich onbevoegd verklaard, omdat uit de door eiser ingediende stukken bleek dat hij niet een beroep wilde instellen of een verzoek om een voorlopige voorziening wilde indienen, maar de bestuursrechter verzocht om hem bijstand toe te kennen. Het verzoek van eiser is doorgezonden aan het college om dit als een aanvraag om (algemene) bijstand in behandeling te nemen. Dit verzoek is op
23 december 2024 ontvangen door het college.
3.1.
Op 23 januari 2025 is door het college de ‘rapportage aanvraag algemene bijstand’ opgesteld. In deze rapportage is onder meer opgenomen dat eiser op 18 januari 2025 een bedrag aan eigen vermogen bezit van € 88.503,39.
3.2.
Met het besluit van 23 januari 2025 heeft het college eisers aanvraag om bijstand afgewezen, omdat hij meer vermogen heeft dan de voor hem geldende vermogensgrens van € 7.770. [3] De Bezwarencommissie, kamer II, heeft bij advies van 1 mei 2025 het college geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en het primaire besluit, onder vermelding van de wettelijke grondslag, in stand te laten. Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Nadere stukken na sluiting onderzoek ter zitting
4. Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft eiser meerdere e-mails naar de rechtbank gestuurd, waarin hij onder meer reageert op het standpunt van het college en (nogmaals) toelicht waarom hij meent recht te hebben op bijstand. Deze stukken (e-mails) geven de rechtbank geen aanleiding tot heropening van het onderzoek. Dit betekent dat het onderzoek niet wordt heropend en de nadere stukken buiten beschouwing blijven.
Waar gaat het in deze zaak over?
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser ten tijde van het primaire besluit een bedrag aan eigen vermogen bezat van € 88.503,39. Ook is niet in geschil dat eisers vermogen hoger is dan de voor hem geldende vermogensgrens van € 7.770. Naar het oordeel van de rechtbank was het college daarom bevoegd om de aanvraag af te wijzen, omdat eiser vermogen heeft dat (ruim) boven de voor hem geldende wettelijke vermogensgrens ligt. [4] Eiser stelt echter dat hij, ondanks dat zijn vermogen hoger is dan de vermogensgrens, in aanmerking komt voor bijstand. Hij stelt dat sprake is van zeer dringende redenen (een acute noodsituatie), waardoor alsnog bijstand aan hem moet worden verleend. De vraag die de rechtbank daarom moet beantwoorden is of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zeer dringende redenen.
Is sprake van zeer dringende redenen?
6. Eiser voert aan dat sprake is van zeer dringende redenen. Het niet verlenen van bijstand kan ernstige gevolgen hebben voor zijn gezondheid (invaliditeit en (levensbedreigend) lichamelijk letsel). Eiser heeft geen vast verblijfadres waardoor hij zich regelmatig moet verplaatsen naar een ander, tijdelijk verblijf. Het verhuizen verslechtert zijn medische conditie, mede omdat hij bij het verhuizen zware dingen moet tillen wat leidt tot onherstelbare (onomkeerbare) lichamelijke gevolgen. Eiser heeft namelijk posttraumatische artrose (PTTA) als gevolg van een eerder gebroken enkel. Hierdoor neemt slijtage aan zijn kraakbeen toe. Daarnaast heeft hij een chronische hartziekte. Tijdens de zitting heeft eiser hierover toegelicht dat hij een hoge hartslag heeft, die ondanks het innemen van medicatie te hoog blijft. Eiser stelt dat hij, vanwege zijn medische situatie, een vaste huurwoning nodig heeft. Voor een huurwoning wordt een vast inkomen vereist, wat hij niet heeft. Daarom moet aan hem bijstand worden verleend, zodat hij een vast inkomen heeft en een woning kan huren wat zijn medische situatie ten goede komt.
6.1.
Artikel 16 van Pro de Pw bepaalt dat aan een persoon die niet bijstandsgerechtigd is, toch bijstand kan worden verleend als zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) doen zeer dringende redenen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. [5] Een acute noodsituatie kan zich bijvoorbeeld voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. [6] Het is aan eiser om het bestaan van zeer dringende redenen in deze zin aannemelijk te maken.
Is er sprake van een acute noodsituatie?
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een acute noodsituatie. Daarbij is allereerst van belang dat eiser tijdens de zitting desgevraagd heeft toegelicht dat hij medisch gezien op dit moment niet in een acute noodsituatie verkeert, maar dat een acute noodsituatie zich in de (nabije) toekomst wel voor zou kunnen doen. De toekomst is onzeker, aldus eiser. Uit deze toelichting van eiser volgt al dat hij in de periode waar het hier om gaat niet in een acute noodsituatie verkeerde als bedoeld in rechtsoverweging 6.1.
7.1.
Verder is van belang dat, naar het oordeel van de rechtbank, de door eiser overgelegde medische stukken zijn gedateerd, zodat daaraan voor de periode waar het hier om gaat geen acute noodsituatie ontleend kan worden. Ook uit de medische stukken zelf blijkt geen acute noodsituatie. In de brief van de orthopeed van het Erasmus MC van 8 oktober 2024 staat dat eiser zijn enkel moet blijven bewegen, maar niet te zwaar moet belasten, waarbij jaarlijkse controle voldoende wordt geacht. Uit de informatie van het Jeroen Bosch ziekenhuis uit 2009 volgt dat eiser één dag is opgenomen op de cardiologie-afdeling. Eiser heeft tijdens de zitting hierover toegelicht dat hij destijds is opgenomen vanwege een te hoge hartslag. Uit het huisartsenjournaal (de journaalregels die zien op de datum van 17 september 2024) volgt dat de klachten passen bij posttraumatische artrose en dat het niet telkens moeten verhuizen in Nederland eiser zou helpen om rust te geven aan zijn enkel. De overgelegde röntgenfoto laat, blijkens de bijschriften, verkalking en slijtage van het kraakbeen zien. Uit deze medische stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet, ook niet in onderlinge samenhang bezien, dat sprake is van een acute (medische) noodsituatie. Evenmin blijkt uit deze stukken dat het niet verstrekken van bijstand invaliditeit of een levensbedreigende situatie tot gevolg kan hebben.
7.2.
Eiser heeft tijdens de zitting aangegeven dat de orthopedisch chirurg van het Erasmus MC hem mondeling heeft verteld dat, wanneer zijn PTTA erger wordt, dit mogelijk kan leiden tot een operatie met als meest negatieve uitkomst een amputatie. De rechtbank is van oordeel dat dit niet volgt uit de overgelegde stukken. Eiser heeft dit ook niet nader onderbouwd.
Is het verlenen van bijstand onvermijdelijk?
8. De rechtbank is, naast het gegeven dat eiser de acute noodsituatie niet aannemelijk heeft gemaakt, van oordeel dat geen sprake is van de situatie dat de behoeftige omstandigheden waarin eiser stelt te verkeren op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet aan werk (een baan) kan komen. Eiser heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij heeft gesolliciteerd op specifieke banen op hbo- en wo-niveau die aansluiten bij zijn opleidingsniveau. Dit heeft echter nog niet geleid tot een baan. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij (al dan niet tijdelijk) geen werk kan vinden op een minder geschoold niveau, waarmee hij een inkomen kan genereren dat minimaal gelijk is aan de voor hem geldende bijstandsnorm. Op die wijze kan eiser zijn gestelde behoeftige omstandigheden verhelpen omdat hij dan wel een inkomen heeft en een woning kan huren. Een beroep op de bijstand (als laatste vangnet) is dan niet nodig.
9. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van zeer dringende redenen die noodzaken dat aan eiser alsnog bijstand moet worden verleend. De beroepsgrond slaagt niet.
10. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat de vermogensgrens een harde, bij de wet in formele zin bepaalde grens is, zonder discretionaire bevoegdheid voor de bijstandverlenende instantie om daarvan af te wijken. Er is dus geen ruimte voor een belangenafweging of een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. [7]
Verzoek om schadevergoeding
11. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van de niet-betaalde bijstand.
11.1.
De rechtbank wijst dit verzoek af. Er is geen sprake van een onrechtmatig besluit. Alleen al om deze reden is er geen grond om een schadevergoeding toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer: ARN 25/3029.
2.Zaaknummer: ARN 24/7695.
3.De wettelijke vermogensgrens staat in artikel 34, derde lid, onder a, van de Pw.
4.Artikel 19, eerste lid, onder b, in samenhang met artikel 34, derde lid, onder a, van de Pw.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 1 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:620.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985 en 25 november 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1729.
7.Zie de uitspraak van de CRvB van 6 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1673.