ECLI:NL:RBGRO:2011:BQ8508
Rechtbank Groningen
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Sluiting horecagelegenheid wegens aanwezigheid handelshoeveelheid harddrugs
Verzoeker exploiteert een horecagelegenheid waar tijdens een politie-inval handelshoeveelheden harddrugs zijn aangetroffen, waaronder 8,1 gram cocaïne verdeeld over 10 gripzakjes. De burgemeester heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten tot sluiting van het café voor de duur van één jaar.
Verzoeker betoogt dat sprake is van een incident en dat de sluiting disproportioneel is, mede gezien zijn financiële belangen en de verklaring van vaste gasten dat er niet gedeald wordt. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat de enkele aanwezigheid van harddrugs ten behoeve van verkoop voldoende is voor bestuursdwang en dat de verklaringen van vaste gasten en verzoeker dit niet kunnen weerleggen.
Het Handhavingsprotocol van de gemeente Groningen voorziet in een sluitingstermijn van één jaar bij verkoop of aanwezigheid van harddrugs, en de voorzieningenrechter acht dit beleid redelijk. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijking rechtvaardigen. De belangenafweging tussen handhaving van de openbare orde en het belang van verzoeker leidt tot de conclusie dat de sluiting niet disproportioneel is.
Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen en het besluit tot sluiting blijft in stand.
Uitkomst: Verzoek tot voorlopige voorziening tegen sluiting horecagelegenheid wegens harddrugs wordt afgewezen.