ECLI:NL:RVS:2005:AR8730
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- B.J. van Ettekoven
- W.D.M. van Diepenbeek
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluitingsbesluit burgemeester Amsterdam op grond van Opiumwet wegens aanwezigheid handelshoeveelheid cocaïne
De burgemeester van Amsterdam heeft op 6 februari 2003 op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet de onmiddellijke sluiting bevolen van een voor het publiek toegankelijke inrichting vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid cocaïne. Appellanten maakten bezwaar en stelden onder meer dat de sluiting een punitieve sanctie betreft en dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne te gering was om als handelshoeveelheid te gelden. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt dit oordeel in hoger beroep.
De Raad oordeelt dat bestuursdwang hier slechts dient om overtredingen van de Opiumwet te beëindigen en voorkomen, en niet als sanctie met leedtoevoegend karakter geldt. De aanwezigheid van 1,4 gram cocaïne, verdeeld in negen bolletjes, wordt als handelshoeveelheid aangemerkt, ook al is niet bewezen dat daadwerkelijk handel heeft plaatsgevonden. De burgemeester mocht op basis hiervan het sluitingsbesluit nemen.
Verder is geen beleidsregel vereist voor toepassing van bestuursdwang en is de bestendige gedragslijn van onmiddellijke sluiting bij aantreffen van harddrugs niet onredelijk. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijking van deze gedragslijn rechtvaardigen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situatie van appellanten verschilt door de gedoogverklaring en AHOJG-criteria. De Raad verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit tot onmiddellijke sluiting van de horecagelegenheid wegens aanwezigheid van handelshoeveelheid cocaïne.