ECLI:NL:RBHAA:2008:BG7423
Rechtbank Haarlem
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.P.M. van Rijn
- E. Jochem
- Chr.Th.P.M. Zandhuis
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van bonusuitkering versus beëindigingsvergoeding bij bankmedewerker
De zaak betreft een geschil over de fiscale kwalificatie van een vergoeding van ƒ 8.544.205 die eiser in 2000 ontving van zijn werkgever, een bank. De kernvraag is of deze vergoeding moet worden aangemerkt als een bonusuitkering of als een vergoeding wegens gederfde of te derven inkomsten, wat van belang is voor de belastingheffing tegen het bijzondere tarief van 45%.
Eiser was werkzaam bij de bank en had een overeenkomst uit 1998 waarin een jaarsalaris en een bonusregeling waren vastgelegd. In 1999 en begin 2000 vonden onderhandelingen plaats over nieuwe bonusafspraken en de beëindiging van de bestaande bonuspoolovereenkomst. De bank betaalde in 2000 een bedrag aan eiser dat deels werd opgevat als een bonusuitkering en deels als beëindigingsvergoeding.
De rechtbank stelt vast dat een deel van ƒ 1.050.000 betrekking heeft op arbeid in 2000 en een bonusuitkering, belast tegen het reguliere tarief. Het resterende bedrag van ƒ 7.494.205 betreft de bonus over 1999 en is belast tegen het bijzondere tarief. De stelling van eiser dat hij geen recht had op de bonus vanwege beëindiging van de overeenkomst wordt verworpen, mede omdat de beëindiging door de bank werd geïnitieerd en de bonusregeling niet verviel door het vertrek van eiser. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag wordt bevestigd.