ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8928
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging belastingheffing lump sum bonus als reguliere inkomstenbelasting
Belanghebbende, werkzaam bij een bank en betrokken bij een bonuspoolovereenkomst, ontving in 2000 een bedrag van ƒ 8.544.205 als beëindigingsvergoeding. De vraag was of dit bedrag geheel of gedeeltelijk belast moest worden tegen het hoge bijzondere tarief van 45% of het reguliere tabeltarief.
Het Hof stelde vast dat de bonusovereenkomst uit 1998 voorzag in een bonus van 40% van het speciale nettoresultaat, uit te betalen in twee termijnen, mits de arbeidsovereenkomst niet eenzijdig door de werknemer werd opgezegd. De beëindigingsovereenkomst van 11 februari 2000 verving de bonusbetalingen over 1999 door een lump sum van ƒ 7.494.205, die tevens aanspraken uit hoofde van de arbeidsovereenkomst omvatte.
Het Hof concludeerde dat het bedrag van ƒ 7.494.205 betrekking had op een reeds verdiende bonus over 1999 en niet op toekomstige inkomstenderving. Het resterende bedrag van circa ƒ 1.050.000 was toegekend als vergoeding voor arbeid die belanghebbende tot juni 2000 verrichtte. De lump sum moest daarom tegen het tabeltarief worden belast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de belastingheffing van de lump sum vindt plaats tegen het tabeltarief.