ECLI:NL:RBLIM:2015:3345

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 april 2015
Publicatiedatum
20 april 2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 449u
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 ARARArt. 80 ARARArt. 81 ARARECLI:NL:CRVB:2013:1663ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4312
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling disciplinaire straf voor plichtsverzuim ambtenaar bij Penitentiaire Inrichting

Eiser, werkzaam sinds 1994 bij de Penitentiaire Inrichting Grave, kreeg een disciplinaire straf opgelegd wegens plichtsverzuim. Op 25 maart 2013 verscheen hij te laat en ruikend naar alcohol bij een teamoverleg, vertrok zonder toestemming naar huis ondanks een dienstopdracht en had eerder al waarschuwingen en een berisping ontvangen.

Eiser voerde persoonlijke problemen en een moeizame relatie met zijn leidinggevende aan als verzachtende omstandigheden, maar leverde geen medische stukken ter onderbouwing. De rechtbank stelde vast dat het plichtsverzuim vaststaat en dat de weigering om de dienstopdracht op te volgen ernstig is.

De rechtbank oordeelde dat het opgelegde voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar passend is gezien de aard van het plichtsverzuim, het dienstverband en de functie van eiser binnen een justitiële inrichting waarbij onkreukbaarheid wordt verwacht.

Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van de ambtenaar tegen het voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK limburg

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB/ROE 14/449

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2015 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. E.P.A. Ackermans),
en

de Minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.J.B. van den Elsaker, werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van ontslag conform artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, in verbinding met het derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van twee jaar.
Bij besluit van 20 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2015.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1].

Overwegingen

1. Eiser is vanaf 1 maart 1994 werkzaam bij de Penitentiaire Inrichting (PI) Grave van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), laatstelijk (sedert 2010) als medior Penitentiair Inrichtingswerker.
2. Bij besluit van 29 mei 2013 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van het voornemen hem in verband met het vermoeden van (ernstig) plichtsverzuim de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar conform het bepaalde in artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, in verbinding met artikel 81, derde lid, van het ARAR op te leggen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser op 25 maart 2013 te laat en ruikend naar alcohol in het teamoverleg is verschenen en diezelfde morgen, wetende dat zijn ziekmelding door zijn leidinggevende niet geaccepteerd werd, zonder toestemming van diezelfde leidinggevende naar huis is gegaan. De hierop (mondeling) verstrekte dienstopdracht om in de middag aanwezig te zijn in de inrichting heeft eiser ondanks herhaalde opdracht niet opgevolgd. Verweerder heeft bij het plichtsverzuim ook betrokken dat eiser zich eerder ook al niet conform de procedure heeft ziek gemeld (brief van 6 november 2012), hem bij brief van 31 januari 2013 in verband met roken in de wc van de teamkamer van de afdeling de disciplinaire straf van een schriftelijke berisping is opgelegd en er op 25 februari 2013 een melding van de leidinggevende [naam 2] is ontvangen dat deze eiser, in een cel van een gedetineerde, heeft zien roken. Desgevraagd heeft eiser de leidinggevende toen medegedeeld dat hij niet had gerookt, maar met een peuk in de mond had gelopen, dat hij moeilijkheden had, maar daarover niet wilde praten. Eiser is toen weggelopen, zonder dat dit gesprek was afgerond.
3. Eiser heeft zowel schriftelijk (bij brief van 10 juni 2013) als mondeling (tijdens het gesprek op 26 juni 2013) zijn zienswijze gegeven. Hierin heeft hij de door verweerder vastgestelde feiten gedeeltelijk erkend, maar ook aangegeven dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke (werk)omstandigheden en dat daarvoor bij zijn direct leidinggevende ([naam 2]) te weinig erkenning is. Over de gebeurtenissen op 25 maart 2013 voert eiser aan dat hij die dag te laat op het werk is verschenen omdat hij zich ziek voelde en had moeten overgeven. Hij erkent de avond van tevoren alcohol te hebben genuttigd, maar dit waren slechts enkele biertjes. Hij had zich willen ziek melden, maar kreeg daarvoor geen toestemming van zijn leidinggevende. Hij had persoonlijke problemen en toen de dienstopdracht kwam heeft hij deze geweigerd, omdat hij door hoofdpijn en stress niet in staat was om auto te rijden. Het roken als gevolg waarvan hij een schriftelijke berisping heeft gekregen wordt door eiser ontkend. De samenwerking met zijn leidinggevende verloopt moeizaam.
4. Bij het primaire besluit heeft verweerder eiser het voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daartoe
- onder verwijzing naar zijn zienswijze - aangevoerd dat de opgelegde maatregel van voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar gelet op het gepleegde plichtsverzuim onevenredig is. Eiser verzoekt bij de afweging ook zijn belang als medewerker met vele jaren trouwe dienst te laten meewegen en te volstaan met een eenmalige maatregel.
5. Bij het bestreden besluit van 20 december 2013 heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder, contrair aan het advies van de bezwarencommissie (die een proeftijd van een jaar adviseerde), overwogen dat de opgelegde proeftijd van twee jaar alleszins redelijk is. Eiser is immers, ook na ontvangst van een “brief van ongenoegen” van 6 november 2012 in verband met het niet houden aan het verzuimprotocol en een berisping van 31 januari 2013 vanwege het roken in de wc van de teamkamer, op 25 februari 2013 opnieuw rokend aangetroffen in een cel van een gedetineerde en hij, ondanks ernstig gewaarschuwd te zijn voor zijn ontoelaatbare gedrag, op 25 maart 2013 ernstig opnieuw de fout is ingegaan door: (1) te laat in het teamoverleg, ruikend naar alcohol (2) te verschijnen, en ondanks dat hij wist dat een ziekmelding niet geaccepteerd zou worden, zijn tas uit de vergaderzaal heeft gehaald en zonder toestemming naar huis is gegaan (3) en hierop de aan hem verstrekte dienstopdracht om diezelfde middag om 15.00 uur aanwezig te zijn in de inrichting ondanks herhaalde opdrachten niet heeft opgevolgd. Eiser heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en daartoe in beroep aangevoerd dat (1) de proeftijd beperkt had moeten blijven tot één jaar en (2) hij onevenredig zwaar gestraft blijft.
6. Toepasselijke regelgeving
Op grond van artikel 50, eerste lid, van het ARAR is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn functie voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen, zoals een goed ambtenaar betaamt.
Op grond van artikel 80, eerste lid, van het ARAR kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft. Plichtsverzuim omvat ingevolge het tweede lid zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Op grond van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR kan als disciplinaire straf ontslag worden opgelegd. Op grond van het derde lid kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals de uitspraak van 5 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1663), moet de bestuursrechter in zaken over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vaststellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat er sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten kunnen ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit. Voorts dient het plichtsverzuim aan de ambtenaar te zijn toe te rekenen en dient de genomen maatregel in verhouding te staan tot het plichtsverzuim.
8.1
De rechtbank stelt vast dat verweerder als plichtsverzuim van eiser heeft aangemerkt het op 25 maart 2013 (1) te laat in het teamoverleg (2) ruikend naar alcohol verschijnen, en (3) het in de wetenschap dat een ziekmelding niet geaccepteerd zou worden zonder toestemming naar huis gaan en hierop (4) de aan hem verstrekte dienstopdracht om diezelfde middag om 15.00 uur aanwezig te zijn in de inrichting ondanks herhaalde opdrachten niet uit te voeren/op te volgen. Daarbij heeft verweerder voorts betrokken het feit dat eiser eind 2012 is gewaarschuwd in verband met het zich niet houden aan het verzuimprotocol en begin 2013 is berispt in verband met het roken in het toilet van de teamkamer.
8.2
Gezien de gedingstukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht staat voor de rechtbank vast dat eiser geweigerd heeft om op 25 maart 2013 aan de dienstopdracht van verweerder gehoor te geven. Eiser is in beroep niet opgekomen tegen de dienstopdracht, zodat deze vaststaat. De weigering om aan een dienstopdracht gehoor te geven is op zich al voldoende om (ernstig) plichtsverzuim aan te nemen. Dit geldt ook voor de andere in overweging 8.1 genoemde gedragingen, die op grond van het bepaalde in de artikelen 50 eerste lid, en 80 eerste en tweede lid, van het ARAR, als plichtsverzuim zijn aan te merken. Verweerder was dan ook bevoegd om eiser disciplinair te straffen.
8.3
De rechtbank leidt uit de gedingstukken (zie het verslag van de hoorzitting van de bezwarencommissie) af dat het plichtsverzuim door eiser ook niet wordt ontkend, maar dat hij daar wel verzachtende omstandigheden voor aanvoert. Hij was ten tijde in geding ziek, had persoonlijke problemen en een moeizame relatie met zijn leidinggevende. Hij heeft via de leidinggevende ook gevraagd om een afspraak met de bedrijfsarts, maar deze vond dat op dat moment niet nodig. Twee weken voor het incident heeft eiser ook al om een afspraak met de bedrijfsarts gevraagd en ook toen werd dit door de leidinggevende geweigerd. Desgevraagd ter zitting is door verweerder medegedeeld dat de leidinggevende eerst zonder inmenging van de bedrijfsarts met eiser wilde praten over de gebeurtenissen, ook omdat eiser met een alcohollucht op het werk was verschenen en er niet meteen aan medische problematiek werd gedacht. Verder heeft verweerder medegedeeld dat eiser ook zelf een afspraak met de bedrijfsarts had kunnen maken. Eiser heeft hieromtrent ter zitting aangegeven dat hem dat dit hem indertijd niet bekend was, maar dat hij inmiddels wel zelf, indien nodig, contact opgenomen heeft/opneemt met de bedrijfsarts.
8.4
In geschil is derhalve enkel de evenredigheid van de opgelegde sanctie (voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar). De rechtbank overweegt hierover dat hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot de mate van verwijtbaarheid - problemen op het gebied van privé, werk en gezondheid en de stroeve relatie tussen hem en zijn leidinggevende - niet leidt tot het niet of in verminderde mate toerekenen aan eiser van het plichtsverzuim. De rechtbank moet immers constateren dat eiser zijn stellingen hierover in het geheel niet heeft onderbouwd. Eiser heeft bijvoorbeeld geen (medische) stukken overgelegd ter staving van zijn gestelde problemen. Dit had wel op de weg van eiser gelegen, nu vaststaat dat sprake is van plichtsverzuim. Ook het lange dienstverband van eiser leidt niet tot een ander oordeel: juist gelet hierop had eiser kunnen en moeten weten hoe hij zich moest gedragen (zie ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4312). Eiser was voorts kort voor de feiten van 25 maart 2013 gewaarschuwd en berispt en had dan ook beter moeten weten. In het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde straf in relatie tot de verweten gedraging(en) kent de rechtbank verder grote betekenis toe aan het feit dat eiser werkzaam is in een justitiële inrichting en, gelet op het feit dat hij, zoals gebleken is uit de gedingstukken, direct contact heeft met gedetineerden, van hem mag worden verwacht dat hij van onbesproken gedrag en onkreukbaar is (zie ECLI:NL:CRVB:2013:BY9397 en ECLI:NL:CRVB:2011:BT7326). Verweerder was dan ook bevoegd eiser met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, in verbinding met artikel 81, derde lid, van het ARAR een voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar op te leggen.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Bruijnzeels (voorzitter), en mr. N.J.J. Derks-Vonken en mr. K.M.P. Jacobs, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.T. Wijnands, griffier
.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2015.
w.g. I.M.T. Wijnands,
griffier
w.g. P.J.M. Bruijnzeels,
voorzitter
Voor eensluidend afschrift:
de griffier,
Afschrift verzonden aan partijen op: 21 april 2015

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.