De werknemer trad op 1 januari 2007 in dienst bij de werkgever Wierts als timmerman, na een periode van werkzaamheden via een onderaannemer. De arbeidsovereenkomst werd opgezegd met toestemming van het UWV op grond van bedrijfseconomische redenen. De werknemer vorderde een transitievergoeding over de gehele periode vanaf 2004 en een billijke vergoeding wegens vermeende onjuiste informatie aan het UWV door de werkgever.
De rechtbank oordeelde dat de periode waarin de werknemer via de onderaannemer werkte niet meetelt voor de transitievergoeding, omdat er geen sprake was van opvolgend werkgeverschap. De transitievergoeding werd vastgesteld op € 9.966,24 bruto, te betalen in drie termijnen. De billijke vergoeding werd afgewezen omdat de werknemer onvoldoende had gesteld dat herstel van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet mogelijk was door ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
De werkgever werd veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding met wettelijke rente en de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.