Werkneemster trad in februari 2014 in dienst bij werkgever [X]-Cleaning en werd op 12 april 2016 met toestemming UWV opgezegd per 29 april 2016. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst vordert zij een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, transitievergoeding en achterstallig salaris inclusief vakantiegeld en eindejaarsvergoeding.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering wegens onregelmatige opzegging niet ontvankelijk is vanwege het verstrijken van de vervaltermijn van twee maanden na het einde van het dienstverband. De wetwijziging per 1 juli 2016 die deze termijn zou aanpassen, leidt niet tot herleving van de bevoegdheid tot indiening.
Met betrekking tot het salaris en de transitievergoeding wordt vastgesteld dat het gemiddelde maandsalaris over de referteperiode van mei tot juli 2015 €1.817,86 bedroeg bij een gemiddelde omvang van 163,33 uur per maand. De transitievergoeding wordt berekend op basis van vier halve dienstjaren en vastgesteld op €1.308,86 bruto. Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding met wettelijke rente vanaf 29 mei 2016.
Daarnaast wordt werkgever veroordeeld tot betaling van achterstallig salaris van €1.851,50 bruto, vakantiegeld en eindejaarsvergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en een gematigde wettelijke verhoging van 10%. De vordering tot buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. Werkgever draagt de proceskosten.