Eiseres, eigenaresse van een pand op een bedrijventerrein, verzocht verweerder bij brief van 19 juli 2016 om planologische medewerking voor het gebruik van het perceel voor reguliere detailhandel. Verweerder kwalificeerde dit verzoek als een principeverzoek en geen formele aanvraag om een omgevingsvergunning. Eiseres stelde dat door het uitblijven van een besluit de vergunning van rechtswege was verleend en verzocht om bekendmaking hiervan.
De rechtbank beoordeelde of de brief van 19 juli 2016 een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vormde. De brief bevatte geen concreet en gericht verzoek tot het nemen van een besluit, maar was vooral een verhandeling over leegstandsproblematiek en strategische visie. Hierdoor kon geen vergunning van rechtswege ontstaan.
De rechtbank concludeerde dat eiseres geen aanvraag had ingediend via de gebruikelijke procedure en dat onduidelijkheid over haar intentie voor haar eigen rekening kwam. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.