Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
2.De feiten
in het verzoek en de (deels voorwaardelijke) tegenverzoeken
23 oktober 2017 heeft [naam leidinggevende] , Hoofd, je gewezen op het feit dat je op donderdag 19 oktober [2017], zonder overleg met jouw leidinggevende gedeeltelijk niet aanwezig was op project Hertenkamp, waardoor cliënten van locatie het Zorgpension alleen zijn achter gelaten. Plichtsverzuim achten wij zeer kwalijk en onverantwoord gezien de maatschappelijke verantwoordelijkheid van RIMO bij de begeleiding en uitvoer van werkzaamheden.
19-10-2017 het Hertenkamp, opgepakt moest worden. Helaas kon je dus voor deze afwezigheid geen goede verklaring geven.
nimmeralleen laten
3.Het geschil
in het verzoek
4.De beoordeling
art. 7:671b lid 2 juncto art. 7:669 lid 1 BW Pro in een andere passende functie binnen een redelijke termijn niet in de rede ligt.
Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Uit de hiervoor weergegeven overwegingen volgt dat de verwijten die [verweerder, tevens verzoeker in de (deels voorwaardelijke) tegenverzoeken] ter onderbouwing van die billijke vergoeding aan Rimo maakt, niet zijn komen vast te staan. De verzochte billijke vergoeding ontbeert een grondslag en wordt derhalve afgewezen.
5.De beslissing
1 maart 2019.
€ 38.788,-- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 april 2019 tot aan de datum van algehele voldoening en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.