De rechtbank Limburg behandelde op 26 februari 2019 de zaak tegen verdachte die ervan werd verdacht zijn vader te hebben geholpen bij zelfdoding door het verschaffen van hulpmiddelen en het in elkaar zetten van een installatie met heliumtanks. De verdachte heeft dit duidelijk bekend en de rechtbank achtte het bewezen dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest bij de zelfdoding van zijn vader in november 2016.
De verdediging voerde aan dat sprake was van overmacht in de zin van noodtoestand of psychische overmacht, maar de rechtbank verwierp deze verweren. Er was onvoldoende objectief bewijs voor uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de vader en de verdachte had alternatieven zoals het raadplegen van een arts kunnen overwegen. Ook was de verdachte nog steeds overtuigd van de rechtmatigheid van zijn handelen, waardoor geen sprake was van een van buiten komende drang.
De rechtbank legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op met een proeftijd van twee jaar. Hierbij werd meegewogen dat de verdachte handelde vanuit mededogen en dat er geen recidivegevaar is, maar ook dat hulp bij zelfdoding strafbaar is en dat een generaal preventief belang bestaat. De verdachte werd vrijgesproken van wat meer of anders ten laste was gelegd.