Uitspraak
RECHTBANK limburg
Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 april 2019 in de zaak tussen
[naam 1] , eiseres
CZ Zorgkantoor B.V., verweerder
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Mozaïek Bewindvoeringen B.V.
Procesverloop
Overwegingen
de rechtbank begrijpt: de gewaarborgde hulp), echter vervult […] deze rol niet geheel. Alle administratieve zaken speelt ze door naar het kantoor Mozaïek. Dit kantoor is officieel ook mentor en bewindvoerder van de BH (
de rechtbank begrijpt: de belanghebbende, [naam 2]). Er is recent een aanvraag gedaan voor GWH door het kantoor Mozaïek. Dit is geweigerd, moeder begreep dit niet en gaf aan
deze rol niet te willen vervullen” (
onderstreping rechtbank). Onder 4.3 “Is er mantelzorg en/of een sociaal systeem aanwezig?” staat in de rapportage vermeld “Ja, maar er is sprake van een (dreigend) overbelast systeem. GWH is dreigend overbelast, ook door de hele situatie met de vader. GWH heeft geprobeerd een straatverbod aan te vragen voor de vader. Naast de zorg voor de BH is er veel sociale problematiek. Ook de woning is niet opgeruimd, overal ligt wat. GWH is het overzicht kwijt.” Voorts staat in de rapportage, onder 4.9 “Is de gewaarborgde hulp in staat om de volledige regie van de budgethouder over te nemen?”, vermeld “Twijfel. Doordat de GWH signalen van overbelasting afgeeft, acht ik de GWH niet in staat om op dit moment volledige regie over te nemen.” Onder 5.30 “Is er een ander probleem of vraagstuk? (signalering bij dit huisbezoek) staat vermeld “De GWH heeft veel sociale problematiek waardoor het pgb-budget meer stress oplevert dan dat het een mooi middel is om zorg in te kopen voor de BH. Tijdens het huisbezoek heb ik de GWH en het kantoor Mozaïek geadviseerd over te stappen naar ZIN. Beide vonden dit een goede optie. GWH is uit het oog verloren dat het om het welzijn gaat van de BH door alle sociale problematiek. Op dit moment krijgt de BH zorg van Zorgen & Zo, Brownies en Downies en Daelzicht. Deze zouden ook zorg kunnen leveren in ZIN.”
Beslissing
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierrecht van € 46,- aan eiseres te voldoen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.035,10 (waarvan € 11,10 voor de door eiseres gedeclareerde reis- en verblijfkosten en
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2019.