Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
verwerende partij in het verzoek.
Rechtbank Limburg
Werknemer is sinds 1996 in dienst bij werkgever en heeft zich in juni 2016 ziek gemeld. Na gedeeltelijke werkhervatting en een WIA-uitkering is er vanaf juli 2018 overleg geweest over beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar partijen bereikten geen overeenstemming.
Werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met toekenning van een transitievergoeding en billijke vergoeding. Werkgever heeft een slapend dienstverband aangeboden na terugkeer van ziekteverlof, zodat werknemer zorg kan dragen voor zijn ernstig zieke echtgenote.
De kantonrechter oordeelt dat werknemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of binnen korte tijd moet eindigen. Het verwijtbaar handelen van werkgever ontbreekt, ook al had werkgever kunnen onderzoeken of openstaande verlofuren konden worden uitbetaald. De arbeidsovereenkomst eindigt sowieso bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in november 2019.
Daarom wordt het ontbindingsverzoek afgewezen en wordt werknemer veroordeeld in de proceskosten. De overige vorderingen behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het ontbindingsverzoek van werknemer wordt afgewezen wegens ontbreken van verwijtbaar handelen van werkgever.