Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2022 in de zaak tussen
Stichting Spring Kinderopvang, te Boxmeer, eiseres
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen,
Procesverloop
Overwegingen
Eiseres heeft zich in haar beroepschrift op het standpunt gesteld dat de waarde van de onroerende zaak € 443.000,- bedraagt. Zij heeft hiertoe verwezen naar een op 16 oktober 2020 opgemaakt taxatierapport van [naam taxateur 1] en [naam taxateur 4] van Phydias B.V. Het standpunt van eiseres is op basis van dit taxatierapport gebaseerd op de volgende uitgangspunten.
24 april 2018 [1] en van het gerechtshof Den Haag van 14 november 2017. [2] In de taxatie van eiseres is voor alle onderdelen gekozen voor een restwaarde van 10%. Eiseres wil met dit (lage) percentage tot uitdrukking brengen dat veel objecten aan het einde van hun levensduur geen restwaarde hebben en worden gesloopt. De levensduur van de ruwbouw (47 jaar), de afbouw (27 jaar) en de installaties (17 jaar) zijn nog niet verstreken (bouwjaar 2005).
[naam taxateur 3] . Dit taxatierapport is gebaseerd op de volgende uitgangspunten.
4.3. Verweerders taxateur heeft voor het bepalen van de restwaarden van de onderdelen ruwbouw, afbouw en installaties de Taxatiewijzer gevolgd (respectievelijk 27,5, 22,5 en 17,5%). Die percentages liggen omstreeks het gemiddelde van de Taxatiewijzer. De taxateur van verweerder heeft deze waarden gecontroleerd aan de hand van de marktgegevens van zes vergelijkbare, geanonimiseerde objecten, waaronder TRN101 te Zwolle, verkocht op 3 oktober 2019 voor € 994.053,-. Verweerder wijst op een vervangingswaarde van € 1.288,- per m², een restwaarde volgens de taxatiewijzer van 27,5, 22,5 en 17,5% en een becijferde restwaarde voor deze referentie van 72,98%. Op dezelfde wijze heeft verweerder ook verkooptransacties van TRN106 te Almelo, TRN114 te Hengelo, TRN139 te Nederweert, TRN147 te Eindhoven en TRN156 te Venlo geanalyseerd en restwaarden van respectievelijk 36,93, 22,47, 38,73, 26,79 en 30,34% becijferd.
Eiseres stelt dat ten onrechte is uitgegaan van een levensduurverlenging, omdat er geen sprake is van renovatie of ander actief ingrijpen.
4.11 (…) Het voortdurende gebruik van de onroerende zaak door belanghebbende in dezelfde functie sluit niet uit dat de restwaarde van de onroerende zaak wordt bereikt, maar kan ook aanleiding vormen om bij het bepalen van de technische afschrijving en/of restwaarde af te wijken van de uitgangspunten in de Taxatiewijzer. De heffingsambtenaar dient dan wel aannemelijk te maken dat een afwijking gerechtvaardigd is. Het hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar daar niet in is geslaagd. De technische levensduur van de kantine met volgnummer 4 is voor de ruwbouw verlengd van 40 naar 45 jaar, voor de afbouw van 25 naar 40 jaar en voor de installaties van 17 naar 40 jaar. De door de heffingsambtenaar genoemde aanpassingen (zie 4.10) acht het hof van onvoldoende gewicht voor de verlenging van de technische levensduur die de heffingsambtenaar hanteert. De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vernieuwing van het keukenblok en de toiletten niet behoort tot het normale onderhoud en een bouwkundige verbetering of vernieuwing vormt.”
Correctie technische veroudering – restwaarde
Beslissing
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2022.