ECLI:NL:RBLIM:2023:1325
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen herziening en boete studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres
Eiser voerde beroep aan tegen de herziening en terugvordering van zijn uitwonendenbeurs over de periode november 2018 tot en met september 2021 en tegen een boete van €1.316,56 opgelegd wegens vermeend niet-wonen op het BRP-adres.
De minister baseerde de herziening en boete op een huisbezoek van 10 september 2021, waarbij werd vastgesteld dat eiser feitelijk niet op het BRP-adres woonde. De rechtbank oordeelde dat de minister aan zijn bewijslast had voldaan met de rapportage huisbezoek, waarin weinig tot geen persoonlijke spullen van eiser werden aangetroffen en eiser zelf verklaarde vrijwel geen gebruik te maken van de woning.
Eiser kon onvoldoende onomstotelijk bewijs leveren dat hij gedurende de betwiste periode wel op het BRP-adres woonde, ondanks het overleggen van een huurcontract en bankafschriften. Ook het beroep op onzorgvuldigheid van het onderzoek en het ontbreken van een hoorzitting faalde. De rechtbank wees het beroep af, verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening, terugvordering en boete wordt ongegrond verklaard; de minister moet proceskosten en griffierecht vergoeden.