Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder
[naam vergunninghoudster], uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
Inleiding
Totstandkoming van het bestreden besluit
Beoordeling door de rechtbank
iedereenzienswijzen inbrengen. Zoals uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 mei 2021 onder 4.7, volgt, hebben niet-belanghebbenden in omgevingsrechtelijke zaken die zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb alleen toegang tot de bestuursrechter als in die zaak de kring van personen die een zienswijze naar voren mogen brengen op grond van het nationale recht is verruimd tot ‘een ieder’. [1] Dan speelt, in het geval iemand zienswijzen heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit, de vraag naar de belanghebbendheid geen rol. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de onderhavige zaak afdeling 3.4 van de Awb heeft toegepast op basis van artikel 3.10, eerste lid, onder c, in samenhang met artikel 3.15, derde lid, van de Wabo. Gelet daarop en gelet op het feit dat eisers een zienswijze hebben ingediend, is de rechtbank van oordeel dat eisers als belanghebbenden zijn aan te merken. Dit was anders geweest als enkel ‘belanghebbenden’ zienswijzen konden indienen. [2] Dat met de weigering om de omgevingsvergunning in te trekken geen feitelijke activiteiten worden vergund, zoals verweerder heeft betoogd, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat voormelde jurisprudentie in onderhavig geval niet van toepassing zou zijn, omdat degenen die belanghebbend zijn bij de verlening van de omgevingsvergunning, ook belanghebbend zijn bij de (weigering van de) intrekking van de omgevingsvergunning.