De werknemer trad op 1 augustus 2023 in dienst bij de werkgever als verzorgende met een tijdelijk contract van zeven maanden. Na een einde proeftijd-gesprek bleef de arbeidsovereenkomst bestaan. Op 5 oktober 2023 werd de werknemer op staande voet ontslagen wegens meerdere gedragingen, waaronder het voortijdig verlaten van het werk, het niet bezoeken van cliënten en het meenemen van familieleden in de werkauto.
De werknemer betwistte de rechtsgeldigheid van het ontslag en vorderde onder meer een billijke vergoeding, een gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding. De werkgever stelde dat het ontslag terecht was gegeven en verzocht tevens om een verklaring voor recht dat het ontslag rechtsgeldig was en dat een bedrag was verrekend.
De kantonrechter oordeelde dat het ontslag op staande voet onverwijld en rechtsgeldig was gegeven. De gedragingen van de werknemer vormden een dringende reden voor ontslag, waarbij het vergeten van cliënten en het voortijdig verlaten van de werkplek als ernstig werden beoordeeld. Persoonlijke omstandigheden en het korte dienstverband wogen niet zwaarder dan de ernst van de gedragingen.
De verzoeken van de werknemer tot vernietiging van het ontslag en toekenning van vergoedingen werden afgewezen. Ook het verzoek van de werkgever tot toekenning van een gefixeerde schadevergoeding werd afgewezen wegens onvoldoende stelplicht. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij partijen ieder hun eigen kosten dragen.