Uitspraak
7 mei 2024op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
Rechtbank Limburg
De burgemeester had besloten de woning van verzoekster voor drie maanden te sluiten vanwege de aanwezigheid van grote hoeveelheden drugs en een stroomstootwapen, geconstateerd bij een politieonderzoek. Verzoekster maakte bezwaar en stelde dat de sluiting niet noodzakelijk en onevenredig was, mede omdat er geen handel vanuit de woning plaatsvond en er geen overlast was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel de situatie ten tijde van de doorzoeking ernstig was en de woning een rol speelde in het criminele circuit, de noodzaak tot sluiting inmiddels was verdwenen. De overtreding was van korte duur en vond plaats tijdens afwezigheid van verzoekster en haar zoon. Er was geen bewijs van handel vanuit de woning en geen overlast in de buurt.
De burgemeester had onvoldoende gemotiveerd waarom sluiting nog noodzakelijk was bij het bestreden besluit. Een waarschuwing had volstaan. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekster kreeg vergoeding van griffierecht en proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot sluiting van de woning wordt vernietigd wegens gebrek aan noodzakelijkheid en evenredigheid.