Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
: (….) En moet ik mijn vakantiedagen voor februari nog eens doorgeven aan waar moet ik dat doen?
[naam 1] : En moet ik mijn vakantiedagen voor februari nog eens doorgeven? Ik heb deze data al besproken voor ik in dienst kwam, maar ik weet niet of dat al meegewogen is in de planning
(…) Wat de vakantiedagen betreft, ik ben van 26 januari tot 3 maart niet in Nederland
(…) Op je vraag of ik op vakantie ben kan ik kort zijn, ik ben ziek. Overigens heb ik wel het advies gekregen van de Arbo arts om te gaan. Dit zou meewerken aan een spoedig herstel.
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
(‘Door het ontslag benje tevens schadeplichtig. Ik behoud mezelf het recht voor aanspraak te maken op een (gefixeerde) schadevergoeding’)beschouwt de kantonrechter niet als een verklaring tot verrekening in de zin van art. 6:127 lid 1 BW Pro. Eerst in deze procedure op 23 mei 2024 heeft [naam eigenaar] een beroep gedaan op verrekening. Zij heeft de in artikel 6:127 lid 1 BW Pro bedoelde verklaring dus pas uitgebracht nadat de vervaltermijn ex art. 7:686a BW was verstreken. In artikel 6:127 lid 2 BW Pro is bepaald dat een schuldenaar de bevoegdheid heeft tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. [verweerster ] had de bevoegdheid tot verrekening niet meer toen zij de verrekeningsverklaring uitbracht. Door het verstrijken van de vervaltermijn was het recht op de gefixeerde schadevergoeding teniet gegaan.