Verzoekster, een onderneming die wapens en munitie levert, kreeg haar erkenning ingetrokken door de korpschef wegens vrees voor misbruik. Deze vrees is gebaseerd op een bestuurlijke rapportage waarin sprake is van vermoedelijke fraude en valsheid in geschrifte bij munitiebestellingen, waarbij verzoekster en een voormalig bestuurder worden verdacht.
Verzoekster stelde dat de gedragingen van de voormalige bestuurder niet aan haar konden worden toegerekend en dat er geen actuele vrees voor misbruik was, mede door het tijdsverloop en het vertrek van de bestuurder. Ook voerde zij dat toezeggingen waren gedaan dat de erkenning niet zou worden ingetrokken en dat de intrekking onzorgvuldig en disproportioneel was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de korpschef bevoegd en redelijk heeft gehandeld. Er is sprake van geringe twijfel aan het verantwoord zijn van de erkenning vanwege de verdenking tegen verzoekster zelf. Het tijdsverloop en het vertrek van de bestuurder nemen deze twijfel niet weg. Ook was geen sprake van toezeggingen die een gerechtvaardigd vertrouwen konden scheppen.
De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het belang van de korpschef bij bescherming van de samenleving zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. Er is geen schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur vastgesteld. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.