ECLI:NL:RBLIM:2025:11941

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
ROE 25/2489
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake woningsluiting op basis van de Opiumwet

Op 3 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Limburg uitspraak gedaan in de zaak tussen verzoekster, een huurder van een woonwagen in Gulpen, en de burgemeester van Gulpen-Wittem. De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning van verzoeksters voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De burgemeester had op 15 oktober 2025 besloten tot sluiting van de woning na het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs en softdrugs tijdens een politie-inval op 1 september 2025. Verzoekers zijn het niet eens met dit besluit en hebben bezwaar gemaakt, waarbij zij de voorzieningenrechter hebben gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en het bestreden besluit geschorst. De rechter oordeelde dat de burgemeester de noodzaak en evenwichtigheid van de sluiting onvoldoende had onderbouwd. Er was weliswaar een handelshoeveelheid drugs aangetroffen, maar er waren geen aanwijzingen dat er feitelijk vanuit de woning werd gehandeld. Bovendien was er sprake van een minderjarig kind in de woning, wat extra gewicht in de schaal legt bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de sluiting. De voorzieningenrechter heeft de burgemeester opgedragen om bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar de noodzaak van de sluiting beter te motiveren en de belangen van het minderjarige kind mee te wegen. Tevens is de burgemeester veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekers.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 25/2489

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 december 2025 in de zaak tussen

[naam] , uit Gulpen, verzoekster

[naam], uit Gulpen, verzoeker,
beiden te noemen verzoekers
(gemachtigde: mr. X.E.J. Stassen),
en

de burgemeester van Gulpen-Wittem

(gemachtigde: H.M. van der Wijst, mr. A.F.R. van de Bergh, E.M.G. Haagmans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de sluiting van de woning van verzoekers voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet. Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Verzoekers voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 15 oktober 2025 heeft de burgemeester bepaald dat de woning van verzoekers op grond van artikel 13b van de Opiumwet moet worden gesloten voor de duur van zes maanden.
2.1.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De burgemeester heeft per e-mailbericht van 21 oktober 2025 de rechtbank laten weten geen uitvoering te geven aan de sluiting totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigden van de burgemeester.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Waar gaat deze zaak over?
4. Verzoekster is huurder van een woonwagen, verder de woning, aan de [adres] te Gulpen-Wittem. Zij bewoont de woning met haar meerderjarige zoon, verzoeker en met haar twaalfjarige zoon.
4.1.
De burgemeester heeft begin september 2025 een bestuurlijke rapportage van de politie ontvangen van 2 september 2025. Uit deze bestuurlijke rapportage en de aanvullende bestuurlijke rapportage van 4 oktober 2025 volgt dat de politie op 1 september 2025 in de woning een handelshoeveelheid aan soft- en harddrugs heeft aangetroffen. Tijdens de doorzoeking van de woning is het in de slaapkamer van verzoeker het volgende aangetroffen:
- een zakje met 14,1 gram bruto cocaïne (na indicatieve test);
- een plastic zak met 227,1 gram bruto hennep;
- een doosje met 63 patronen;
- een bakje met een totaal geldbedrag van € 2.985,-.
De aanleiding voor de doorzoeking van de woning is een melding bij de politie op
1 september 2025 dat een conflict had plaatsgevonden op de van [adres] te Gulpen. Het conflict zou betrekking hebben op verdovende middelen. Verzoeker zou een vuurwapen hebben getoond.
4.2.
De burgemeester heeft op 12 september 2025 het voornemen tot woningsluiting voor de duur van zes maanden toegezonden en verzoekster in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Verzoekster heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De burgemeester heeft hierin geen aanleiding gezien om van het voornemen af te wijken.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
5. De door verzoekers gevraagde voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen indien er een spoedeisend belang is, waardoor verzoekers niet kunnen wachten op een beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter dient dus eerst te beoordelen sprake of is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5.1.
Gelet op het feit dat verzoekers de woning in het geval van sluiting daarvan zullen moeten verlaten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende is gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De burgemeester heeft dit ook niet betwist. De zaak zal dan ook verder inhoudelijk worden beoordeeld.
Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan?
6. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet (hierna kortweg: drugs, harddrugs of softdrugs), wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Doorgaans houdt de last in dat de woning voor een bepaalde periode wordt gesloten.
6.1.
De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig zijn. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs, 5,0 g softdrugs of vijf (hennep)planten (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking.
6.2.
Verzoekers hebben aangevoerd dat het besluit door een niet-bevoegd bestuursorgaan is genomen, namelijk het college van burgemeester en wethouders. De burgemeester heeft namens deze het besluit genomen. Artikel 13b van de Opiumwet bepaalt nadrukkelijk dat de burgemeester de bevoegdheid heeft. Uit niets blijkt dat de burgemeester het college heeft gemandateerd om het besluit te nemen.
6.3.
Artikel 13b van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid om een woning te sluiten. Het besluit is genomen door de burgemeester namens het college van burgemeester en wethouders. Dit is niet correct. Het besluit is dus niet-bevoegd genomen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daar consequenties aan te verbinden omdat de burgemeester dit gebrek in bezwaar kan herstellen.
6.4.
Verzoekers hebben verder aangevoerd dat de bevoegdheid ontbreekt omdat de beweerdelijk gevonden hennep niet is getest en de cocaïne slechts indicatief is getest. Van de hennep en de cocaïne zijn geen foto’s gemaakt en de politie heeft de gevonden hennep niet omschreven als zijnde een plant met de kenmerken van hennep of de geur van hennep.
6.5.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 31 juli 2019 [1] , heeft overwogen, geldt in het bestuursrecht een andere bewijslast dan in het strafrecht en kan in het bestuursrecht gebruik worden gemaakt van een indicatieve test. In de aanvullende bestuurlijke rapportage van 4 oktober 2025, die op ambtseed is opgemaakt, staat vermeld dat de 14,1 gram witte poeder indicatief is getest op cocaïne. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de aangetroffen 14,1 gram witte poeder cocaïne bevat. Een verklaring van het NFI dat de aangetroffen poeder daadwerkelijk cocaïne betreft, is dan niet nodig. Verzoekers hebben verder geen redenen aangevoerd waarom het resultaat van de indicatieve test, niet juist is. Omdat het hier gaat om alleen al een hoeveelheid aan harddrugs die de als voor eigen gebruik bestemde maximumhoeveelheid van 0,5 gram overschrijdt, mocht de burgemeester, nog afgezien van de beweerdelijk gevonden hennep, in beginsel aannemelijk achten dat het hier gaat om harddrugs die bestemd was voor verkoop, aflevering of verstrekking. De burgemeester was daarom bevoegd om de woning te sluiten.
De evenredigheidsbeoordeling
7. Als de burgemeester gebruik wil maken van zijn bevoegdheid om een woning op grond van artikel 13b, van de Opiumwet te sluiten, geldt daarvoor het beoordelings- en toetsingskader van de Afdeling. Dat kader is beschreven in de uitspraken van 28 augustus 2019 [2] , 6 juli 2022 [3] en 16 juli 2025. [4] Hierbij moet beoordeeld worden of de sluiting van de woning in het concrete geval geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is.
Geschiktheid
8. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet
redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend.
8.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het tijdsverloop tussen het aantreffen van de harddrugs en het besluit niet zodanig is geweest dat dit redelijkerwijs geen geschikt middel zou zijn om de doelen te kunnen bereiken die met een dergelijke sluiting worden gediend.
Noodzaak
9. Bij beoordeling of sluiting van een woning noodzakelijk is, is de vraag aan de orde of de burgemeester, gegeven zijn bevoegdheid om bestuursdwang uit te oefenen, met een minder ingrijpend middel had kunnen en dus ook moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Een minder ingrijpend middel dan woningsluiting is het opleggen van een last onder dwangsom of het geven van een waarschuwing.
9.1.
Toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie en strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. Herstel van de openbare orde is dus niet op zichzelf het doel van deze toepassing. Dit neemt niet weg dat een overtreding van de Opiumwet, ook wanneer deze plaatsvindt in of vanuit een woning, gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en in meer of mindere mate gepaard gaat met verstoring van de openbare orde. Het ligt voor de hand dat de burgemeester die effecten op de omgeving betrekt in zijn beoordeling of het noodzakelijk is om over te gaan tot sluiting van een woning. Deze beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval.
9.2.
Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang, waaronder de aard en hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, of de drugs feitelijk in of vanuit de woning zijn verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand, of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen en of aannemelijk is dat de woning een rol vervult in de keten van drugshandel. [5]
9.3.
Verzoekers betwisten de noodzaak om te sluiten. Verzoeker is een 19-jarige knul die een verkeerde afslag heeft genomen en hij heeft geen antecedenten op het gebied van overtredingen van de Opiumwet. Er is geen loop naar de woning geconstateerd en er zijn geen overlastmeldingen geweest die wijzen op handel. Verder zijn geen verpakkingsmaterialen, weegschaaltjes of andere voorwerpen aangetroffen die wijzen op drugshandel. Het aangetroffen geld is gespaard door verzoeker uit verdiensten voor klusjes voor familieleden, verjaardagen, contante fooien voor werkzaamheden bij een café en contante betalingen voor het inleveren van oud ijzer. Verzoeker heeft daarvan verklaringen overgelegd. De ligging van het pand is ook geen reden om te sluiten omdat de gelegde relatie met de drugsoverlast en drugstoerisme in de gemeente Maastricht volgens verzoekers te ver gezocht is. Ook ligt de woning niet in een voor drugshandel kwetsbare wijk.
9.4.
De burgemeester stelt zich op het standpunt dat een noodzaak tot sluiting is vanwege de aangetroffen handelshoeveelheid harddrugs, het feit dat de gemeente Maastricht een strenger beleid voert tegen drugsoverlast en drugstoerisme waardoor een waterbedeffect naar de omliggende Heuvelland gemeenten zoals Gulpen-Wittem kan ontstaan en het belang van de rust in de directe omgeving en het voorkomen van herhaling van verstoring van de openbare orde.
9.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de noodzaak om te sluiten onvoldoende heeft onderbouwd. Er is weliswaar een handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen maar van een loop naar de woning is niet gebleken. Ook zijn geen overlastmeldingen geweest. Dit maakt dat er geen indicatie is van feitelijke handel vanuit de woning. Verder is sprake van een eerste incident en dus geen recidive. Verzoekers zelf hebben geen antecedenten op het gebied van overtredingen van de Opiumwet. Voorts ligt de woning niet in een voor drugshandel kwetsbare wijk. Dit staat in de bestuurlijke rapportage van 2 september 2025. Dat sprake is van een zogenoemd waterbedeffect vanuit Maastricht is een aanname maar niet onderbouwd door de burgemeester. In de woning zijn patronen aangetroffen en contant geld. Verzoekers hebben daarover verklaard, maar dat zullen zij in bezwaar verder dienen te onderbouwen. De aangetroffen patronen en het contante geld vormt naar het oordeel van de voorzieningenrechter, in samenhang bezien met het ontbreken van andere indicaties voor handel, onvoldoende indicatie om feitelijke handel aan te nemen.
De voorzieningenrechter concludeert dat er omstandigheden zijn die de noodzaak om te sluiten minder maken. De burgemeester zal bij het nemen van het besluit op bezwaar de noodzaak nader moeten onderbouwen.
Evenwichtigheid
10. Als de sluiting van een woning in beginsel geschikt en noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat die sluiting ook evenwichtig moet zijn. [6] Bij de beoordeling van de evenwichtigheid van (de duur van) de sluiting zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met de woning, de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de sluiting op hun welzijn en de mogelijkheid om weer van de woning gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting voor de bewoner moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Inherent aan de sluiting van de woning is verder dat de bewoner de woning moet verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is in de eerste plaats aan de bewoner om vervangende woonruimte te vinden. Wel dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. [7]
- Verwijtbaarheid
10.1.
Verzoekster voert aan dat haar en haar minderjarige zoon geen verwijt kan worden gemaakt van de overtreding van de Opiumwet. De drugs werd gevonden in de slaapkamer van verzoeker, verstopt in de kast en zijn portemonnee, niet zichtbaar voor anderen. Verzoekster wist niets af van de spullen die verzoeker in huis had verstopt. Zij komt net uit een zware, slepende echtscheiding met haar ex-man en kan zich wel voor het hoofd slaan dat zij er niet achter is gekomen dat haar zoon die spullen in huis had.
10.2.
Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan tot gevolg hebben dat de burgemeester redelijkerwijs niet van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik mag maken. Dat daarvan sprake is, heeft de burgemeester terecht niet aannemelijk geacht. Verzoekster is immers huurder van de woning en woont er zelf. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat verzoekster geen volledig verwijt valt te maken gezien de plek waar de drugs zijn aangetroffen, het ontbreken van attributen zoals een weegschaaltje of verpakkingsmateriaal en niet is gebleken dat verzoekster iets met de harddrugs te maken had en daarvan wist.
- Gevolgen sluiting, ontbinding van de huurovereenkomst
10.3.
Verzoekers voeren aan dat naast dat zij dakloos dreigen te worden, de woningcorporatie ongetwijfeld zal overgaan tot ontbinding van de huurovereenkomst.
10.4.
Of de bewoner na de sluiting van de woning weer van de woning gebruik kan maken, moet door de burgemeester worden meegewogen in het kader van de evenwichtigheid van het besluit tot sluiting van de woning. Gebleken is dat de burgemeester dat niet heeft gedaan en ook niet heeft meegewogen of verzoekers en het minderjarige kind vervangende huisvesting kunnen krijgen. De burgemeester zal bij het nemen van het besluit op het bezwaar dit alsnog moeten doen.
- Gevolgen sluiting, belangenafweging minderjarig kind
10.5.
Verzoekster voert aan dat de burgemeester nauwelijks heeft overwogen welke gevolgen een eventuele sluiting zou hebben op het leven van haar minderjarige zoon van twaalf jaar oud, die eveneens in de woning verblijft en in Gulpen sinds augustus 2025 naar de middelbare school gaat. De sluiting leidt tot onomkeerbare gevolgen voor verzoekers en de minderjarige zoon. De sluiting van zes maanden vormt onder deze omstandigheden een grove inbreuk op artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De burgemeester had ook kunnen kiezen voor een waarschuwing aan het adres van verzoeker.
10.6.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de burgemeester de gevolgen van de sluiting voor het minderjarig kind en diens belangen niet heeft afgewogen. De burgemeester zal dit bij het nog te nemen besluit op het bezwaar alsnog moeten doen.

Conclusie en gevolgen

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. De voorzieningenrechter schorst het bestreden besluit tot zes weken na verzending van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat de burgemeester de woning niet mag sluiten tot zes weken na verzending van het besluit op bezwaar. Indien de burgemeester de sluiting van de woning wenst te handhaven, zal de burgemeester bij het nemen van het besluit op bezwaar de noodzaak om te sluiten beter moeten motiveren. Verder zal de burgemeester een inzichtelijke belangenafweging moeten maken waarbij de noodzaak, de verminderde verwijtbaarheid en de gevolgen van de sluiting, met name voor het minderjarig kind, dienen te worden betrokken.
11.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Daarom krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na verzending van het besluit op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan verzoekers moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.G. Cremers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 3 december 2025.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RVS:2019:2625, onder 4.3.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, onder 10 en 10.2.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, onder 11 e.v..
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3262, onder 6.2.