Beoordeling door de rechtbank
(Totstandkoming van) het bestreden besluit
2. Op 3 september 2019 heeft vergunninghoudster een aanvraag voor een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb (hierna: natuurvergunning) ingediend voor de exploitatie van een railterminal op [naam 2] voor de locatie [adres 1] in [plaats 1] . Voor de railterminal is eerder een zogeheten PAS-melding gedaan. De railterminal is gelegen aan de noordwestzijde van [plaats 1] aan de spoorlijn Venlo-Eindhoven ter hoogte van de N295 en is bestemd voor zowel continentaal als intercontinentaal vervoer. Naast treinen worden de containers ook aangeboden via vrachtwagens. Op de railterminal kunnen per dag twaalf treinen worden geladen en gelost. Eén (XXL-)trein van 740 meter heeft dezelfde capaciteit als 56 vrachtwagens. Op de railterminal vinden rangeerbewegingen plaats met goederentreinen. De aan- en afvoer van containers vindt grotendeels plaats middels diesellocomotieven.
3. Bij het bestreden besluit is de gevraagde natuurvergunning verleend, omdat de railterminal volgens verweerder geen (significante) negatieve effecten zal veroorzaken op de betrokken Nederlandse en Duitse Natura-2000 gebieden, mits deze vergunning en de daaraan verbonden voorschriften worden nageleefd. Voor de oprichting van de railterminal is uitgegaan van de emissies van totaal 50.186 kg NOx/jaar en 115 kg NH3/jaar. Ter mitigatie van de voorziene toename van stikstofdepositie heeft vergunninghoudster ammoniakrechten opgekocht, te weten 1.160,8 kg NH3/jaar, van een voormalig agrarisch bedrijf op de locatie [adres 2] in [plaats 2] (hierna: [naam landbouwbedrijf] )
.Naast deze externe saldering zal het wegvallen van fossiel vrachtverkeer door de verschuiving van vrachtverkeer van de weg naar het spoor volgens verweerder zorgen voor een afname van 120 ton NOx op de route ‘Maasvlakte 2-Venlo’(180.000 vrachtwagens per jaar minder). De railterminal ligt niet in een Natura 2000-gebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ ligt op ongeveer zes kilometer afstand ten noordoosten van de railterminal. Binnen de afstandsgrens van 25 kilometer liggen acht Nederlandse en enkele Duitse Natura 2000-gebieden. Voor de zes Natura-2000 gebieden met een stikstofdepositie groter dan 0,1 mol/ha/jaar varieert de maximale depositiebijdrage als gevolg van de railterminal van 0,11 mol/N/ha/jaar tot maximaal 0,45 mol N/ha/jaar. Uit de ecologische effectbeoordeling kan volgens verweerder geconcludeerd worden dat de berekende toename van stikstofdepositie als gevolg van de exploitatie van de railterminal voor geen van de betrokken habitattypen, habitatsoorten en leefgebieden en Natura-2000 gebieden tot conflicten met het duurzaam behalen van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen zal leiden. Dit met name door de geringe toename van stikstofdepositie, de ecologische doorwerking daarvan en doordat stikstofdepositie niet de bepalende factor is, aldus verweerder.
4. Eiseressen voeren in beroep aan dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of beëindiging van [naam landbouwbedrijf] al nodig was als passende maatregel op basis van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Verder voeren zij aan dat er geen directe samenhang is tussen de intrekking van de milieutoestemming voor [naam landbouwbedrijf] en de verlening van de natuurvergunning voor de railterminal. Ook stellen zij dat de ammoniakemissie van [naam landbouwbedrijf] te hoog is bepaald. Verder is sprake van een ontoereikende beoordeling van de effecten van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Meinweg, Sarsven en De Banen, Maasduinen, Deurnsche Peel en Mariapeel, en de Groote Peel, net als de stikstofdepositie op de overige Natura 2000-gebieden. Ook stellen eiseressen dat de emissies van de railterminal waarmee is gerekend, opvallend verschillen van eerdere berekeningen.
Heeft verweerder in strijd met de goede procesorde gehandeld?
5. Volgens eiseressen is sprake van strijd met de goede procesorde, omdat het verweerschrift van 28 april 2025 een omvangrijk en complex stuk is dat zeer laat in de procedure is ingebracht, waardoor eiseressen belemmerd zijn om hier adequaat op te reageren.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van strijd met de goede procesorde. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat het verweerschrift met in de bijlage een Aerius-berekening, zestien dagen voor de zitting is ingediend en daarmee dus binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van tien dagen voor de zitting. Dat is dus in beginsel geen reden om het verweerschrift te weigeren.
7. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:844, overwegingen 5.1 tot en met 5.4, en 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1971, overweging 16.1, overweegt de rechtbank dat stukken, hoewel die meer dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend, toch wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing kunnen worden gelaten. De rechtbank ziet daarvoor in dit geval geen aanleiding, omdat het verweerschrift niet te omvangrijk en/of te complex is en, mede gelet op de indiening zestien dagen voor de zitting, niet tot gevolg heeft gehad dat partijen zijn belemmerd in hun voorbereiding van de zitting. Hierbij acht de rechtbank mede van belang dat de gemachtigde van eiseressen bij brief van 1 mei 2025 met een uitgebreid onderbouwd stuk heeft gereageerd op het verweerschrift. 8. Ter zitting hebben eiseressen ook bezwaar gemaakt tegen de namens verweerder ter zitting aanwezige deskundigen. De rechtbank acht dit bezwaar ongegrond. De door verweerder meegenomen deskundigen zijn beiden werkzaam bij Antea Group Nederland, het bureau dat de stikstofdepositie-onderzoeken in opdracht van vergunninghoudster heeft verricht en daarover rapporten heeft uitgebracht op 18 december 2018 en 24 mei 2022 die door [naam deskundige 1] zijn goedgekeurd. Verweerder heeft de deskundigen bij brief van 6 mei 2025 aangemeld bij de rechtbank, zodat eiseressen hierdoor niet zijn overvallen ter zitting. Het betoog slaagt niet.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
9. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een natuurvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een natuurvergunning is ingediend op 3 september 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wet natuurbescherming, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
10. Ingevolge artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
11. Ingevolge artikel 2.7, derde lid, van de Wnb verlenen gedeputeerde staten een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8. Uit het eerste lid van artikel 2.8 volgt dat de aanvrager van de vergunning een passende beoordeling maakt van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
12. De rechtbank stelt vast dat Maasduinen het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is dat op ongeveer zes kilometer afstand ten noordoosten van het project ligt. Voor het berekenen van stikstofdepositie geldt een afstandsgrens van 25 kilometer. Binnen deze afstand zijn in totaal acht Nederlandse Natura 2000-gebieden gelegen. Voor de railterminal is eerder geen natuurvergunning verleend, zodat geen sprake is van een referentiesituatie. De rechtbank stelt verder vast dat tussen partijen niet in geschil is dat niet is uitgesloten dat de railterminal significante gevolgen kan hebben voor omliggende Natura 2000-gebieden. Dat is ook de reden waarom verweerder heeft geoordeeld dat een natuurvergunning nodig is. In het verweerschrift heeft verweerder vermeld dat mogelijk landelijk een zogeheten rekenkundige ondergrens van 1,0 mol/ha/jaar zal worden ingevoerd; volgens verweerder ligt de maximale depositiebijdrage van de railterminal onder die rekenkundige ondergrens. De rechtbank stelt echter vast dat die rekenkundige ondergrens tot op heden niet is ingevoerd, zodat deze al om die reden niet aan de orde kan komen. Beoordeeld dient dus te worden of verweerder de natuurvergunning mocht verlenen.
Is uitgegaan van de juiste emissie van de railterminal?
13. Bij de berekening van de emissies van de railterminal is verweerder uitgegaan van een aantal bronnen met een emissie van NOx en/of NH3 die toebehoren aan de inrichting. Eiseressen betwisten die bronnen en de emissies ervan: zij hebben erop gewezen dat er grote verschillen zijn tussen de uitgangspunten in het rapport van Antea Group van 2022 en een eerder rapport van Antea Group van 5 november 2015.
14. Verweerder heeft in het verweerschrift de reactie van Antea Group hierop vermeld. Volgens Antea Group is het rapport van 5 november 2015 opgesteld ten behoeve van de vaststelling van bestemmingsplan Trade Port Noord, Railterminal en Spoorse aanpassingen, deelgebied Venlo, en ten behoeve van de concessie-uitvraag. Volgens Antea Group is daarbij uitgegaan van een worst case-scenario, terwijl de aanvraag van de natuurvergunning is gebaseerd op de concrete exploitatie door vergunninghoudster. Daarbij is de modellering van de stikstofdepositie gelijkgetrokken met de representatieve bedrijfssituatie die aan de basis ligt van het akoestische onderzoek van de railterminal. Over specifiek de emissiefactor voor diesellocomotieven heeft Antea Group opgemerkt dat in het rapport van 2022 is uitgegaan van de inzichten op dat moment en dat die zijn gewijzigd ten opzichte van 2015.
15. De rechtbank ziet in hetgeen eiseressen hebben aangevoerd, onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de gehanteerde bronnen en emissies per bron niet representatief zijn. De rechtbank ziet daarom geen reden voor het oordeel dat verweerder op dit punt niet mocht uitgaan van het rapport van Antea Group van 2022.
Is in het bestreden besluit getoetst aan het additionaliteitsvereiste?
16. Zoals hiervoor in overweging 3 is vermeld, heeft vergunninghoudster ammoniakrechten opgekocht van landbouwbedrijf [naam landbouwbedrijf] teneinde de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden te verkleinen. Eiseressen stellen in beroep dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of de beëindiging van het landbouwbedrijf al nodig was als instandhoudings- of passende maatregel.
17. De Afdeling heeft onder meer in de uitspraak van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (Rendac), overweging 18.5, geoordeeld dat een maatregel niet zonder meer als mitigerende maatregel in een passende beoordeling kan worden betrokken. Dat kan alleen als de maatregel niet nodig is krachtens artikel 6, eerste of tweede lid, van de Habitatrichtlijn, het zogeheten additionaliteitsvereiste. Daarvan is volgens de Afdeling sprake als de (gedeeltelijke) beëindiging van het ingezette agrarische bedrijf niet nodig is voor het behoud van de gunstige staat van instandhouding van de natuurwaarden in de betrokken Natura 2000-gebieden (artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn) en ook niet nodig is om verslechteringen of verstoringen die significante effecten kunnen hebben op de natuurwaarden in de betrokken Natura 2000-gebieden te voorkomen (artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn). Dit dient steeds in het concrete geval bij de inzet van extern salderen als mitigerende maatregel in een passende beoordeling beoordeeld en gemotiveerd te worden. Hierbij moet de motivering zijn toegesneden op de instandhoudingsdoelstellingen en de staat van instandhouding van de betrokken Natura 2000-gebieden. Blijkens de Rendac-uitspraak dient de rechtbank in nog lopende rechtszaken, zoals deze, het nieuwe beoordelingskader toe te passen. 18. De rechtbank stelt vast dat verweerder - zoals in het verweerschrift en ter zitting is erkend - in het bestreden besluit ten onrechte geen additionaliteitstoets heeft verricht. Verweerder heeft zich namelijk niet vergewist van de staat van instandhouding en de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden, in hoeverre daarvoor herstel- en verbetervoorstellen gelden, in verband daarmee andere maatregelen (moeten) worden getroffen en wat daarvan het te verwachten resultaat is.
19. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en vernietigd moet worden.
Kunnen de rechtsgevolgen in stand blijven?
20. In het verweerschrift heeft verweerder alsnog een toetsing aan het additionaliteitsvereiste opgenomen. De rechtbank ziet daarin echter geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Reden daarvoor is dat de rechtbank er niet van overtuigd is geraakt dat de depositie veroorzaakt door de voorheen gehouden dieren op [naam landbouwbedrijf] mocht worden ingezet voor externe saldering ten behoeve van de railterminal. Daartoe wordt het volgende overwogen.
21. Niet is betwist dat voor [naam landbouwbedrijf] een vergunning op grond van de Hinderwet is afgegeven op 23 juli 1984. Verder is voor [naam landbouwbedrijf] op 17 oktober 2006 een melding gedaan op grond van het Besluit landbouwbedrijven milieubeheer voor 100 stuks melk- en kalfkoeien ouder dan twee jaar en 82 stuks vrouwelijk jongvee tot twee jaar. Tussen partijen is niet in geschil dat die melding het uitgangspunt is voor de externe saldering, als zijnde de situatie met de laagste emissie. Verder stelt de rechtbank vast dat – zoals partijen aanhalen – [naam landbouwbedrijf] in 2012 door de provincie Limburg is aangekocht ten behoeve van de ontwikkeling van natuurgebied Schandelo ’t Hanik. De stallen staan sindsdien leeg. Bij brief van 10 juli 2020 heeft de provincie Limburg verzocht om de milieutoestemming in te trekken ten gunste van de exploitatie van de railterminal. Het college van burgemeester en wethouders van Venlo heeft vervolgens in reactie hierop op 29 januari 2021 bekend gemaakt dat een melding is ontvangen van de beëindiging van het houden van vee op [naam landbouwbedrijf] . In de bijbehorende afrondingsbrief milieumelding is vermeld dat de volledige ammoniakrechten die gekoppeld zijn aan de dierrechten van het bedrijf toekomen aan de railterminal en dat deze ammoniakrechten via een natuurvergunning worden gekoppeld. Voor de overige landbouwactiviteiten die op het bedrijf resteren, betreft het een type B inrichting, zo is vermeld in de afrondingsbrief.
22. Over extern salderen met een milieuvergunning, Hinderwetvergunning of melding (hierna: milieutoestemming) heeft de Afdeling meermaals overwogen dat niet relevant is of tot het moment van intrekking van de milieutoestemming, of tot het moment waarop de overeenkomst van de overname van de ammoniakemissie wordt gesloten, nog vee aanwezig was op het bedrijf.Wel is relevant of het bedrijf op dat moment feitelijk nog aanwezig was. Dat is het geval als hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb, is vereist. In de hiervoor genoemde Rendac-uitspraak is dit nogmaals bevestigd.
23. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat hervatting van het landbouwbedrijf van [naam landbouwbedrijf] , waarvan de stikstofrechten ingezet worden voor een gedeelte van de toename in stikstofdepositie als gevolg van de railterminal, mogelijk is zonder natuurvergunning, terwijl, gelet op de Rendac-uitspraak, hiervoor een natuurvergunning nodig zal zijn. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de Afdeling in overweging 19.5 van de genoemde Rendac-uitspraak heeft overwogen dat de wijziging van de beoordeling van de vergunningplicht die in deze uitspraak is uiteengezet ook gevolgen heeft voor extern salderen met onderdelen van een milieutoestemming die feitelijk zijn gerealiseerd maar structureel niet meer in gebruik zijn. Aan de voorwaarde dat daarmee extern gesaldeerd kan worden als de hervatting van de milieuvergunde activiteit zonder natuurvergunning kon, werd voorafgaand aan de Rendac-uitspraak veelal voldaan omdat de referentiesituatie in de voortoets en dus bij de vraag of een natuurvergunning nodig was, mocht worden betrokken. Dat kan als gevolg van de Rendac-uitspraak niet meer. Omdat voor de hervatting van bedrijfsactiviteiten die structureel niet meer in gebruik zijn eerder dan voorheen een natuurvergunning nodig zal zijn, zijn de mogelijkheden van extern salderen op dit punt naar verwachting beperkter dan voorheen. Tevens heeft de Afdeling in overweging 19.9 overwogen: ‘de Afdeling hecht er daarom aan om aan te geven dat de in deze uitspraak uiteengezette wijziging van rechtspraak tot gevolg heeft dat voor veel gevallen een natuurvergunningplicht zal ontstaan waar die er voorheen niet was’. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het bestreden besluit in overeenstemming is met artikel 6 van de Beleidsregels intern en extern salderen in Limburg van december 2019.
24. Gezien het voorgaande is de rechtbank er niet van overtuigd geraakt dat de depositie veroorzaakt door de voorheen gehouden dieren op [naam landbouwbedrijf] mocht worden ingezet voor externe saldering ten behoeve van de railterminal. Voor zover verweerder in paragraaf 4.2.6 van het bestreden besluit en in het verweerschrift heeft verwezen naar de verschuiving van vrachtverkeer naar railvervoer en naar het buiten gebruik stellen van landbouwgrond van [naam landbouwbedrijf] voor bemesting en beweiding, is de rechtbank met eiseressen van oordeel dat dit onvoldoende geconcretiseerd is. Daardoor is niet inzichtelijk of en zo ja in hoeverre deze maatregelen een daling van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden tot gevolg zouden hebben.
25. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen eiseressen verder hebben aangevoerd geen bespreking.
Overschrijding redelijke termijn
26. Eiseressen hebben bij brief van 13 januari 2025 verzocht om een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
27. Voor een zaak als deze waarbij het besluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb (uniforme openbare voorbereidingsprocedure), begint de redelijke termijn te lopen op het moment dat beroep is ingesteld tegen het besluit. De behandeling van het beroep mag ten hoogste twee jaar duren (en de behandeling van het hoger beroep eveneens ten hoogste twee jaar).
28. Nu sinds het instellen van het beroep op 24 augustus 2022 en deze uitspraak drie jaar en bijna vier maanden zijn verstreken, is de redelijke termijn overschreden. Van omstandigheden die een rechtvaardiging van de overschrijding van deze termijn opleveren, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dit betekent dat de procedure één jaar en bijna vier maanden te lang heeft geduurd, hetgeen naar boven wordt afgerond. Uitgaande van deze overschrijding hebben eiseressen recht op een schadevergoeding van € 1.500,-.
29. De rechtbank ziet evenwel in de omstandigheid dat eiseressen gezamenlijk beroep hebben ingesteld, aanleiding dit bedrag te matigen, in die zin dat zij ieder 50% krijgen toegekend. Dit betekent dat elke eiseres een bedrag van € 750,00 krijgt toegekend. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen.