ECLI:NL:RBLIM:2025:2059
Rechtbank Limburg
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ontbreken redelijke grond en toewijzing verzoek tot wedertewerkstelling
In deze zaak verzocht de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding, verwijtbaar handelen of een combinatie van ontslaggronden. De werknemer was sinds 2000 in dienst en er ontstond discussie over het gebruik van de vestigingsauto en reistijd. Tijdens ziekte en re-integratie waren er ook spanningen.
De kantonrechter oordeelde dat de werkgever onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een ernstige en duurzame verstoorde arbeidsverhouding. De problemen met de vestigingsauto en reistijd waren niet zodanig dat ontbinding gerechtvaardigd was. Ook het gedrag van de werknemer tijdens ziekte was niet zodanig verwijtbaar dat ontbinding op die grond kon worden toegewezen.
De cumulatiegrond werd niet nader toegelicht en kon daarom niet slagen. Het verzoek tot ontbinding werd afgewezen. Het tegenverzoek van de werknemer tot onmiddellijke wedertewerkstelling werd toegewezen, waarbij de werknemer wordt verplicht in overleg te treden met zijn leidinggevende over de hervatting van werkzaamheden.
De werkgever werd veroordeeld in de proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het verzoek tot een dwangsom werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen en de werknemer wordt onmiddellijk toegelaten tot zijn werkplek.