Uitspraak
[naam derde-partij], te [woonplaats]
I. De beoordeling van de bestreden besluiten
tevensis gebaseerd op artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Daarmee heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat de bestreden besluiten er in feite op neerkomen dat zowel artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2° jo. artikel 2.3 aanhef en onder a, van de Wabo als artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 aan de last ten grondslag zijn gelegd. Nu de essentie van de opgelegde last onder dwangsom in bezwaar bovendien hetzelfde is gebleven, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de toevoeging van de grondslag van artikel 7.22 van het Bouwbesluit 2012 in de bestreden besluiten artikel 2.1 van de Wabo niet als grondslag voor de last heeft verlaten, zodat verweerder nog steeds bevoegd is om (ook) op grond daarvan handhavend op te treden.
“(..) het installeren en in het werking houden conform de eisen die daarvoor gelden in de toepasselijke wet- en regelgeving, alsmede de voorschriften in de ontwerp-omgevingsvergunning fase 1, van een vergelijkbare en vergunbare luchtwasser (..)”. Of de omgevingsvergunning fase 1 nu al wel of niet in werking is getreden, is dus niet relevant. Bovendien is verweerder juist bereidwillig naar eisers geweest door vooruitlopend op de omgevingsvergunning fase 1 en fase 2 in de last op te nemen dat zij ook op deze manier aan de last konden voldoen, zodat eisers hun werkzaamheden niet hoefden te staken en ook niet (tijdelijk) de in 2014 vergunde luchtwassers hoefden te installeren, met alle kosten van dien. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
II. De boordeling van de invorderingsbeschikkingen
niet volledigis voldaan aan de last en dat daarom in principe de gehele (dubbele) dwangsom is verbeurd. Daarbij heeft verweerder het in te vorderen bedrag gematigd, zowel door maar één keer in te vorderen (alleen bij de B.V.) als door het bedrag te verlagen van € 120.000,- naar € 30.000,- (omdat gedeeltelijk wel aan de last is voldaan).
- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond;
- verklaart de beroepen tegen de invorderingsbeschikkingen ongegrond.
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2025.