Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 25 september 2020 in de zaken tussen
[eiseres 2]te [vestigingsplaats 2] , eiseressen,
het college van Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder,
[derde-partij 1],
[derde-partij 2],
Interchemie Werken “De Adelaar” B.V.,
Van Heek Medical,
Nelipark Healthcare Packaging,
BMN Bouwmaterialen B.V.,
[derde-partij 7], allen te [vestigingsplaats 1] en
Peka Kroef B.V., te Odiliapeel,
Procesverloop
Overwegingen
a. Vervuiling van het inrichtingenterrein en de daken van de bedrijfspanden door storingen, lekkages, achterstallig onderhoud etc. te voorkomen, dan wel indien daadwerkelijk aan de orde te beëindigen en beëindigd te houden, door ‘good housekeeping’. Hieronder valt ook het afdekken van de opslag van houtsnippers op het terrein en het controleren voor vertrek van vrachtwagens op doelmatige afdekking en op vervuiling van het afdekzeil met houtstof.
Onder ‘goed onderhoud’ van de installatie wordt verstaan het één keer per maand schoonmaken van de afzuiging- en leiding/afvoersystemen van de Swiss Combi en Stela drogers.”
de zorgplicht zoals geregeld in het Abm een aantal begrippen bevat die nadere invulling behoeven, en waarbij niet één invulling als de enig juiste kan worden beschouwd. De vragen wanneer nadelige milieugevolgen niet voldoende worden voorkomen en wanneer redelijkerwijs kan worden gevergd dat deze gevolgen worden voorkomen, kunnen bijvoorbeeld afhankelijk van de gekozen weging van alle relevante factoren op verschillende manieren worden beantwoord. Dit betekent dat niet in alle gevallen een eenduidig antwoord bestaat op de vraag waartoe de norm in een concreet geval exact verplicht”. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat overtreding van de zorgplicht eerder aan de orde kan zijn wanneer door eenvoudige, gemakkelijk te treffen maatregelen (bijvoorbeeld) stofverspreiding buiten de inrichting kan worden voorkomen of beperkt, terwijl die maatregelen niet worden getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door de diverse controles en het rapport van Buro Blauw, in combinatie met het klachtenpatroon, niet alleen voldoende aangetoond dat eiseressen artikel 3.32 van het Abm hebben overtreden, maar ook voldoende aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de op- en overslagactiviteiten binnen de inrichting dermate veel stofemissie optreedt dan wel kan optreden dat voor eiseressen onmiskenbaar is dat van hen redelijkerwijs kon worden gevergd dat zij de stofemissie van de op- en overslagactiviteiten binnen de inrichting door good housekeeping voorkomen of in ieder geval beperken. Hierbij is niet van doorslaggevend belang dat er, zoals de StAB heeft onderschreven, in Nederland geen wettelijk toetsingskader geldt voor stofdepositie rond bedrijven. Dat de StAB de door Buro Blauw genoemde grenswaarden voor stofdepositie niet geschikt acht om te bepalen of er sprake is van onaanvaardbare stofhinder buiten de inrichting, dat de StAB van mening is dat er onvoldoende basis is om op grond van de depositiemetingen van Buro Blauw de kwantitatieve overschrijding van de grenswaarde objectief vast te stellen en dat dit rapport onvoldoende basis vormt om op grond daarvan handhavend te kunnen optreden, laat ook volgens de StAB onverlet dat verweerder in het kader van de door de drijvers van de inrichting te betrachten zorgplicht eisen kan stellen aan het toepassen van good housekeeping en het treffen van mogelijke maatregelen kan verlangen om de stofemissie buiten de inrichting te voorkomen of in ieder geval te beperken. Omdat eiseressen daarin tekort zijn geschoten, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank bevoegd eiseressen een last onder dwangsom op te leggen om de stofemissie bij de op- en overslagactiviteiten door het treffen van good housekeepingmaatregelen en het bijhouden daarvan in een logboek te beperken. De daartegen gerichte beroepsgronden slagen niet.
Kamerstukken II,2003-2004, 29 702, nr. 3, p. 115)
Beslissing
- verklaart de beroepen met zaaknummer AWB 19/3147, 19/3150 en 19/3152 gegrond en vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarbij de lasten 8.2.3, 8.2.4 en 8.3 in stand zijn gelaten;
- herroept de primaire besluiten voor zover daarbij de lasten 8.2.3, 8.2.4 en 8.3 zijn opgelegd en bepaalt dat dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden besluiten;
- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten voor zover daarbij last 8.1 in stand is gelaten niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen met zaaknummer AWB 20/1511 en 20/1513 gegrond