19.2.Om te voldoen aan last 8.2.2, onder 2 (het wekelijks bijhouden van de getroffen maatregelen van ‘good housekeeping’ in een logboek) dienen eiseressen op verzoek van de toezichthouder van verweerder ten allen tijde een geloofwaardig, en met fotomateriaal en andere bewijsstukken gedocumenteerd logboek te overleggen, waarin de voornoemd beschreven periodiek te treffen maatregelen in het kader van ‘good housekeeping (bij beide emissiebronnen) aannemelijk worden vastgelegd en gedocumenteerd.
20. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder het bezwaar van eiseressen tegen deze lasten onder dwangsom ongegrond verklaard.
21. In beroep voeren eiseressen primair aan dat van een overtreding op grond waarvan genoemde lasten kunnen worden opgelegd, geen sprake is. In het rapport van Buro Blauw is daarvoor geen toereikende motivering te vinden. Eiseressen betwisten dat zij in strijd met artikel 2.3, aanhef en onder a, van de Wabo in samenhang met voorschrift 9.1.1 van de vigerende vergunningen hebben gehandeld, omdat voorschrift 9.1.1 geen aanvullende werking op artikel 2.5 van het Abm heeft en niet aannemelijk is gemaakt dat de stofdepositie verband houdt met de situering van de uitmondingen in de buitenlucht van de afvoeren van de drogers. Daarnaast betwisten eiseressen dat zij de zorgplicht van artikel 2.1, eerste lid en tweede lid, onder i van het Abm en artikel 7.22 van het Bouwbesluit hebben overtreden. Eiseressen wijzen erop dat er geen wettelijke norm voor stofdepositie bestaat en dat verweerder uit het rapport van Buro Blauw ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij onmiskenbaar in strijd met de zorgplicht hebben gehandeld dan wel onaanvaardbare stofhinder als bedoeld in artikel 7.22 van het Bouwbesluit veroorzaken. Deze artikelen kunnen derhalve (ook) niet als grondslag voor handhavend optreden dienen, aldus eiseressen. Subsidiair – voor zover toch van een overtreding sprake zou zijn – voeren eiseressen aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien. Zij hebben vrijwillig fors geïnvesteerd in verschillende maatregelen om bij alle bronnen emissie van stof zo veel mogelijk te beperken. Daartoe wordt gewezen op de in bijlage 4 bij het bezwaarschrift getroffen stofreducerende maatregelen. Deze maatregelen zijn BBT en daarmee wordt aan de stofemissie-eisen uit het Abm voldaan. Eiseressen hadden dan ook in redelijkheid niet kunnen weten dat zij het belang van bescherming van het milieu schaadden. Ten aanzien van de inhoud van de lasten voeren eiseressen aan dat deze onduidelijk zijn geformuleerd. Niet duidelijk is wat onder good housekeeping wordt verstaan temeer nu vervuiling van het inrichtingenterrein en de daken ook bij ‘ongewone voorvallen’ zoals storingen moet worden voorkomen. Aan het bijhouden van een logboek worden onduidelijke en onevenredige eisen gesteld omdat niet duidelijk wanneer een logboek ‘geloofwaardig’ is en daarnaast nog fotomateriaal en ander bewijsstukken op verzoek overgelegd moeten worden, waarvan voor eiseressen ook onduidelijk is wat daaronder wordt verstaan. Eiseressen vinden bevestiging van hun betoog dat de lasten onduidelijk zijn in een aantal controlerapporten van verweerder over de afgelopen periode. Op basis van die rapporten is verweerder van mening dat de lasten zijn overtreden, terwijl tegelijkertijd wordt geconstateerd dat de bedrijven er schoon bij liggen.
Verder voeren eiseressen aan dat de begunstigingstermijn te kort is omdat zij door de lasten onder dwangsom worden overvallen nu eerdere handhavingsverzoeken zijn afgewezen en zij sinds 2018 slechts één klacht over stofoverlast hebben ontvangen. Van andere klachten zijn eiseressen door verweerder niet op de hoogte zijn gesteld.
Ten slotte voeren eiseressen aan dat de hoogte van de dwangsommen, gelet op het totaal van de dwangsommen, geen stand kan houden. In totaal kunnen eiseressen alleen ten aanzien van het aspect stof € 6.106.000,00 aan dwangsommen verbeuren, hetgeen niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom, aldus eiseressen.
22. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of sprake is van (een) overtreding(en) op grond waarvan verweerder bevoegd is handhavend op te treden.
23. Verweerder heeft onder meer als grondslag voor het opleggen van de last 8.2.2. artikel 3.32 en de zorgplicht uit het Abm gebruikt. In bijlage 8 bij de bestreden besluiten is een overzicht opgesteld van activiteiten binnen de inrichting waarbij sprake is van op- en overslag waar de zorgplicht voor geldt. Voor de gekanaliseerde emissies heeft verweerder voorschrift 9.1.1 van de vigerende vergunningen gehanteerd. Daarnaast is voor de gekanaliseerde emissies en aanvullend voor de resterende activiteiten artikel 7.22 van het Bouwbesluit als grondslag voor het opleggen van deze last gebruikt.
24. In voorschrift 9.1.1 van de vigerende vergunningen is het volgende bepaald: “Uitmondingen in de buitenlucht van afvoeren van ventilatiesystemen, luchtbehandelingsinstallaties of afzuigsystemen, ten aanzien waarvan in deze vergunning geen andere voorschriften zijn gesteld, zodanig moeten zijn gesitueerd dat een afdoende verspreiding van luchtstromen is gewaarborgd zonder dat hinder buiten de inrichting wordt veroorzaakt”.
Ingevolge het bepaalde in artikel 3.32, aanhef en onder a en b, van het Abm worden goederen in de buitenlucht zodanig op- en overgeslagen dat:
zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is;
verontreiniging van de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt.
In artikel 2.1, eerste lid, van het Abm is het volgende bepaald: “Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd”.
Ingevolge het tweede lid, onder i, van artikel 2.1 van het Abm wordt onder het voorkomen of beperken van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid verstaan: het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van stofhinder.
In artikel 2, aanhef en onder b, van het Abm is bepaald dat deze afdeling (waaronder artikel 2.1 van het Abm) van toepassing is op degene die een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.
Ingevolge artikel 3.32, eerste lid, onder a en b, van § 3.4.3 (opslaan en overslaan van goederen) van hoofdstuk 3 van het Abm worden goederen in de buitenlucht zodanig op- en overgeslagen dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is (a) en verontreiniging van de omgeving zoveel mogelijk wordt beperkt (b).
Artikel 7.22 van het Bouwbesluit luidt:
"Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor:
a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid;
b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein;
c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of
d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt."
25. Zoals de Afdeling meermaals heeft geoordeeld is overtreding van de zorgplicht als bedoeld in het Abm uitsluitend aan de orde in gevallen waarvoor dat besluit geen uitputtende regeling bevat (uitspraken van 10 augustus 2011, ECLi:NL:RVS:2011:BR4631, 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:174 en 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2881). Paragraaf 3.4.3 en in het bijzonder het daarvan onderdeel uitmakende artikel 3.32 van het Abm heeft betrekking op het op- en overslaan van inerte goederen zoals hier aan orde, maar bevat geen uitputtende regeling daarvoor. Hieruit volgt dat overtreding van de zorgplicht ten aanzien van de zogenoemde diffusie stofemissies aan de orde kan zijn. In onder meer de eerstgenoemde uitspraak heeft de Afdeling verder geoordeeld dat bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen vanwege overtreding van de zorgplicht uitsluitend kunnen worden getroffen wanneer het handelen of nalaten van de drijver van de inrichting onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat “de zorgplicht zoals geregeld in het Abm een aantal begrippen bevat die nadere invulling behoeven, en waarbij niet één invulling als de enig juiste kan worden beschouwd. De vragen wanneer nadelige milieugevolgen niet voldoende worden voorkomen en wanneer redelijkerwijs kan worden gevergd dat deze gevolgen worden voorkomen, kunnen bijvoorbeeld afhankelijk van de gekozen weging van alle relevante factoren op verschillende manieren worden beantwoord. Dit betekent dat niet in alle gevallen een eenduidig antwoord bestaat op de vraag waartoe de norm in een concreet geval exact verplicht”. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat overtreding van de zorgplicht eerder aan de orde kan zijn wanneer door eenvoudige, gemakkelijk te treffen maatregelen (bijvoorbeeld) stofverspreiding buiten de inrichting kan worden voorkomen of beperkt, terwijl die maatregelen niet worden getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door de diverse controles en het rapport van Buro Blauw, in combinatie met het klachtenpatroon, niet alleen voldoende aangetoond dat eiseressen artikel 3.32 van het Abm hebben overtreden, maar ook voldoende aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de op- en overslagactiviteiten binnen de inrichting dermate veel stofemissie optreedt dan wel kan optreden dat voor eiseressen onmiskenbaar is dat van hen redelijkerwijs kon worden gevergd dat zij de stofemissie van de op- en overslagactiviteiten binnen de inrichting door good housekeeping voorkomen of in ieder geval beperken. Hierbij is niet van doorslaggevend belang dat er, zoals de StAB heeft onderschreven, in Nederland geen wettelijk toetsingskader geldt voor stofdepositie rond bedrijven. Dat de StAB de door Buro Blauw genoemde grenswaarden voor stofdepositie niet geschikt acht om te bepalen of er sprake is van onaanvaardbare stofhinder buiten de inrichting, dat de StAB van mening is dat er onvoldoende basis is om op grond van de depositiemetingen van Buro Blauw de kwantitatieve overschrijding van de grenswaarde objectief vast te stellen en dat dit rapport onvoldoende basis vormt om op grond daarvan handhavend te kunnen optreden, laat ook volgens de StAB onverlet dat verweerder in het kader van de door de drijvers van de inrichting te betrachten zorgplicht eisen kan stellen aan het toepassen van good housekeeping en het treffen van mogelijke maatregelen kan verlangen om de stofemissie buiten de inrichting te voorkomen of in ieder geval te beperken. Omdat eiseressen daarin tekort zijn geschoten, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank bevoegd eiseressen een last onder dwangsom op te leggen om de stofemissie bij de op- en overslagactiviteiten door het treffen van good housekeepingmaatregelen en het bijhouden daarvan in een logboek te beperken. De daartegen gerichte beroepsgronden slagen niet. 26. Ten aanzien van de zogenoemde gekanaliseerde emissies is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat is aangetoond dat eiseressen voorschrift 9.1.1 van de vergunningen hebben overtreden en dat op grond daarvan de last kan worden opgelegd om bij de gekanaliseerde emissiebronnen (de Stela droger en de Swiss Combi droger) good housekeeping maatregelen te treffen en die in een logboek bij te houden. Zoals ook de StAB in diens verslag heeft aangegeven, heeft genoemd voorschrift betrekking op (de situering van) de uitmondingen van de afvoeren en is dit voorschrift (alleen) bedoeld om te garanderen dat de uitmondingen van installaties en systemen op de juiste locatie worden geplaatst om afdoende verspreiding van luchtstromen te waarborgen. Dat de uitmondingen niet op de juiste locatie zijn geplaatst om afdoende verspreiding van luchtstromen te waarborgen, heeft verweerder niet gesteld en is ook niet aannemelijk geworden. Hieruit volgt dat verweerder ten onrechte heeft geconstateerd dat sprake was van overtreding van voorschrift 9.1.1 en dus ten onrechte aan eiseressen een last onder dwangsom heeft opgelegd. Aan beantwoording van de vraag of wegens overtreding van dat voorschrift de last van good housekeeping kan worden opgelegd, omdat een last moet strekken tot ongedaan maken van een overtreding of om herhaling te voorkomen, komt de rechtbank niet toe. De beroepsgronden slagen in zoverre. Hiermee is echter nog niet gegeven dat dit onderdeel van de last niet in stand kan blijven.
27. De rechtbank stelt vast dat verweerder last 8.2.2, voor zover die ziet op de gekanaliseerde emissies, tevens heeft gebaseerd op overtreding van artikel 7.22 van het Bouwbesluit. Dat geldt ook voor de overige activiteiten binnen de inrichting waardoor stofoverlast optreedt. Dit betreft de andere activiteiten dan de op- en overslagactiviteiten binnen de inrichting, waarvan verweerder een overzicht heeft gemaakt. De Afdeling heeft in onder meer de door verweerder genoemde uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3493 (Grieks specialiteitenrestaurant Corfu) overwogen dat artikel 7.22 van het Bouwbesluit, gelet op de nota van toelichting (Stb. 2011, 416, blz. 342-343), een restbepaling is die door het bevoegd gezag kan worden toegepast indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is om op te treden tegen het gebruik van een bouwwerk, open erf of terrein vanwege gevaarzetting, dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder en meer specifieke bepalingen geen soelaas bieden. De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervóór onder 25 in het kader van de zorgplicht is overwogen. Ook ten aanzien van de onderhavige activiteiten is de rechtbank van oordeel dat verweerder door de controles en het rapport van Buro Blauw in combinatie met het klachtenpatroon voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting waarbij sprake is van gekanaliseerde emissies en andere activiteiten dan op- en overslag, dermate veel stofemissie optreedt dan wel kan optreden dat voor eiseressen onmiskenbaar is dat van hen redelijkerwijs kon worden gevergd dat zij de stofemissie van genoemde activiteiten door good housekeeping voorkomen of in ieder geval beperken. Dat bij onvoldoende onderhoud aan de schoorstenen van de drogers grote hoeveelheden opeengehoopt stof kunnen vrijkomen, wordt onder meer door de StAB bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank vormt artikel 7.22 van het Bouwbesluit derhalve een grondslag om handhavend op te treden tegen onaanvaardbare stofoverlast afkomstig van de gekanaliseerde emissies (puntbronnen) en van de overige activiteiten binnen de inrichting van eiseressen niet zijnde op- en overslagactiviteiten. De beroepsgronden slagen niet. 28. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft aangetoond dat van overtreding van de zorgplicht en artikel 7.22 van het Bouwbesluit sprake is en dat verweerder in beginsel bevoegd is daartegen handhavend op te treden. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van één inrichting als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer en dat beide eiseressen, gezien de onderlinge samenwerking en verwevenheid tussen de vennootschappen en de organisatie van hun (gezamenlijke) bedrijfsvoering, terecht voor de gehele inrichting als overtreder zijn aangemerkt. Om deze redenen is tussen partijen ook niet in geschil dat beide eiseressen het in hun macht hebben overtredingen binnen de (gehele) inrichting te beëindigen.
29. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
30. Eiseressen betogen dat zij vrijwillig veel inspanningen hebben verricht en investeringen hebben gedaan om de stofemissie bij de diverse bronnen te beperken en dat deze maatregelen BBT zijn en aan het Abm voldoen, waardoor zij niet konden weten dat zij in strijd met de zorgplicht en artikel 7.22 van het Bouwbesluit handelden. Zij stellen zich op het standpunt dat hierin een bijzondere omstandigheid is gelegen om van handhaving af te zien.
31. De rechtbank overweegt dat de aangevoerde omstandigheden geen grond bieden voor het oordeel dat verweerder van handhaving had moeten afzien. De inspanningen die eiseressen hebben moeten verrichten, zijn onvoldoende gebleken om de door hen veroorzaakte hinder in voldoende mate te beperken. Dat zij zelf al hoge kosten hebben gemaakt om stofoverlast te beperken, levert naar het oordeel van de rechtbank geen bijzondere omstandigheid op om van handhaving af te zien.
32. De rechtbank volgt eiseressen verder niet in hun betoog dat de lasten tot het toepassen van good housekeeping en het bijhouden van een logboek te onduidelijk zijn.
Ingevolge artikel 5:32a, eerste lid, van de Awb omschrijft de last onder dwangsom de te nemen herstelmaatregelen. In de uitspraak van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2222, heeft de Afdeling overwogen dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk is en concreet geformuleerd dient te worden dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. Het rechtszekerheidsbeginsel strekt niet zover dat verweerder gehouden is om een precieze beschrijving te geven van alle in het kader van good housekeeping te treffen maatregelen. Het is voldoende duidelijk wat daaronder in de milieuhygiënische praktijk wordt verstaan. Daarbij komt dat verweerder heeft aangegeven op welke wijze aan de lasten kan worden voldaan. In last 8.2.2, onder 1 is vastgelegd welke maatregelen van good housekeeping van eiseressen in een normale bedrijfsvoering worden verwacht, alsmede de te treffen maatregelen bij calamiteiten en storingen. Het vorenstaande laat onverlet dat het de eigen verantwoordelijkheid van eiseressen is en het hen altijd vrij staat in het kader van good housekeeping andere maatregelen te treffen wanneer daardoor de overtreding wordt beëindigd of herhaling wordt voorkomen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat wanneer zich binnen de inrichting een ‘ongewoon voorval’ voordoet, uit artikel 17.1 van de Wm volgt welke maatregelen in dat geval op grond daarvan van eiseressen kunnen worden verlangd. De rechtbank volgt eiseressen ook niet in hun betoog dat de eisen die verweerder aan het bijhouden van een logboek heeft gesteld tot rechtsonzekerheid leiden. Dat verweerder daaraan de eis van ‘geloofwaardigheid’ heeft gesteld en daarnaast bewijs van de gestelde getroffen maatregelen verlangt, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de last onduidelijk is of dat verweerder onevenredig hoge eisen stelt. 33. Eiseressen betogen dat de gestelde begunstigingstermijn van 6 weken om de good housekeeping maatregelen te implementeren en die (wekelijks) in een logboek bij te houden, te kort is omdat zij door het handhavingsbesluit zijn overvallen nu een eerder handhavingsverzoek is afgewezen en bij eiseressen slechts één klacht bekend was.
34. Ingevolge artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Volgens vaste jurisprudentie dient de termijn niet wezenlijk langer te zijn dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen (uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT8769). In het onderhavige geval strekt de last ertoe om door toepassen van good housekeeping maatregelen te voorkomen dat (nog langer) in strijd met de zorgplicht en artikel 7.22 van het Bouwbesluit wordt gehandeld. De rechtbank volgt eiseressen niet in hun betoog dat de daarvoor gestelde termijn te kort is omdat zij door het opleggen van lasten onder dwangsom zijn overvallen. Eiseressen waren al zeer geruime tijd ervan op de hoogte dat door de omliggende bedrijven stofoverlast wordt ervaren die aan hun bedrijven wordt toegeschreven. 35. Eiseressen betogen dat de dwangsom te hoog is en hebben in dat kader aangevoerd dat zij in totaal € 6.106.000,00 aan dwangsommen kunnen verbeuren hetgeen niet in een redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang.
36. Ingevolge artikel 5:32b van de Awb stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.
37. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de primaire besluiten heeft toegelicht hoe hij de dwangsomhoogte heeft vastgesteld. De hoogte is afgeleid van de geschatte schoonmaakkosten van het terrein en de drogers, alsmede de kosten van verlies aan productietijd, verhoogd met een financiële prikkel. Het maximaal te verbeuren bedrag heeft verweerder gesteld op € 36.000,00. Indien eiseressen niet wekelijks een logboek bijhouden en op verzoek van de toezichthouder beschikbaar stellen, verbeuren zij een bedrag van
€ 2.500,00 per geconstateerde overtreding per week tot een maximum van € 10.000,00. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hoogte van de dwangsom per overtreding en het maximaal te verbeuren bedrag toereikend gemotiveerd. Niet gezegd kan worden dat deze bedragen niet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. De omstandigheid dat er nog andere lasten zijn opgelegd, waardoor het totaal aan te verbeuren dwangsommen tot een zeer hoog bedrag kan oplopen, doet aan het vorenstaande niet af.
38. Op grond van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de beroepsgronden gericht tegen de bij de bestreden besluiten gehandhaafde lasten onder dwangsom 8.2.2, onder 1 en 2 geen doel treffen.
Lasten 8.2.3 en 8.2.4: stofdepositieonderzoek en cyclonen.
39. Op grond van de bij de primaire besluiten opgelegde last 8.2.3 dienen eiseressen binnen 16 weken na 12 maart 2019 een geloofwaardig en concludent onderzoek inzake stofdepositie in te dienen waaruit aantoonbaar blijkt of de grenswaarden inzake stofdepositie al dan niet worden nageleefd door het treffen van maatregelen van ‘good housekeeping’. Indien eiseressen niet (tijdig) aan deze last voldoen verbeuren zij ineens een dwangsom van € 25.000,00, hetgeen tevens het maximaal te verbeuren bedrag is.
Op grond van last 8.2.4 dienen eiseressen ter plaatse van de Swiss Combi droger alsmede de Stela droger binnen 10 maanden na 12 maart 2019 deugdelijk functionerende cyclonen te installeren en in gebruik te nemen, tenzij aan last 8.2.3 is voldaan en een geloofwaardig en concludent onderzoek is ingediend, waaruit aantoonbaar en steekhoudend blijkt dat de in paragraaf 4.2 opgenomen grenswaarden inzake stofdepositie niet meer worden overschreden als gevolg van de getroffen en te continueren maatregelen van ‘good housekeeping’. Indien eiseressen niet (tijdig) aan deze last voldoen verbeuren zij een dwangsom van € 185.625,00 per week dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 2.970.000,00.
De in de lasten opgenomen grenswaarden voor het voorkomen van onaanvaardbare stofhinder als gevolg van stofdepositie heeft verweerder op basis van het onderzoek van Buro Blauw bepaalde op 1 g/m²/jaar en 650 mg/m²/dag.
40. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren die eiseressen tegen de bij primaire besluiten opgelegde lasten 8.2.3 en 8.2.4 ongegrond verklaard.
41. In beroep hebben eiseressen daartegen aanvullend aan hetgeen onder 21 is aangevoerd, nog het volgende naar voren gebracht. Eiseressen betwisten de juistheid van de uitkomst van het onderzoek van Buro Blauw dat verweerder aan de overtredingen en de opgelegde lasten ten grondslag heeft gelegd. Volgens eiseressen is de door Buro Blauw gebruikte methode van ‘reverse modelling’ niet geschikt om de gemeten stofdepositie te verklaren. Ter onderbouwing van hun standpunten hebben zij een aantal rapporten van SGS “Stof Depositie Onderzoek [eiseres 2] te Venray” overgelegd. Eiseressen voeren in de kern aan dat verweerder er ten onrechte aan voorbijgaat dat er in Nederland geen (concreet) toetsingskader voor stofdepositie en geen normen gelden over de toegestane hoeveelheid stofdepositie die een bedrijf mag veroorzaken. Zij betogen dat verweerder ten onrechte stelt dat bij overschrijding van de door Buro Blauw vastgestelde grenswaarden sprake is van onaanvaardbare stofhinder, waartegen op grond van de zorgplicht en artikel 7.22 van het Bouwbesluit handhavend kan worden opgetreden. In dat verband wijzen eiseressen op artikel 2.5, tweede lid, van het Abm, waarin voor de gekanaliseerde emissies een concentratie-eis en geen vrachteis voor stofemissie is geformuleerd. Aan de concentratie-eis wordt voldaan. In dat geval kan volgens eiseressen van onaanvaardbare stofhinder als gevolg van de gekanaliseerde bronnen geen sprake zijn. Voor de diffuse stofemissies wijzen eiseressen op de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1363. Zij betogen dat bij het bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau ten onrechte geen rekening is gehouden met het feit dat in het verleden activiteiten zijn vergund die stofhinder veroorzaken. Tevens is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de inrichting op een bedrijventerrein is gelegen. Eiseressen wijzen verder op de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4631. Zij betogen dat aan de criteria die in die uitspraak worden genoemd om op grond van de zorgplicht handhavend op te kunnen treden, in dit geval niet is voldaan. Zij leiden met name uit die uitspraak af dat er niet één norm/grenswaarde kan worden opgelegd ter invulling van de zorgplicht. Bovendien is de opgelegde grenswaarde strenger dan de zorgplicht vereist omdat de opgelegde grenswaarde ertoe strekt dat een kans op hinder wordt voorkomen, aldus eiseressen. Uit het rapport van Buro Blauw blijkt namelijk dat is aangenomen dat er bij een jaargemiddelde bijdrage van 1 g/m²/jaar een kans op hinder is, terwijl de zorgplicht en artikel 7.22 van het Bouwbesluit ziet op het voorkomen van onaanvaardbare (overlast van) stofhinder. Ten aanzien van last 8.2.4 hebben eiseressen onder meer een memo van Elsman International Consultants B.V. in het geding gebracht waarin is ingegaan op de toepasbaarheid van cyclonen bij de drogers en waarin een berekening is gemaakt om aan te tonen dat cyclonen niet kosteneffectief zijn. Eiseressen stellen zich daarom op het standpunt dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid en een toereikende motivering ontberen. 42. Verweerder heeft in reactie op het beroep erkend dat in de wetgeving geen specifieke norm is opgenomen ten aanzien van het veroorzaken van hinder voor de omgeving als gevolg van (diffuse) stofdepositie. Voor dit soort situaties biedt de zorgplicht een vangnet en daarop zijn de lasten gebaseerd. Omdat wettelijke normen ontbreken dient verweerder een invulling te geven aan zijn beoordelingsruimte en kan daarbij zelf een norm kiezen voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van (in dit geval) stofdepositie. Bij overschrijding daarvan biedt de zorgplicht en artikel 7.22 van het Bouwbesluit een grondslag om handhavend op te treden. In dit geval heeft verweerder een deskundige, Buro Blauw, ingeschakeld, die een norm heeft geformuleerd waarvoor een goede onderbouwing is gegeven. Daarbij wijst verweerder erop dat het beëindigen van sinds geruime tijd bestaande hinder door stofoverlast aan de orde is. Dat vergt een andere benadering dan een toetsing of aan de normen uit het Abm is voldaan en of binnen de inrichting BBT wordt toegepast. Met die toetsingen wordt niet uitgesloten dat er geen onaanvaardbare hinder kan optreden. Gezien het debiet van de drogers kan ook van onaanvaardbaar hoge stofemissie sprake zijn als aan de stofconcentratie-eis uit het Abm wordt voldaan. Dat is ook de reden dat verweerder in dit verband de kosteneffectiviteit van cyclonen niet doorslaggevend acht. Als via good housekeeping geen aanvaardbaar hinderniveau kan worden bereikt, dan acht verweerder het niet onredelijk of onevenredig om als ultimum remedium van eiseressen te verlangen dat zij cyclonen installeren om een aanvaardbaar hinderniveau te bereiken. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat uit de diverse onderzoeken en klachten is gebleken dat onmiskenbaar in strijd met de zorgplicht is gehandeld en dat daartegen terecht handhavend is opgetreden op de wijze zoals in de besluitvorming is aangegeven.
43. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige lasten zijn opgelegd in verband met en in aanvulling op de last 8.2.2 waarbij in het kader van de zorgplicht en artikel 7.22 van het Bouwbesluit good housekeeping maatregelen zijn opgelegd. Zoals de rechtbank hiervóór heeft overwogen, houdt last 8.2.2 in rechte stand. Bij de thans te beoordelen aanvullende lasten zijn, anders bij last 8.2.2, grenswaarden voor het voorkomen van onaanvaardbare stofdepositie van 1 g/m²/jaar en 650 mg/m²/jaar, vastgesteld, waaraan alle activiteiten binnen de inrichting samen aantoonbaar moeten voldoen. Indien niet door een concludent en geloofwaardig onderzoek wordt aangetoond dat de grenswaarden door good housekeeping worden gehaald dan dienen eiseressen bij de schoorstenen van de drogers deugdelijk functionerende cyclonen te installeren en in gebruik te nemen.