Verzoeker stelde bezwaar tegen de WOZ-waarde van een onroerende zaak vastgesteld op €480.000,- voor het belastingjaar 2023. Het bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna verzoeker beroep instelde. Tijdens de beroepsprocedure trok verzoeker het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat verzoeker recht heeft op vergoeding van proceskosten voor zowel de beroepsfase als de bezwaarfase. Hoewel in de bezwaarfase een andere gemachtigde optrad dan in de beroepsfase, bleek uit een samenwerkingsovereenkomst en volmacht dat verzoeker aan de eerste gemachtigde een vergoeding verschuldigd is indien het beroep gegrond wordt verklaard.
De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende bewijs leverde dat verzoeker geen kosten verschuldigd zou zijn voor de bezwaarfase. De totale proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €2.329,26, inclusief kosten voor het taxatierapport. Het griffierecht dient rechtstreeks bij verweerder te worden geclaimd. De uitspraak is gedaan door rechter B.F.A. van Huijgevoort op 10 juli 2025.