De minister legde aan het bouwbedrijf een boete van €9.450,- op na een arbeidsongeval, waarbij de boete werd verhoogd vanwege een ziekenhuisopname van drie nachten en blijvend letsel. Het bouwbedrijf betoogde dat de boete onevenredig was omdat de ziekenhuisopname niet voortkwam uit de ernst van het letsel, maar uit een keuze voor een infuusbehandeling ter voorkoming van infecties.
De rechtbank stelde vast dat de minister de beleidsregel boeteoplegging arbeidsomstandighedenwetgeving toepaste, waarbij de duur van de ziekenhuisopname leidend was voor de boeteverhoging. De rechtbank oordeelde dat dit niet proportioneel was omdat de ernst van het letsel onvoldoende rechtvaardigde dat de opname als zwaarwegend werd meegewogen. Het letsel was licht blijvend en hinderde het slachtoffer niet in het dagelijks leven of beroep.
Daarnaast constateerde de rechtbank een overschrijding van de redelijke termijn van meer dan anderhalf jaar, wat een verdere matiging van 20% rechtvaardigde. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit en stelde zelf de boete vast op €6.480,-. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van het bouwbedrijf.