ECLI:NL:RBLIM:2026:1851

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
ROE 26/131
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen woningsluiting wegens professionele hennepkwekerij

Verzoekster is eigenaar en bewoner van een woning waarin een professionele hennepkwekerij met 524 planten werd aangetroffen. De burgemeester besloot de woning te sluiten voor drie maanden. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om in de woning te mogen blijven.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoekster en haar minderjarige kind anders hun woning moeten verlaten. Hoewel de burgemeester bevoegd is tot sluiting, is de evenredigheid van de maatregel onvoldoende gemotiveerd, vooral gezien de kwetsbare positie van verzoekster en haar kind.

De rechter weegt het belang van verzoekster en haar dochter zwaarder dan het belang van de burgemeester bij de sluiting en schorst het besluit tot twee weken na de beslissing op bezwaar. Tevens worden griffierecht en proceskosten aan verzoekster vergoed.

Uitkomst: Het besluit tot sluiting van de woning wordt geschorst tot twee weken na de beslissing op bezwaar vanwege het zwaarder wegen van het belang van verzoekster en haar minderjarige kind.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/131

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 februari 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Venlo, verzoekster,

(gemachtigde: mr. M. Veldman),
en

de Burgemeester van de gemeente Venlo,

(gemachtigden: mr. E.P.B. Moors en J.J.M. Wijnen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de vraag of de burgemeester op goede gronden heeft besloten om de woning van verzoekster (de woning) te sluiten en voor de duur van drie maanden gesloten te houden. [1]
2. Verzoekster is het niet eens met de woningsluiting en heeft daarom tegen het bestreden besluit van 8 januari 2026 (het bestreden besluit) bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit wordt geschorst tot vier weken na de beslissing op bezwaar, zodat verzoekster voorlopig nog in haar woning kan blijven wonen.
3. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar van verzoekster tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen heeft. Deze vraag beantwoordt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden die verzoekster in deze voorlopige voorzieningenprocedure en in de bezwaarschriftprocedure tegen het bestreden besluit heeft aangevoerd.
4. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Als verzoekster het niet eens is met de beslissing op het bezwaar (die door de burgemeester nu nog moet worden genomen), kan verzoekster daartegen op dat moment beroep instellen bij de rechtbank. De rechtbank mag in die (bodem)procedure anders oordelen over de zaak dan de voorzieningenrechter nu.

Procesverloop

5. De voorzieningenrechter is uitgegaan van de volgende, vaststaande feiten. Verzoekster is (samen met haar ex-partner) de eigenaar van de woning. Verzoekster woont in de woning, samen met haar minderjarige kind (geboren op 11 februari 2024).
6. Naar aanleiding van een positieve netmeting van Enexis heeft de politie op
16 oktober 2025 (nader) onderzoek verricht in de woning van verzoekster. De politie heeft in de kelder van de woning een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit 524 (nog niet oogstrijpe) hennepplanten. De hennepkwekerij was op een professionele, maar (voor de buurt) onveilige wijze opgezet, (onder meer) door de diefstal van water en elektriciteit. De politie heeft daarnaast meerdere plantenpotten en grote hoeveelheden (gebruikte en ongebruikte) potgrond aangetroffen, alsook een afzuigsysteem en diverse (gebruikte en ongebruikte) koolstoffilters, ventilatoren, gasflessen, groeimiddelen, een cutter, scharen, handschoenen met daarop hennepresten en meerdere verpakkingsmaterialen.
7. Bij brief van 26 november 2025 heeft de burgemeester verzoekster naar aanleiding daarvan in kennis gesteld van het voornemen om de woning te sluiten. Verzoekster heeft haar zienswijze kenbaar gemaakt. De burgemeester heeft daarin geen aanleiding gezien om van het voornemen af te wijken, zodat de burgemeester het sluitingsbesluit heeft genomen.
8. Verzoekster heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt en dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De burgemeester heeft de voorzieningenrechter laten weten dat hij wacht met sluiten totdat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan.
9. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
10. Nadat het onderzoek is gesloten heeft verzoekster nog een aantal stukken ter onderbouwing naar de burgemeester en de voorzieningenrechter verzonden. De voorzieningenrechter heeft daarin geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen, onder meer gelet op de spoedeisendheid van de zaak. Dat betekent dat de voorzieningenrechter in deze uitspraak alleen rekening heeft gehouden met de stukken die verzoekster voor of tijdens de zitting heeft ingediend. De burgemeester kan de door verzoekster na de zitting nog overgelegde aanvullende stukken meenemen in de bezwaarprocedure.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is sprake van een spoedeisend belang?
11. De voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoekster niet kan wachten op de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter moet dus eerst beoordelen of er in dit geval sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
12. De voorzieningenrechter vindt het belang van verzoekster bij het treffen van een voorlopige voorziening in dit geval voldoende spoedeisend, omdat verzoekster en haar minderjarig kind (van twee) niet in de woning kunnen wonen als die wordt gesloten.

Sluitingsbevoegdheid

13. Als er in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, is de burgemeester (in beginsel) bevoegd om de bewoner of eigenaar van de woning te gelasten de woning te sluiten en voor een bepaalde tijd gesloten te houden. Verzoekster heeft de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester niet betwist, zodat die bevoegdheid in dit geval niet in geschil is en de voorzieningenrechter daarover dus ook niet zal oordelen.
14. Verzoekster heeft wel gesteld dat de woningsluiting niet (meer) noodzakelijk is. Daarnaast heeft verzoekster gesteld dat de woningsluiting niet evenredig is. Wat verzoekster daarover heeft aangevoerd, beoordeelt de voorzieningenrechter hierna.
Is sluiting van de woning noodzakelijk?
15. Verzoekster heeft de noodzaak van de woningsluiting betwist, omdat er volgens haar geen sprake is (geweest) van een dringend/ernstig geval. Verzoekster stelt zich dan ook op het standpunt dat de burgemeester met een minder ingrijpende maatregel dan het sluiten van de woning had kunnen en moeten volstaan, te weten een waarschuwing. Verzoekster wist niet van de hennepkwekerij en heeft hierbij ook geen betrokkenheid gehad. Haar ex-partner is (alleen) verantwoordelijk (geweest) voor de hennepkwekerij, die zich bevond in de kelder van de woning en toegankelijk was via de garage. In en rondom de woning is er (daardoor) nooit sprake geweest van een hennepgeur. Verzoekster kan voor de aanwezigheid daarvan dan ook niet (strafrechtelijk) verantwoordelijk worden gehouden. Verzoekster heeft inmiddels een echtscheidingsprocedure tegen haar ex-partner gestart, hem uit de woning gezet en de sleutel ingenomen. Haar ex-partner heeft dus geen toegang meer tot de woning, zodat van een risico op recidive geen sprake meer is.
16. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de sluiting van de woning (nog steeds) noodzakelijk is en verwacht dan ook dat het bestreden besluit op dat punt in bezwaar stand zal houden. Woningsluiting vindt immers niet enkel plaats ter beëindiging van de overtreding, wat (wellicht) al is gebeurd doordat de politie de hennepplantage heeft geruimd en de hennepplanten en andere materialen heeft vernietigd. Woningsluiting vindt ook plaats ter bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving en het herstel van de openbare orde. Daarvoor is van belang dat uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken [2] volgt dat als uitgangspunt geldt dat als in een pand een handelshoeveelheid drugs (meer dan vijf hennepplanten) wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat dat pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel. [3] Dat dat pand een rol vervult binnen de keten van drugshandel levert op zichzelf al een belang op bij sluiting, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel (meer) is geconstateerd.
16.1.
De politie heeft in de kelder van de woning een professioneel opgezette, in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen, bestaande uit 524 (nog niet oogstrijpe) hennepplanten. Aangenomen wordt dan ook dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, zodat sluiting daarvan in beginsel noodzakelijk is. Dat geldt te meer nu – anders dan verzoekster heeft betoogd – sprake is van een ernstig geval. De politie heeft in de woning immers een aanzienlijke hoeveelheid hennepplanten aangetroffen, waarmee de maximaal toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik (van vijf hennepplanten) ruimschoots wordt overschreden. Daarnaast heeft de politie in de woning diverse aan de kwekerij gerelateerde attributen aangetroffen. Een en ander versterkt de noodzaak tot sluiting van de woning nog verder en daardoor kan – volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter [4] – ook niet met een waarschuwing worden volstaan. Het betoog van verzoekster, dat haar geen verwijt kan worden gemaakt, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Is sluiting van de woning evenredig?
17. Verzoekster heeft aangevoerd dat de woningsluiting niet evenredig is. Verzoekster vindt daarvoor ook van belang dat zij geen betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerij, zodat zij daarvoor ook niet (strafrechtelijk) verantwoordelijk kan worden gehouden. Alleen haar ex-partner is daarvoor verantwoordelijk (geweest). Ter zitting heeft verzoekster daarover nog (nader) verklaard dat de moeder van verzoekster ernstig ziek is en verzoekster in de periode voorafgaand aan het aantreffen van de hennepkwekerij veelal bij haar moeder verbleef om voor haar te zorgen. De moeder van verzoekster heeft namelijk kanker en heeft (onder meer) al een operatie en diverse bestralingen ondergaan, waarvan zij nog steeds veel klachten ondervindt. Hierdoor was verzoekster bijna niet thuis, en heeft niet gemerkt dat er een hennepkwekerij was opgebouwd in de kelder. Drugs worden in de cultuur van verzoekster echter niet getolereerd. De moeder van verzoekster is erg boos over de aangetroffen hennepkwekerij. Verzoekster heeft om die reden nu nagenoeg geen contact meer met haar moeder (en haar broer). Zij kan daardoor ook niet bij hen terecht. Haar broer woont bovendien al bij haar moeder, omdat hij ook is gescheiden. Verzoekster heeft geen (contact met) andere familie en/of vrienden. Verzoekster heeft haar (inmiddels) ex-partner uit de woning gezet, de sleutel van de woning heeft ze ingenomen en ze is een echtscheidingsprocedure tegen hem gestart. Verzoekster woont nu dus alleen met haar dochter in de woning, zodat de woningsluiting enkel hun treft. Ergens anders kan verzoekster niet terecht. Verzoekster beschikt namelijk niet over een netwerk, heeft onvoldoende financiële middelen en opvanglocaties zijn niet geschikt voor haar dochter. Daarnaast is verzoekster voor wat betreft het vinden van alternatieve woonruimte gebonden aan de directe omgeving van haar werk en de opvang van haar dochter. Verzoekster moet immers alleen (financieel) zorgdragen voor haarzelf en voor haar dochter. Verzoekster heeft een baan en inkomen. Door al wat er is voorgevallen, heeft verzoekster echter ook schulden, onder meer aan Enexis en WML (ter hoogte van € 16.510,00 en € 6.000,00). Om die schulden te kunnen aflossen, heeft verzoekster een geldlening van € 50.000,00 afgesloten, met een terugbetalingsverplichting van € 1.049,54 per maand en tegen 10% rente. Van het geleende geldbedrag heeft verzoekster haar leaseovereenkomst afgekocht voor een bedrag van € 7.700,00. De leaseauto heeft verzoekster vervolgens verkocht voor € 3.500,00. Verzoekster kon de betalingsverplichtingen van een en ander namelijk niet meer (alleen) nakomen. Verzoekster beschikt dus niet meer over een auto, zodat ze te voet naar de opvang en haar werk gaat. Verzoekster is dus gebonden aan een woning in de buurt, en kan niet zomaar naar Duitsland uitwijken. Verder heeft verzoekster van het geleende bedrag nog advocaatkosten voldaan van (vooralsnog, in totaal) € 5.000,00. Ter onderbouwing van heeft verzoekster ter zitting een overzicht van de schuld aan Enexis en de leasemaatschappij overgelegd, en een bankafschrift van de overschrijving van het afkoopbedrag aan laatstgenoemde. Verzoekster heeft een gesprek gehad met het sociaal wijkteam. Met dit team heeft zij de gevolgen van sluiting besproken. Zij hebben aangegeven dat verzoekster in het uiterste geval terecht zou kunnen bij een nacht- of vrouwenopvang, maar dat dit niet heel geschikt is voor haar dochter van twee. Verzoekster heeft aangegeven dat haar dochter op dit moment alleen bij haar verblijft. In de toekomst zal haar dochter waarschijnlijk om de week een weekend en de woensdag bij haar ex-partner gaan verblijven.
18. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Als de sluiting van een woning noodzakelijk is, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende factoren van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen. Daarnaast is van belang wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Verder moet de burgemeester de aanwezigheid van minderjarige kinderen en de impact van de woningsluiting op hun welzijn in zijn besluitvorming betrekken. [5]
19. Gelet op dat wat verzoekster heeft aangevoerd (onder 16.), is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester onvoldoende aandacht heeft besteed aan de gevolgen van de woningsluiting voor verzoekster en haar minderjarige kind. De voorzieningenrechter kan verweerder weliswaar volgen in het standpunt dat verzoekster haar stellingen slechts beperkt heeft onderbouwd. Zo heeft verzoekster niet onderbouwd dat haar moeder ziek is, noch dat zij veelal bij haar moeder verbleef om voor haar te zorgen, bijvoorbeeld met verklaringen van haar moeder, broer, buren, vrienden en/of kennissen, etc. Verzoekster heeft pas ter zitting haar financiële situatie enigszins onderbouwd. Gelet op wat verzoekster wel aan stukken heeft ingediend en wat zij heeft verteld op zitting, is de voorzieningenrechter desondanks van oordeel dat de belangen van verzoekster en (met name) haar minderjarige dochter, om voorlopig in de woning te kunnen blijven, vooralsnog zwaarder wegen dan de belangen van de burgemeester bij de woningsluiting. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen door het bestreden besluit te schorsen. Verzoekster zal haar standpunten in bezwaar eventueel nog nader kunnen onderbouwen, door bijvoorbeeld inkomensspecificaties/loonstroken, bankafschriften en/of andere overzichten van uitgaven, informatie over (de ontwikkeling van) haar dochter, informatie over de zoektocht naar een woning en verklaringen van derden, zoals collega’s of hulpverleningsinstanties over te leggen.
20. Uit wat verzoekster wel heeft verteld en onderbouwd maakt de voorzieningenrechter op dat verzoekster zich op dit moment in een kwetsbare positie bevindt. Zij ligt in een scheiding en heeft eigenlijk geen ondersteunend netwerk, nu de relatie met haar familie is verstoord. Zij is een grote schuld aangegaan om de eindjes aan elkaar te knopen. Gelukkig heeft zij nog wel een vaste baan. Door de omstandigheden draagt zij vrijwel alleen de zorg voor haar dochter van twee.
21. De voorzieningenrechter overweegt dat de aanwezigheid van een minderjarig kind op zichzelf nog geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan de burgemeester van een sluiting moet afzien. [6] Wel is dan van belang dat de burgemeester er voldoende rekenschap van heeft gegeven dat er een minderjarig kind in de woning woont. In beginsel zijn ouders van minderjarige kinderen zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte, maar de burgemeester zal daarnaar wel moeten informeren c.q. moeten onderzoeken of de ouders daartoe zelf wel in staat zijn. [7]
22. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester dat hier onvoldoende heeft gedaan. De burgemeester heeft ter zake immers slechts (in het algemeen) aangevoerd dat er voldoende mogelijkheden in de omgeving van Venlo en net over de grens in Duitsland zijn, zoals kortdurende huur van woonruimte, verblijf op een camping of vakantiepark of in een B&B of hotel en verwezen naar websites zoals www.funda.nl, www.jaap.nl, www.huislijn.nl en de websites van lokale makelaars. Als een en ander niet mogelijk zou zijn, heeft de burgemeester aangevoerd dat verzoekster terecht kan in een maatschappelijke opvang. De burgemeester heeft echter geen concrete mogelijkheden/locaties aangedragen. Bovendien heeft het sociaal wijkteam – onbetwist – aan verzoekster laten weten dat de maatschappelijke opvang geen wenselijke plaats is voor een kind van twee. De burgemeester heeft ook niet onderzocht of en/of overwogen dat deze (concrete) mogelijkheden/locaties geschikt zijn voor verzoekster en haar minderjarige kind, ook gelet op het feit dat verzoekster niet (meer) over een auto beschikt en dus te voet bij de opvang en op haar werk zal moeten geraken. De voorzieningenrechter vindt dit wel van belang. Het is immers van groot belang voor verzoekster dat zij haar baan kan behouden. Haar werk is juist één van de weinige stabiele factoren die verzoekster in deze onzekere periode in haar leven nog over heeft. Ook gelet op de schuld die verzoekster is aangegaan, zijn de inkomsten hieruit erg belangrijk voor haar. Tot slot zal de burgemeester zich er van moeten vergewissen of verzoekster financieel in staat is een andere woning naast de huidige woning te bekostigen.
23. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat sprake is van een evenwichtige sluiting. De gevolgen van de sluiting van de woning voor verzoekster en haar minderjarige kind, zijn op dit moment te onzeker. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom toe.

Conclusie en gevolgen

24. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit is geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster vergoeden, alsook de proceskosten. De proceskostenvergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag van € 934,00 per proceshandeling. De gemachtigde heeft een verzoekschrift ingediend (1) en heeft aan de zitting deelgenomen (2). De vergoeding bedraagt in totaal dus € 1.868,00.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot twee weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,00 aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868,00 aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.J. Sprakel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C. Mellendijk-Leinders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
griffier
de voorzieningenrechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 24 februari 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet.
2.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1333.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1362.
5.Zie hierover de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1174.
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4046.