ECLI:NL:RVS:2020:1333
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- G.M.H. Hoogvliet
- H.C.P. Venema
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting bedrijfspand wegens omvangrijke productie van harddrugs
De burgemeester van Heerlen heeft op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd tot sluiting van een bedrijfspand waar ruim 140 kg harddrugs (MDMA) en productieapparatuur werden aangetroffen. Deze sluiting werd vastgesteld voor twaalf maanden en is gebaseerd op het gemeentelijke handhavingsbeleid.
Appellanten, exploitanten van een reclamebeletteringsbedrijf in het pand, maakten bezwaar tegen de sluiting, stellende dat de noodzaak tot sluiting niet meer bestond en dat de maatregel disproportioneel was gezien de gevolgen voor hun bedrijf en gezin. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het beroep af, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de burgemeester terecht het pand in zijn geheel heeft gesloten vanwege de omvangrijke en ernstige overtredingen van de Opiumwet en de rol van het pand in de georganiseerde drugshandel. De sluiting was noodzakelijk ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De Afdeling verwierp het betoog dat de sluiting een punitieve sanctie zou zijn en bevestigde dat persoonlijke verwijtbaarheid niet vereist is voor de bestuursrechtelijke maatregel.
De Afdeling concludeerde dat de belangenafweging door de burgemeester zorgvuldig was gemaakt en dat de gevolgen voor appellanten, hoewel aanzienlijk, niet zwaarder wegen dan het belang van de sluiting. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de sluiting van het bedrijfspand voor twaalf maanden wegens de aanwezigheid van ruim 140 kg MDMA en productie van harddrugs.