Uitspraak
RECHTBANK limburg
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaken tussen
[eiseres 1] , te [vestigingsplaats 1] ,
Stichting Behoud Leefmilieu Limburg, te Heythuysen,
[eiser 9] , te [woonplaats 9]
Burgerwindpark Ospeldijk B.V.(gemachtigde: [gemachtigde] )
en WML Wind B.V.
Procesverloop
Overwegingen
- de omgevingsvergunningen zijn verleend in strijd met dwingende regels van het Unierecht, met verwijzing naar het Nevele-arrest over de uitleg van de SMB-richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s in Vlaanderen; de Hofuitspraken en de Europese regels dienen onverkort te worden nageleefd en een lidstaat moet alle mogelijke noodzakelijke maatregelen treffen om het ontbreken van een MER te herstellen; in het kader van uniforme toepassing van het Unierecht dient nietigverklaring of vernietiging van de verleende vergunningen plaats te vinden;
- schending van de beginselen en bepalingen van het Verdrag van Aarhus;
- schending van de mededingingsregels in de zin van strijd met regels voor schaarse vergunningen;
- bewoners zijn ten onrechte niet (allemaal) actief betrokken en hebben daardoor niet tijdig bezwaar kunnen maken;
- er is geen juiste aanbestedingsprocedure gevolgd;
- er is ten onrechte geen integrale milieubeoordeling met omliggende gemeenten/windparken gemaakt.
belanghebbendenwordt in omgevingsrechtelijke zaken niet tegengeworpen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. [2] Voor
niet-belanghebbendengeldt dat ook zij beroep kunnen instellen tegen omgevingsrechtelijke besluiten, mits zij wel een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of in het geval hen niet kan worden verweten dat zij dat hebben nagelaten. [3]
Conclusie
Beslissing
- verklaart het beroep in de zaak 23/248, voor zover dit is ingediend door [eiser 4] en [eiser 8] , niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen voor het overige gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) om aan eisers in 23/396 een vergoeding te betalen voor immateriële schade van (totaal) € 1.500,00, met dien verstande dat de betaling van genoemd bedrag aan één van de eisers betekent dat de minister van Justitie en Veiligheid aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365,00 per zaak (voor 23/220 en voor 23/248) en € 184,00 (voor zaak 23/396) aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,00 per zaak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de proceskosten van eisers in 23/396 in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, tot een bedrag van € 467,00, met dien verstande dat de betaling van genoemd bedrag aan één van de eisers betekent dat de minister van Justitie en Veiligheid aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
.